Rijpe mensen zijn slechte vechters

“We liepen over de weg, waren alert op ieder geluidje, iedere beweging. In de verte, boven op een berg, zagen we gewapende Indiërs, maar in het dorp zelf was het doodstil. Ineens stak een man de weg over. Een onschuldige burger bleek later. De adrenaline werkte sneller dan mijn gedachten. Ik was een fel en agressief baasje en reageerde intuïtief. Ik hakte onmiddellijk met mijn klewang op hem in. De man viel gewond op de grond en ik schoot hem dood.”

''Pas toen realiseerde ik me dat hij geen enkel verzet had geboden. Dat was vreemd. Die gebeurtenis bleef me bij, die man bleef me bij. Ik voelde me schuldig. Ik heb daar later met twee pastores over gesproken, maar ze wuifden mijn schuldgevoel weg onder het motto: je deed het voor het vaderland. Maar dat is geen excuus. Ik was zelf verantwoordelijk. Het is me volkomen helder geworden dat ik geen haar beter ben dan ieder ander die geweld gebruikt. Dat is niet alleen een teleurstellend, maar ook een geruststellend - want bijbels - gegeven. Daarmee zeg ik niet dat de mens, zoals in de catechismus staat, 'onbekwaam is tot enig goed en geneigd tot alle kwaad', maar ik kan me wel vinden in het antwoord dat Jezus geeft wanneer zijn leerlingen hem aanspreken met 'goede meester': 'Waarom noemt u mij goed? Niemand is goed behalve God'.''

“Ik had in het verzet niets gedaan en daarom wilde ik mijn krachten geven voor Indië. Bovendien trok het avontuur. Ik meldde me als vrijwilliger en vertrok in '45 naar Engeland om een militaire opleiding te volgen. Daar leerden we om met de bajonet op het geweer de stormloop in te zetten en op de vijand te schieten. Over de grond verspreide stropoppen stelden gewonden voor die je de doodssteek moest geven. We beschouwden het als een sport. We beseften niet dat we ons oefenden in het neerschieten van mensen, al werd ons wel gezegd dat het erom ging om zoveel mogelijk vijanden te doden. Voor mij was dat niet onverenigbaar met mijn geloof. Ik ben gereformeerd en de gereformeerde kerk is geen vredesbeweging. Recht en orde moesten gehandhaafd worden. Gerbrandy schreef mij een brief waarin hij stelde dat geweld met geweld beantwoord moest worden. Dat deelde ik. Ik had er geen moeite mee om geweld te ondergaan en ook niet om het te voltrekken. Voor pacifisme is meer moed nodig.”

“De commentaartekst bij de beelden van het Polygoonjournaal van de aankomst van de Nederlandse soldaten in Indonesië luidde: 'Frisse jonge kerels vol energie en gedragen door het ideaal een einde te maken aan moord en roof en om recht en veiligheid te brengen aan de zo zwaar beproefde Indonesische bevolking. Een prachtige taak.' Dat was ook onze overtuiging. Na 15 augustus '45 was er een kluwen van losgeslagen groepen ontstaan die tegen elke autoriteit, inclusief de eigen traditionele volksleiders, ageerden. Jonge jongens, door de Japanners getraind, anti-koloniaal opgevoed. Een uit het lood geslagen jeugd. Toen wij aankwamen in Indië was de eerste politionele actie net achter de rug. Wij zouden recht en orde brengen en dan de zaak overdragen.”

In een brief van 24 februari '49 aan uw ouders schrijft u: 'Ik heb gisteren voor het eerst iemand neergelegd. Dat is even een gewaarwording.' Dat klinkt nogal laconiek.

“Doden op afstand kun je laconiek beleven. We schoten op een doel, niet op een mens. Overigens was de reactie even laconiek als we zelf het subject van een schietactie waren. Toen ik een longschot kreeg was mijn eerste gedachte: 'Wat kan die knaap goed schieten.' Anders is het als je met het gezicht van de vijand wordt geconfronteerd. We waren een keer op patrouille en ineens stond ik oog in oog met een Jap. Ik zag een mens, geen vijand, maar je kunt alleen doden als je een vijand ziet. Ik slaagde er niet in om mijn pistool te richten op die man die naar me keek. Maar het was wel oorlog. Het was wel wij of zij. Bovendien had ik de verantwoordelijkheid voor het peloton. Ik kon mijn soldaten en onze opdracht niet ondergeschikt maken aan mijn persoonlijke gevoelens. Ik ben op zoek gegaan naar een stengun, die schiet aan een stuk door, daarmee zou het gemakkelijker zijn hem te doden, maar toen ik terugkwam was de Japanner al gedood.

In de gevechten op afstand lag het gevaar van het schieten-als-sport op de loer, maar ik denk dat het voor niemand een lolletje is geweest om een ander die je in je macht had, te doden, alle bravouretaal van soldaten ten spijt.''

Een citaat uit uw dagboek: 'We gaan 's nachts op patrouille met een clubje van twaalf man. In een hut liggen vijf rebellen te slapen. Ik laat ze wekken. Kijk of ze wapens bij zich hebben. Nee. Kijk in hun tassen, hun papieren. Ik zeg tegen een van mijn soldaten: Je moet ze een voor een vragen waar de wapens zijn en als ze niets zeggen schiet je ze neer. Hij nam ze mee. Dan ineens klonken de schoten. Een, twee, drie, vier. De vijfde rende naar me toe. Klemde zich aan mijn knieën vast en ik zei: Kom maar mee. En het ergste was dat ik de soldaat opdracht gaf omdat ik wist dat ik het zelf niet kon. Een lafaard was ik. Een rotzak. Ik liet die soldaat misschien met wroeging achter.'

Het geven van een opdracht brengt minder wroeging teweeg dan het uitvoeren van een opdracht?

“Nee, andere wroeging. Omdat ik verantwoordelijk was voor de opdracht had ik hem zelf moeten uitvoeren. Ik wist dat die soldaat fors zou optreden. Dacht dat de rebellen zich zouden realiseren dat het menens was en dus iets zouden vertellen. Maar toen de schoten zo snel achter elkaar vielen realiseerde ik me dat mijn inschatting verkeerd was geweest. Door mijn schuld waren er mensen dood die niet dood hadden gehoeven.”

Wanneer had u voor het eerst het idee dat die opdracht van recht en vrede brengen misschien niet helemaal klopte?

“In maart '49. Ik werd aan het denken gezet door een van de Indische politiemensen die door ons getraind werden. Hij beschouwde mij als zijn held, zijn goeroe. Toen ik op een dag bij het huis kwam waar hij gelegerd was, werd mij een dakpan getoond waarop hij met krijt geschreven had: 'Hollanders zijn goed, en TNI (het Indische leger) is ook goed.' Hij was overgelopen. Op dat moment dacht ik: we gaan tegen de bevolking in, we brengen ze in gevaar. We waren daar gekomen om vrede te brengen, maar steeds meer verwikkeld geraakt in een strijd op leven en dood. Ik besefte dat ons militaire optreden niet de oplossing was. Toen de vredesonderhandelingen op gang kwamen, heb ik daar actief aan meegedaan. Ik ging ongewapend de verschillende gebieden in om commandanten van de tegenpartij op te zoeken en ze over te halen om deel te nemen aan de onderhandelingen. De overdracht zou in december '49 plaatsvinden. Militairen waren op die dag niet gewenst, maar ik ben in mijn burgerpakje voor het paleis in Jakarta gaan staan. De Nederlandse vlag werd naar beneden gehaald en het begon te regenen. De vlag huilt, werd er gezegd. En toen de rood-witte vlag werd gehesen, maar door de wind verdween achter de mast klonk het: de vlag is beschaamd. En toen hij ineens voluit waaide, werd er geapplaudisseerd en gejuicht. De vrijheid was echt.”

In '94 bent u samen met filmmaker Tom Verheul voor diens film Tabee Toean teruggegaan naar Indonesië. U wilde vergeving vragen aan de familie van de man die u op die bewuste dag in dat stille dorp gedood had.

“Het voelde alsof ik die man als een lam ter slachting had geleid, als een schaap dat zijn mond niet open doet tegenover zijn scheerder. Toen ik pas getrouwd was en met mijn vrouw in Bombay woonde heb ik tegen haar gezegd: 'Ik moet een keer terug om te zeggen: ik was het die het deed.' Ik had de overtuiging dat ik het goed moest maken. Zag het als een soort opdracht van godswege. En toen was het dus zover. Terwijl de filmploeg in dat dorp de familie aan het zoeken was zat ik aan de kant van de weg. Het moeilijkste uur van mijn leven. Zouden ze me willen ontmoeten? Wat zouden ze zeggen? Tjonge wat was ik was bang. Je kunt beter op een levensgevaarlijke patrouille gaan. Uiteindelijk ontmoette ik een oom van die man. Ik gaf hem een hand en begon te snikken. Dit was het moment waarvoor ik gekomen was en waarvoor ik gevreesd had. Ik betuigde mijn spijt, de ontmoeting zelf was de vergeving. Ik heb gevraagd naar de naam van de man die ik gedood had. Een naamloze is geen mens. Senen heette hij. Hand in hand ben ik met die oom naar het graf gelopen tot ik merkte dat hij mijn hand vasthield omdat hij daar kracht aan ontleende. Dat wilde ik niet. Ik dacht: jullie zijn vrij, wij zijn vrij. Ik heb mijn hand losgemaakt en zo zijn we verder gelopen. Als gelijken. Een jaar later ben ik teruggegaan. De bewoners van het dorp zijn moslim en de koran zegt dat wanneer iemand een ander doodt hij de familie compensatie moet bieden voor het geleden verlies. Ik heb een waterpomp gegeven.”

“Sinds mijn ervaringen in Indië denk ik niet meer in groepen, maar in individuen. Ik zou misschien daarom nu niet zo geschikt zijn als militair. Rijpe mensen zijn slechte vechters. Ze hebben overwegingen die ten koste gaan van de slagkracht. Daarnaast heb ik het afgeleerd om te denken in zwart-wit schema's. In Nederland wordt iedereen met het schoolmeestersvingertje in het kamp van de goeden of de kwaden geplaatst. Ik vind dat een onrechtvaardige manier van omgaan met de werkelijkheid. Het kwaad zit in ieder mens. Maar dat is iets anders dan zeggen: die mens is het kwaad. Voor veel veteranen is het moeilijk om het kwaad in zichzelf te erkennen en tegelijkertijd het goede te blijven zien. Of ze negeren de problematiek of ze slaan door in zelfbeschuldiging. Daarbij een handje geholpen door de media. Die zijn meesters in het aanwijzen van de goeden en de slechten.

Neem nu de moordenaars van Meindert Tjoelker. Die jongens zijn voor veel mensen de personificatie van het kwaad. Dat er in hen ook nog iets goeds zou zitten wordt ondenkbaar geacht. Ik begreep vanuit mijn ervaring met Indië-veteranen hoe zwaar dat voor hen moet zijn. Het is de reden waarom ik contact heb opgenomen met een van de daders. Ik heb hem gezegd: Als je eenmaal je straf achter de rug hebt, moet je je verhaal vertellen. We moeten elkaar onze verhalen vertellen, misschien dat we dan iets meer zullen begrijpen van de wereld. Als we tenminste dat Nederlandse moralisme thuislaten. Moralisme is dodelijk.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden