Review

Rien Poortvliet op z'n Amerikaans

James Gurney (tekst/ill.): 'Dinotopia', vert. Ans van der Graaff, Van Holkema en Warendorf, 160 p, f 59,90, v.a. 6 jaar.

Het museum ligt in een gebied waar talloze botten van dinosaurussen zijn opgegraven en beleeft - mede door het succes van de film 'Jurassic Park' - gouden tijden.

Een frivole noot tussen alle wetenschappelijke ernst van het museum werd gevormd door een kleine tentoonstelling van kleurige schilderingen, waarin dinosaurussen als tamme huisdieren met mensen samenleefden in een soort ideale, archaische maatschappij. De schilder had zijn (romantische) fantasie daarover tot in detail uitgewerkt. Rijk versierde dino's liepen als last- of rijdier door drukke straten vol marktkraampjes, of trokken trekschuiten door een Venetiaans aandoend decor. Dino's met enorme vleugels werden als vliegtuig gebruikt. Een dino met lange nek droeg hoog in een soort kopzadel een man met een puntmuts op, die door een telescoop tuurde. Dino's lazen een boekrol of hielpen in een smederij. Kinderen liepen met knuffel-dino's.

Een aardige grap, op het eerste gezicht. De tentoonstelling bleek echter meer pretenties te hebben dan die van een grap. De schilderingen waren de originelen van het boek 'Dinotopia', gemaakt door de volgens de flaptekst veel gelauwerde Amerikaanse kunstenaar James Gurney. In de museumwinkel gingen exemplaren van het boek net zo gretig over de toonbank als plastic dinosaurus-modellen.

Het boek is nu in Nederlandse vertaling verschenen. Maar helaas, mijn aanvankelijke nieuwsgierigheid en interesse sloeg om in ergernis. Op het eerste gezicht oogt het boek sensationeel, maar wie iets langer naar de paradijselijke plaatjes kijkt, ontdekt vooral superamerikaanse wansmaak in de traditie van de rose Happy Birthday-taart met suikerhartjes en roosjes.

Het verhaal is ongetwijfeld geschreven met 'Gullivers reizen' en 'Robinson Crusoe' in het achterhoofd. Het begint met de auteur, die in een bibliotheek een oud reisverslag vindt: het dagboek van de natuuronderzoeker Arthur Denison, die in 1862 met zijn zoon Will schipbreuk leed en aanspoelde op het onbekende eiland Dinotopia.

Daar leven nog allerlei dinosaurussen, en wel “op voet van gelijkheid” met mensen. Dat wil hier zeggen dat ze het zware werk voor mensen doen, terwijl die mensen hen verzorgen en onderhouden in een soort gildenmaatschappij.

Etruskisch

De dinosaurussen zijn op de Tyrannosaurus Rex na vreedzaam en een aantal kunnen lezen, schrijven (met pootafdrukken in het zand) en spreken. Zo spreekt een Protoceratops zeventien talen, waaronder Etruskisch en Hetitisch.

De tekst is meer een opeenstapeling van Dinotopische ingredienten dan een verhaal. De beide schipbreukelingen integreren verbazend snel in de dino-maatschappij. Will bereikt probleemloos zijn ideaal: vliegenier worden op een pterosaurus, een vliegende dino, terwijl zijn vader de 'Benedenwereld' - het grottenstelsel onder Dinotopia - gaat onderzoeken, wat al even voorspoedig gaat. En de lezer verneemt helaas niets over de 'fantastische ontdekkingen' die hij achteraf vertelt daar te hebben gedaan, noch over de manier waarop zijn dagboek weer in de bewoonde wereld terechtkomt.

De relatie tussen Will en het meisje Sylvia is kleur- en seksloos. Op het bijbehorende plaatje lijkt ze de heilige maagd zelve, geschilderd in een kitscherig-realistische film.

De illustraties op zich zijn vakwerk, maar de stijl is belegen. Rien Poortvliet op z'n Amerikaans, a la Famous Artists School. Dat Gurney achtergronden voor tekenfilms heeft geschilderd, is te zien aan zijn al of niet gefantaseerde landschappen. De menselijke figuren zijn echter statisch, net combinaties van op foto's gebaseerde portretstudies en kostuumtekeningen, maar zonder een greintje leven.

Irritant is dat hij elementen uit allerlei tijden en culturen door elkaar gehusseld heeft (o.a. Minoisch, Egyptisch, Inca, Romeins, Europees, Toradja's, Kwakiutl). Ook de dino's komen uit allerlei ver uiteen liggende tijdperken en leven in het boek broederlijk naast mammoets en sabeltandtijgers die, paleontologisch gezien, nog maar net zijn uitgestorven. Soep van zoveel ingredienten die lukraak bijelkaar gegooid zijn smaakt nergens naar.

Het taalgebruik past geheel in het kitscherige geheel. Zinsneden als “het verlokkelijke lied van het intellectuele leven” en “ik werd omhuld door een wolk van blijdschap” zijn om buikpijn van te krijgen.

Noordamerikaanse jeugdliteratuur kan heel boeiend en integer zijn, zoals het werk van Cynthia Voigt, Kit Pearson en Hadley Irwin. Maar dit is puur effectbejag, een handig gemaakte en - dat moet gezegd - fraai uitgegeven zeepbel.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden