Reportage / Bloemschikken en dichten bij de uitvaart

Brabant is de grootste rk provincie van Nederland. De secularisatie verloopt er iets trager dan elders. Trouw peilt het hedendaagse geloof in het land van Philips en Van Gogh. Aflevering 8: Lekenvoorgangers doen inspiratie op voor uitvaartdiensten.

Rob van Uden, diaken in Bavel en Ulvenhout, ergerde zich bij uitvaarten aan ’de lappendeken van bij elkaar geraapte teksten en liedjes’. Maar het viel niet mee een complete mis te vinden die hem aanstond – en belangrijker: iets wat aansloot bij de zoekende, losvaste belevingswereld van nu.

Van Uden had zijn bedenkingen bij het bestaande koorrepertoire. „Het Latijn is prachtig van sfeer, maar inhoudelijk is het vaak om te gruwelen”, zegt hij. „De Nederlandse liederen zijn zeer wisselend van kwaliteit en vaak erg ouderwets.”

Paul Henken, een bevriende kerkmusicus en dirigent, zat ook nog met een praktisch probleem: de koren die bij uitvaarten zingen, bestaan vooral uit dames, terwijl de beschikbare liederen daar zangtechnisch lang niet altijd op aansluiten.

De twee sloegen de handen ineen en maakten samen een complete liturgie voor uitvaarten, met een aan psalm 122 ontleend motto: ’Wij gaan naar het huis van de Heer / In domum Domini ibimus’.

Tot nu toe bestaat het pakket uit twaalf liederen – ’de dertiende is op komst’ –, eucharistische gebeden en verschillende tussengebeden. Van Uden: „Ik had wel eens eerder teksten geschreven voor lokaal gebruik, maar dit is het eerste waar we echt mee de boer opgaan.”

De teksten en composities beleefden onlangs hun vuurdoop tijdens een werkdag uitvaartliturgie in Breda; een kleine zestig Brabantse koorleden, elf bloemschikkers en zeventien voorgangers kwamen in de Antoniuskerk bijeen om ’nieuwe ideeën en werkvormen’ op te doen.

De plaatselijke deken houdt een korte inleiding, maar verder is er op de werkdag nauwelijks een priester te bekennen; uitvaarten en vooral ook de daaraan voorafgaande ’avondwaken’ worden wegens het priestertekort in de katholieke kerk steeds vaker door diakens, pastoraal werkers en vrijwilligers uitgevoerd.

Marion Corvers, pastoraal werker in Oosterhout en een van de initiatiefnemers, leidt tachtig tot honderd uitvaarten per jaar. Tot twee jaar terug ging een emeritus priester voor in die vieringen. „Hij had er op het laatst bijna een fulltime job aan”, zegt Corvers. Inmiddels heeft een groep parochianen die zware taak overgenomen; geschoolde vrijwilligers en betaalde krachten. Corvers: „Ze zijn nu allemaal zo ver dat ze zelf ook voorgaan.”

Ze vindt het belangrijk dat voorgangers zichzelf blijven ontwikkelen, ook door ervaringen uit te wisselen. „Liturgie is een kunstvorm en vergt dus creativiteit en verbeeldingskracht. Zodra de liturgie clichématig wordt, is de ziel eruit. Dan is het kapot. Het gaat erom dat je je als voorganger openstelt, dat je ruimte creëert voor het heilige.”

De vrijheid van de voorgangers is groot, vindt Corvers, al zijn er grenzen. „Wij geloven in een leven na de dood. „Als dat niet meer gezegd mag worden, ben je je bodem kwijt.”

Corvers begeleidt een tekstworkshop waarin de voorgangers zich buigen over de nieuwe liederen. Ze schrijven bijpassende voorbeden voor de proefviering aan het eind van de dag.

De coupletten van Van Udens liturgische liederen zijn in het Nederlands, de refreinen zijn in het Latijn. Dat concept heeft hij afgekeken van het ’War-Requiem’ van Benjamin Britten, een combinatie van het Latijnse requiem met kritische Engelstalige commentaren. Van Uden: „Dat vond ik voor begrafenissen iets te polemisch, maar het principe vond ik erg mooi.”

De refreinen laten ’in de taal van de wereldkerk iets doorklinken van het eeuwige, of van de Eeuwige’. Het zijn bijbelcitaten die ’het gevoel willen aanraken en een sfeer van bezinning bewerkstelligen’. De Nederlandstalige coupletten bieden de ’doordenking en uitwerking’ in een poëtisch hedendaags taalgebruik.

Het ’Slotlied’ biedt een combinatie van verslagenheid en verrijzenis. Eerst slaan hoge golven het huis weg, maar in het refrein klinkt het naar Paulus: ’Dood, waar is je overwinning?’ Van Uden gebruikte de tekst voor het eerst bij de uitvaart van zijn vader. „Ik durfde de tekst alleen te gebruiken omdat ik op dat moment enkel aan mezelf verantwoording hoefde af te leggen.”

De voorgangers bestuderen de tekst. Er worden tal van bijbelverwijzingen ontdekt – en de golven appelleren niet alleen aan Jona, maar ook aan de tsunami. Corvers: „De uitleg van Rob staat erbij. Maar de vraag blijft toch: hoe kan ik er zelf iets mee?”

Ad Vermeulen uit Breda gaat voor in uitvaarten (woord- en communievieringen) en begeleidt sinds kort ook ’de bijzetting van urnen’. „Tja”, zegt hij. „Het kan ons wel aanspreken, maar ik zeg wel eens: laten we het een beetje simpel houden, vooral als er niet zoveel kerkse mensen bij zijn.”

Joke Frijters, die net begonnen is met het assisteren in uitvaartdiensten: „Komt dit in plaats van het ’In Paradisum’? Dan vind ik het niet blij genoeg. Het zit er allemaal wel in, maar als je geen theologie hebt gestudeerd, dan komt dat niet aan hoor.”

Een ander heeft ’grote moeite’ met de eerste twee coupletten. Maarten Schapendonk, norbertijn en pastoraal werker, relativeert de bezwaren: „De waardering van een lied zit ’m toch vaak in de melodie en de sfeer. Soms herinneren mensen zich bijna niets meer van de inhoud, terwijl ze toch zeggen dat ze het prachtig vonden.”

Schapendonk leidt gemiddeld één uitvaart per week. Volgens hem staat of valt een liturgie bij de afwisseling tussen de drie belangrijkste elementen: aandacht voor de overledene, de gevoelens van de nabestaanden (’van woede tot dankbaarheid’) en de geloofstraditie.

Hij wil zich niet verliezen in ingewikkelde theologische discussies. Schapendonk: „Ik moet vaak in de kerk zeggen dat de mensen hun mobiel uit moeten zetten, en dat ze tussendoor niet moeten klappen. Ik begin graag met de schuldbelijdenis of iets anders wat ze samen moeten zeggen – dan beseffen ze tenminste dat ze niet alleen maar toeschouwers zijn.”

Joke Schaap, ouderling in de Waalse kerk, ’doet’ ongeveer vijftig uitvaarten per jaar. Ze is van huis uit hervormd, volgde een humanistische opleiding, en is als voorganger bij uitvaarten niet gebonden aan een kerkgenootschap. „Bij mij is de klant koning”, zegt ze. „Als ze drie keer Frans Bauer willen, krijgen ze drie keer Frans Bauer.”

Schaap vindt de werkdag ’leerzaam’, maar ze kan zich niet erg vinden in de nieuwe teksten. „Zo’n zin als ’Uw geloof heeft u gered’ – het is toch niet aan mij om dat te zeggen. Ik jaag niemand de hemel in.”

In de sacristie vindt een workshop ’symbolisch bloemschikken’ plaats. Elke deelneemster gaat uit van een persoonlijke ervaring, de een denkt aan haar zieke moeder, een ander maakt een bloemstuk voor haar overleden zoon.

Carmen van Loon, rondreizend docent bloemschikken: „Je moet een symbolisch bloemstuk nooit zomaar ergens neerzetten. Ik geef er in de kerk uitleg bij, of ik laat de tekst in het misboekje zetten.”

Het bloemstuk dat ze gemaakt heeft oogt erg sober: een ring van groenkleurig gebladerte, met in het midden een kaars. Er is een kleine hap uit de ring genomen: ’de cirkel is doorbroken, er is iemand weggevallen’.

Van Loon: „Je ziet het nog regelmatig bij uitvaarten: de kist komt binnen met drie van die enorme toeven erop. Zo pronkzuchtig.”

Het zou mooier zijn als mensen hun eigen verhaal konden uitdrukken in bloemen, vindt Van Loon. „Symbolisch bloemschikken moet groeien. Je moet er een gevoelsmens voor zijn.” Het belang ervan valt moeilijk te overschatten: „Dat de bloemen mooi waren, dat blijft je altijd bij.”

In de kerk wordt een kleine slotviering gehouden, de bloemstukken worden voor het altaar gezet, het gelegenheidskoor zingt vier nieuwe liederen, en de voorgangers spreken hun voorbeden uit. De muziek klinkt vertrouwd, meditatief kabbelend als de getijdengebeden in een klooster.

Er is niet veel wat eraan herinnert dat ze nieuw zijn; of het zou de soms nogal vrijblijvende toon moeten zijn (’Verblijf bij ons / in een of ander huis’).

In de gang zit iemand te huilen. Al is er hier en nu geen overledene, het voelt bij vlagen levensecht.

Zie voor deze en vorige afleveringen www.trouw.nl/standplaatsbrabant

De dames in het uitvaartkoor van dirigent Paul Henken hadden vaa k moeite met de voor m annen geschreven muziek. Hier oefenen ze nieuwe liederen tijdens de werkdag uitvaartliturgie in Breda.

De een denkt aan een overleden zoon, de ander aan een zieke moeder bij het symbolisch bloemschikken. Daarvoor moet je een gevoelsmens zijn. Bij rouw past geen pronkstuk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden