Rijke woningcorporaties vormen mooie schietschijf

De woningcorporaties hebben de schijn tegen: groot vermogen, keer op keer tegenvallende bouwproductie. Dat maakt ze een makkelijke prooi voor politici.

door Wybo Algra

Ooit was de woningcorporatie een soort van gezellige huisbaas. Zo niet de eigentijdse sociale woningverhuurder, gemodelleerd naar het bedrijfsleven en groot geworden door de ene na de andere fusie. De directie – pardon: raad van bestuur – geniet een prima salaris, tot over de vier ton.

Deze moderne corporatie heeft op zijn minst een imagoprobleem: te veel slopen, te weinig bouwen, geld oppotten. Daar spelen politieke partijen nu handig op in met hun concept-verkiezingsprogramma’s. Zij kondigen een fikse greep in de kas van de corporaties aan, met als koploper de VVD (3,5 miljard euro).

Het azen op corporatiegeld tekent hun nog altijd dubbelzinnige positie tussen staat en markt. Tot ver in de jaren tachtig maakten de gemeenten de dienst uit in de sociale woningbouw. Op de plekken die zij aanwezen, bouwden de corporaties, gefinancierd met subsidies en leningen van rijk en gemeenten. De grootscheepse stadsvernieuwing in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog kwam zo tot stand.

De banden tussen staat en corporatie werden in de eerste helft van de jaren negentig doorgeknipt door staatssecretaris Heerma (CDA). Hij streepte toekomstige subsidies weg tegen uitstaande schulden. Maar al zijn de corporaties aldus verzelfstandigd, ze moeten hun ’maatschappelijk vermogen’ gebruiken voor hun wettelijke taken: huizen kopen en bouwen, beheren en verhuren; in het bijzonder ook voor ouderen en gehandicapten.

Daar maken ze veel te weinig werk van, vinden critici, terwijl ze intussen wel duurdere huur- en koophuizen zijn gaan bouwen, als waren het ordinaire vastgoedbazen. Zelf rechtvaardigen de corporaties hun commerciële activiteiten door te stellen dat ze het verdiende geld nu juist weer in sociale woningbouw steken.

Enkele rellen rond wel heel forse directiesalarissen deden het imago van de corporaties echter geen goed. En politiek Den Haag gaat regelmatig aan de haal met de vermogensovermaat van momenteel rond de veertien miljard euro die de corporaties volgens hun toezichthouder, het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting (CFV), zouden hebben.

Dat geld ligt niet op de plank. Maar het is volgens het CFV wel een bedrag dat de corporaties extra zouden kunnen investeren. De waarde van hun bezit is sinds hun verzelfstandiging flink gestegen, zodat ze gemakkelijk krediet kunnen krijgen. Rijke corporaties kunnen arme corporaties financieel ondersteunen bij sloop en nieuwbouw. En de verhuurders kunnen ook (meer) huizen verkopen om geld vrij te spelen.

Zelf laten de corporaties geen gelegenheid voorbij gaan om te wijzen op hun investeringen in betere huizen en betere buurten. Maar de afgelopen jaren hebben ze steevast veel minder gebouwd dan afgesproken, terwijl de geldstroom van rijke naar arme corporaties moeizaam op gang komt.

Minister Dekker (volkshuisvesting) poogt de ruimte van de corporaties weer in te perken. Zij wil een splitsing tussen commerciële activiteiten en sociale woningbouw. Verder moet per corporatie duidelijk worden hoe groot de investeringsruimte is. Gemeente en huurder krijgen weer meer in de melk te brokkelen. Dekker hoopt deze plannen er op de valreep voor de verkiezingen doorheen te krijgen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden