'Rijke mensen genieten hun welvaart zonder last van een geweten'

De econoom John Kenneth Galbraith werd veertig jaar geleden beroemd door zijn boek The Affluent Society.

Daarin schreef hij over de onevenwichtige verdeling van de overvloed en het gevaar dat daarin schuilt. De 'gelukkigen' bekommeren zich niet om de 'armen'. In het Human Development Report 1998 dat gisteren verscheen en dat gewijd is aan overconsumptie, kijkt hij terug. De inmiddels 89-jarige econoom blijkt over een aantal zaken inmiddels anders te denken.

Het is nu een jaar of veertig geleden dat ik een overzicht schreef van de toestand in de economisch goed-ontwikkelde landen, met name de Verenigde Staten, in The Affluent Society. Het boek werd goed ontvangen. Inmiddels sta ik voor de vraag welke relevantie het nog heeft. Zo'n vraag dien je een auteur niet te stellen, maar nu die fout eenmaal gemaakt is, zal ik die blijmoedig beantwoorden.

Het centrale betoog in het boek was dat economisch sterke landen, met name de Verenigde Staten, een zeer onevenwichtige sociale ontwikkeling hebben doorgemaakt. Goederen en diensten voor privé-consumptie zijn in overvloed aanwezig. Ze zijn zó overvloedig aanwezig, dat veel geld besteed moet worden aan reclame om mensen over te halen die goederen aan te schaffen. De zelfbeschikking van de consument, ooit gebaseerd op de behoefte aan voedsel en onderdak, bestaat nu uit de onnatuurlijke consumptie van een oneindig aanbod van goederen en diensten.

Dat is wat we later de privé-sector zijn gaan noemen. Een dergelijke overvloed zien we niet in het aanbod van diensten van de staat. Sociale diensten, gezondheidszorg, onderwijs - vooral onderwijs -, huisvesting voor de armen en zelfs voedsel zijn allemaal schaars. Net zoals de bescherming van het milieu en het leven. Schade aan het milieu is het meest zichtbare gevolg van deze overvloed in de productie van goederen en diensten. In een veelgeciteerde passage, een waarvan ik zelf destijds vond dat die eigenlijk wat overdreven was, verhaalde ik van een gezin dat er met zijn prachtige auto een dag op uit trok. Zij reden door straten en landerijen die aan het oog onttrokken waren door reclame-uitingen. Ze brachten de avond door in een natuurpark vol afval en wanorde en aten vanuit een dure draagbare koelkast het fijnverpakte voedsel.

Zo zag de toestand er veertig jaar geleden uit. In de tijd die sindsdien is verstreken, is het contrast tussen openbare voorzieningen en overvloedige particuliere consumptie aanzienlijk versterkt. Dagelijks maken de kranten, radio en televisie er melding van dat er in overvloed wordt geproduceerd terwijl er meer geld nodig is voor onderwijs, openbare werken en de bestrijding van armoede en sociale wantoestanden in de grote steden. Kennelijk is de overvloed in de geïndustrialiseerde landen nog altijd heel ongelijk verdeeld. Daar zou ik, als ik er nu over zou schrijven, nog steeds de nadruk op leggen. En in het bijzonder zou ik de nog altijd bedroevende situatie van de armen beklemtonen. Die springt nog meer in het oog dan veertig jaar geleden. Toen was het probleem in de Verenigde Staten geconcentreerd in de zuidelijke plantagecultuur en op de heuvels en dalen van het Appalachen-gebied. Nu is het een voor iedereen zichtbaar vraagstuk voor de grote steden.

Er is nog een contrast. Zou ik The Affluent Society nu schrijven, dan zou ik de nadruk leggen op het deprimerende verschil in welzijn tussen de wereld die in overvloed leeft, en de minder fortuinlijke wereld - voornamelijk de voormalige koloniën.

In de rijke landen zijn er rijken en armen. In de wereld zijn er rijke en arme landen. Toen ik The Affluent Society schreef, werd ik me sterker bewust van dit verschil op wereldschaal. Aan de universiteit van Harvard was ik begonnen met een van de eerste series colleges over de problemen van arme landen. Daarna heb ik een deel van mijn leven doorgebracht in India, in zijn verscheidenheid een van de interessantste postkoloniale landen. De bezorgdheid over deze problemen is gegroeid, maar helaas: de vooruitgang heeft geen gelijke tred gehouden met de mooie woorden.

Het probleem is niet de economie; het draait om een veel dieper liggende laag van het menselijk wezen. Als mensen geluk hebben in hun persoonlijk welzijn, en als landen evenzeer gelukkig zijn, bestaat er een algemene neiging om de armen te negeren. Of om een of andere rationalisatie te verzinnen voor het geluk van de gelukkigen. De verantwoordelijkheid wordt gelegd bij de armen zelf. Gegeven hun eigen instelling en morele gesteldheid moeten ze wel arm zijn.

Armoede is zowel onvermijdelijk alsook tot op zekere hoogte verdiend. De rijke mensen en rijke landen genieten hun welvaart zonder de last van een geweten, zonder een verontrustend gevoel van verantwoordelijkheid. Dit is iets wat ik niet besefte toen ik veertig jaar geleden mijn boek schreef; het is een geestesgesteldheid waaraan ik nu een belangrijke verantwoordelijkheid toedicht.

Dit is natuurlijk niet het hele verhaal. Na de Tweede Wereldoorlog liet de dekolonisatie, een zeer beschaafde en bewonderenswaardige stap, desalniettemin een aantal landen zonder effectief zelfbestuur achter. Voor de economische ontwikkeling en het menselijk bestaan is niets zo belangrijk als stabiel, betrouwbaar, competent en eerlijk bestuur. In grote delen van de wereld ontbreekt dit nog steeds. Tegenwoordig bestaat voor niets zoveel respect als voor soevereiniteit; niets beschermt soms zo sterk wanorde, armoede en leed als soevereiniteit. Ik pleit hier niet voor een individuele rol voor een bepaald land en al helemaal niet voor de Verenigde Staten. Wel denk ik dat een sterkere rol nodig is voor internationale actie, met inbegrip uiteraard van de Verenigde Naties. We moeten een veel groter gevoel van gedeelde verantwoordelijkheid krijgen voor hen die lijden onder zwakte, corruptie, wanorde en de wreedheid van een slechte of juist afwezige overheid. Hoewel soevereiniteit in het moderne politieke denken bijna een religieuze status heeft, moet het niet een dekmantel worden voor menselijke wanhoop.

Dit is wellicht geen populair thema, maar populariteit is niet altijd een bewijs van intelligentie. Ik zeg dus vaarwel tegen mijn werk van veertig jaar geleden. Ik ben er niet geheel ontevreden mee, maar overdrijf niet het belang ervan. Boeken kunnen in hun tijd enig nut bewijzen voor het begrip en gedrag van mensen. Altijd blijft echter de mogelijkheid, de waarschijnlijkheid zelfs, bestaan dat ze meer doen voor de eigendunk van de schrijver dan voor het lot van de wereld.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden