Rijst uit het land van de honger

SEADA NOURHUSSEN Vruchtbaar en goedkoop Afrikaans land is gewild. Wereldwijd jagen zakenlui op dit 'groene goud' voor de productie van voedsel en biobrandstoffen. Foute zaak, zeggen mensenrechtenclubs en milieukundigen. Maar Afrikaanse leiders zijn blij met de massa's investeerders. Wie heeft er gelijk? Trouw zocht naar antwoorden in Oost-, West-, en zuidelijk Afrika. Deel 2: rijstbouw in Ethiopië.

'Dit ruikt goed hè? Het doet niet onder voor basmati." Trots schept Pakistaan Mohamed Sarfraz een handvol geurige rijst uit een jute zak. Andere Pakistanen, met mondkapjes op en bedekt onder het stof, zien erop toe dat het bruine graan door machines in gepolijste witte korrels verandert. Ze roepen naar elkaar in hun taal, het Urdu. Maar Sarfraz en zijn collega's zijn niet in de Punjab, waar de bekende basmatirijst vandaan komt. Ze zijn in Gambella, een afgelegen regio in het westen van Ethiopië. Volgens Sarfraz: "een perfecte plek om rijst te verbouwen."

Rijst? In het land van de hongerbuikjes? Het land waar we afgelopen zomer nog geld aan doneerden vanwege de ernstigste droogte in zestig jaar? "Grote delen van Ethiopië zijn vruchtbaarder dan mensen denken. Hier zit de bodem vol met organisch materiaal waardoor er geen meststof nodig is voor de rijstbouw", zegt Sarfraz. "Tel het subtropische klimaat, de regenval en de rivieren erbij op en het is uitermate geschikt voor rijst van hoge kwaliteit."

De poort tot Gambella, 800 kilometer van de Ethiopische hoofdstad Addis Abeba, is de brug over de brede Baro-rivier. Kinderen spartelen in het water, moeders schrobben kleren en pubers duwen elkaar kopje onder. Gambella-stad ligt er verrassend netjes en ordelijk bij. Het asfalt is pas gelegd, het witte provinciegebouw fonkelt van de nieuwigheid. "Dat komt door ons. Investeerders zoals wij hebben Gambella getransformeerd van een slaperig achterland naar een drukke plek in ontwikkeling", zegt Fikru Desalegn, uitvoerend directeur van Saudi Star, de rijstproducent waar Pakistaan Sarfraz voor werkt. Saudi Star is de agrarische tak van het imperium van multimiljardair Mohammed Al Amoudi. Tegen het luttele bedrag van 1,30 euro per hectare per jaar, least deze Ethiopisch-Saoedische oliesjeik een halve eeuw lang 10.000 hectare in Abobo, een onderontwikkeld district 50 kilometer buiten Gambella-stad.

Makkelijk is het niet om vanuit het niets rijst te produceren. "We bewerken nu slechts 350 hectare", vertelt Sarfraz als hij met een hoedje op over de rijstvelden met strakke rijen groene steeltjes wandelt. "We hebben nu pas, vier jaar nadat we begonnen zijn, onze eerste succesvolle oogst. Het zijn monsters die we aan onze toekomstige kopers kunnen laten zien. Een investering. We verdienen nog niet."

In de verte stijgen rookpluimen op van het weggebrande gras en maken graafmachines nieuwe kavels klaar voor beplanting. Dertig kilometer irrigatiekanaal, met water uit de nabijgelegen Alwero-rivier, wordt er aangelegd.

De kleine Sarfraz maakt met handen en voeten een praatje met de arbeiders die voor iets meer dan een euro per dag in de genadeloze hitte de velden ontdoen van achtergebleven materiaal.

Lang was Gambella slechts bekend als 'regio 12'. Te ver weg, te achtergesteld, kortom te onbeduidend voor een naam. Maar nu is groen en waterrijk Gambella het middelpunt van het 'Groei en Transformatie Plan' van de overheid. Dat plan beoogt via grootschalige, commerciële landbouw van Ethiopië een middenklassemaatschappij te maken. De traditionele kleinschalige, zelfvoorzienende landbouw levert geen geld op, zo beredeneren de machthebbers in Addis Abeba. Daarom verwelkomt de overheid agrarische investeerders vanuit de hele wereld met open armen. De bedrijven betalen misschien heel weinig huur per hectare, premier Meles Zenawi gelooft dat de expertise en de moderne technieken van buitenlandse landbouwkundigen Ethiopië vooruit zullen helpen. Daarbij kan het land de buitenlandse valuta, belastinginkomsten en werkgelegenheid goed gebruiken.

Het Indiase bedrijf Karuturi verbouwt, net zoals Saudi Star, de komende 50 jaar rijst op wat 'de grootste boerderij ter wereld' wordt genoemd: een gebied van ruim 300.000 hectare. Het wordt wel 'de deal van de eeuw' genoemd; nog geen euro per hectare betaalt Karuturi. Ruchi Group, eveneens Indiaas, teelt sojabonen op 25.000 hectare, met de optie uit te breiden naar 50.000. Talloze anderen verbouwen in Gambella tarwe, tomaten, aardappelen, palmolie en suikerriet.

Ook in Benishangul-Gumuz in het westen, Afar in het noorden en Oromia in het midden en zuiden zijn landtransacties gesloten. In heel Ethiopië is volgens de nieuwe databank Land Matrix ruim 5,3 miljoen hectare grond aan veelal buitenlandse investeerders geleased. Ook steeds meer hooglanders, zoals de lichtergekleurde Ethiopiërs uit het noorden worden genoemd, komen hun geluk beproeven in Gambella. Niet alleen om agrarische projecten te beginnen. Ze openen hotels, restaurants en barretjes in de stad waar de kratten bier tot laat in de avond worden aangerukt. Dat de elektriciteit om de haverklap uitvalt en het water vaak niet uit de kraan komt, mag de pret niet drukken.

Gambella is volgens de regering de gedroomde locatie voor het Groei en Transformatie Plan omdat de regio tjokvol 'onderbenut' land zit, en omdat het met 370.000 inwoners op zo'n 3 miljoen hectare als dunbevolkt geldt. 'Zelfs de duivel is hier nooit geweest', schijnt sjeik Al Amoudi over het district Abobo gezegd te hebben.

Met zulke uitspraken hebben mensenrechtenorganisaties grote moeite. "De gebieden worden gebruikt door nomaden die soms pas na jaren bepaalde gebieden aandoen." Een bezorgde milieukundige die liever anoniem blijft, zegt: "Wilde dieren gebruiken de omgeving voor hun trekroute."

Human Rights Watch (HRW) slaat al enige tijd alarm over het verjagen van bewoners voor de komst van landbouwbedrijven als Saudi Star en Karuturi. HRW zegt dat 70.000 mensen in de afgelopen drie jaar zijn weggehaald van hun voorouderlijk land en dat ze de toegang tot landbouwgrond en water is ontzegd. "Alle verplaatsingen zijn geheel vrijwillig", verdedigt minister Shiferaw Teklemariam van federale zaken vanuit Addis Abeba het regeringsbeleid. Hij zegt dat de inwoners van Gambella in de nieuwe dorpen, nooit ver van van hun oude dorp, toegang hebben tot basisfaciliteiten zoals scholen, ziekenhuizen, wegen, elektriciteit en water. Teklemariam ziet geen andere manier dan grootschalige landbouw om 'achterlijke regio's' zoals Gambella te ontwikkelen.

Maar de spanningen nemen toe in Gambella. Recent was er zelfs een gerichte aanval op Saudi Star. Daarbij zijn volgens de politie vier Ethiopiërs en een Pakistaan gedood en acht mensen gewond geraakt. Er zijn arrestaties verricht en de politie zegt de zaak te onderzoeken.

"Wij horen vooral de klachten van de bevolking", merkt Behailu Hailemariam op. De hooglander is bij de regionale overheid in Gambella verantwoordelijk voor natuurbehoud en de belangen van de bevolking. "De federale overheid moet kritischer zijn over wie ze welke concessies geven. Sommige investeerders weten niets van landbouw, laat staan van landbouw op zo'n grote schaal", zegt Hailemariam. Hij heeft het voornamelijk over Ethiopische investeerders.

Maar ook de Indiase gigant Karuturi werkt volgens een westerse diplomaat 'in het wilde weg'. Omdat de hekken van Karuturi gesloten blijven voor journalisten, valt het niet te verifiëren.

Hailemariam: "Ambtenaren uit Addis Abeba moeten de bedrijven controleren. Maar zij komen hooguit twee keer per jaar. Zij kennen de mensen hier niet en herkennen essentiële vegetatie, zoals de boom die sheaboter produceert, niet. Wij zouden meer bevoegdheden moeten krijgen."

In de kleine fabriek buiten de plantage van Saudi Star kijkt Mohamed Sarfraz ondertussen goedkeurend naar de opgestapelde zakken met premium quality aromatic rice, grown in Ethiopia. De Ethiopiërs zullen die lange, geurige korrels niet op hun bord krijgen. Die rijst is, net zoals de andere marktgewassen die in Gambella op grote schaal worden verbouwd, bestemd voor Saoedi-Arabië en andere rijke Golfstaten.

Hoe is dat te verkopen in een land dat nog voor een groot deel afhankelijk is van voedselhulp? "Zo'n 40 procent van onze rijst, de gebroken korrels, zal in Ethiopië blijven'' zegt uitvoerend directeur Desalegn. "Het restmateriaal, zoals de vlies, wordt bijvoorbeeld gebruikt als pluimveevoer of om olie van te maken. Wij verspillen niets."

Karuturi, dat in anderhalf jaar tijd nog helemaal niet aan productie is toegekomen, wil in de toekomst zelfs alle lokaal geproduceerde rijst gaan verkopen aan hulporganisaties die het moeten distribueren onder Ethiopiërs in droge gebieden. Desalegn: "Bedrijven zoals wij brengen de voedselzekerheid niet in gevaar, zoals vaak door critici beweerd wordt, we vergroten die juist."

Klein detail: Ethiopiërs eten doorgaans geen rijst.

De ervaringen in drie dorpen
Chobo Kirr
'Beter is het hier niet'
Jagers en boeren waren de inwoners van Chobo Kirr eerst, nu leven ze van voedselhulp. Dat verklaart wellicht de futloze sfeer in het dorp, op een half uur van Gambella-stad. Het is stil, er is geen vee en het lijkt alsof niemand werkelijk iets doet. "Het leven hier is niet slecht, maar het is ook niet beter geworden", zegt een groepje Anuak-ouderen die voor hun ronde huisjes van leem en gras pijp roken. "Ze hebben ons niet gedwongen of geweld gebruikt. Toen de overheid zei dat we moesten verhuizen, zijn we gegaan." Chobo Kirr is acht maanden geleden opgericht als onderdeel van het verdorpingsprogramma van de federale overheid. De beloofde school en kliniek zijn er, maar zien er onbenut uit. Afgezien van een kapot zonnepaneel is er geen elektriciteit of stromend water. De inwoners leven van voedselhulp omdat ze hun eigen voedsel nog niet kunnen verbouwen, zoals de bedoeling was. "Het land is nog niet ontgonnen. Daarom krijgen we maïs, tarwe, en olie", licht Abagora Olok (55) toe. Deze vader van dertien kinderen en echtgenoot van vier vrouwen oogt als een tachtigjarige. "Sommige mensen zijn teruggegaan naar de bossen. Om daar te boeren." Maar van opstand of boosheid is in Chobo Kirr weinig te merken.

Tietkodi
'Wij gaan niet weg'
De inwoners van Tietkodi bedankten vriendelijk voor verhuizing naar een nieuw dorp en ondervinden geen problemen. "We hebben meer dan genoeg te eten en blijven het liefst in het dorp waar ook onze voorouders zijn geboren," zegt Awilu Okayé, een Anuak-vrouw van middelbare leeftijd. Ujulo Ujune (22), vader van vier, zegt dat afgevaardigden van de overheid soms langskomen om op een verhuizing aan te dringen. In Tietkodi, dat tweehonderd inwoners heeft, zijn vrouwen op de vroege ochtend druk in de weer met het voorbereiden van voedsel. Okayé heeft een maïspap op een houtvuur staan en haar buurvrouw kookt vissoep. Ujune verzamelt hout.

In het dorp scharrelen kippen en enkele geiten rond. De meeste mannen zijn aan het werk op de akkers. Okayé zegt dat ze graag elektriciteit en een ziekenhuis zou zien in Tietkodi, dat wel een kleine basisschool heeft. Maar ze wil daarvoor haar geboorteplaats niet verlaten. "In de nieuwe dorpen is te weinig voedsel en het land is minder vruchtbaar. De mensen van Perbongo komen bij ons voedsel kopen. Wij hebben nooit honger."

Perbongo
'Het liefst ging ik terug'
Onvrede is er in Perbongo, eveneens een nieuw dorp, duidelijk wel. De magere Zakaos Ojwata (hij weet zijn leeftijd niet) betreurt het dat hij heeft ingestemd met de verplaatsing. "Er was geen dwang. Maar omdat ze beloofden dat er een nieuwe school en kliniek zouden zijn, zijn we maar gegaan." Ojwata voelt zich bekocht. "Vroeger zorgde ik voor mezelf en mijn gezin. Nu ben ik afhankelijk van hulp. Een kilo maïs voor zeven mensen is niet genoeg."

Het is in Perbongo een stuk armoediger dan in Chobo Kirr. De kinderen zijn mager en nauwelijks gekleed. Op een slecht behandelde wond van Ojwata verzamelen zich vliegen. "De vier hectare land die mij werd beloofd is nog steeds niet ontgonnen door de overheid", gaat Ojwata verder. "Dus ik kan niet boeren. Er is een ziekenhuis, maar zonder medicijnen. Als ik terug kon naar mijn oude land en huis, zou ik dat doen." Waarom doet hij dat niet? "Dat is verboden", zegt de 18-jarige scholier Obang Kiru opeens. Hij is bang. "Ik denk dat je dan de gevangenis in kunt gaan."

Kwot Aujorja (27) werkt als bewaker bij Saudi Star. Zijn salaris van omgerekend 55 euro per maand is bovengemiddeld. "Maar ik was liever boer gebleven dan arbeider geworden. Nu kan ik zomaar ontslagen worden. Dat is een onzeker bestaan."

Verkoop verboden
Al het land in Ethiopië is van de staat. Verkoop is verboden. De staat of een boer met een gebruiks-certificaat mag wel land verhuren aan agrariërs of bedrijven. Oppervlaktes tot 5000 hectare mogen de regionale staten zelf leasen aan bedrijven, boven de 5000 hectare wordt het een zaak van de federale overheid. Ethiopië heeft volgens de Netherlands Academy for Landgovernance (LANDac) vooruitgang geboekt in het registreren van landbouwgrond tot op dorpsniveau en het uitgeven van gebruikscertificaten aan kleine boeren die vroeger weinig rechten hadden. Maar vooral in de zuidelijke laaglanden geldt veelal gewoonterecht en is weinig land geregistreerd. Boeren in die regio's hebben officieel wel gebruiksrechten, maar daarvoor moeten ze op één plek blijven. Lastig in een regio met nomadische veehouders. De landwet schrijft voor dat de staat land van boeren mag toewijzen aan bedrijven als die het land 'productiever' kunnen gebruiken. Grote rijstverbouwers of telers winnen het dan al gauw van kleine boeren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden