Review

Renate Rubinstein: een intellectuele die haar eigen instincten onderzocht'Tegen iemand die doodziek is wordt gelogen. Zieke mensen weten dit'

Renate Rubinstein: Verzameld werk, deel 4 (Mijn beter ik. Verspreide stukken 1952-1990). Meulenhoff, Amsterdam; 800 blz., gebonden ¿ 85, paperback ¿ 59,90.

Vijf jaar geleden overleed ze, niet veel later verscheen posthuum het boek 'Mijn beter ik', waarin ze haar geheime verhouding met Simon Carmiggelt uit de doeken deed, een verslag dat door heel wat Nederlanders indertijd met rode koontjes gelezen werd.

Enigszins merkwaardig begint de juist verschenen punctie uit haar verzameld werk met een herdruk van deze liefdesgeschiedenis, die voor mijn gevoel niet helemaal van hetzelfde kaliber is als haar columns en die bovendien chronologisch beter aan het eind had kunnen worden geplaatst.

Enfin, het geeft ons wel de gelegenheid om het controversiële werkstuk zoveel jaren na dato nog eens op de merites te beoordelen. De eerste verschijning van het boek betekende voor heel wat lezers een moreel probleem, ook voor mij, want op een of andere manier werden er door de openhartigheid over een toch geheime relatie wat reputaties bezoedeld, terwijl de dood van de schrijfster zelf het oordeel ook niet vergemakkelijkte.

Ik geloof nog steeds dat Rubinstein 'Mijn beter ik', ondanks de achterliggende wens zichzelf oprecht uit te spreken, beter onuitgegeven had kunnen laten liggen tot iemand het toevallig in de nalatenschap zou hebben gevonden, maar inmiddels, merk ik, is het moreel dilemma enigszins verjaard. Het is allemaal geschiedenis geworden en wat rest is een boek dat bij alle eerlijkheid enigszins gebukt gaat onder de bewondering van Rubinstein voor Carmiggelt.

't Is bijna een meisjesroman, compleet met aanbeden idool en jaloerse echtgenote. In bijna iedere regel claimt Rubinstein Carmiggelt (“Hij deed dingen waarvan hij zei dat hij er vroeger niet van hield, zoals naaktlopen. Dat vond hij nu heerlijk, soms liep hij naakt naar beneden om in de keuken opnieuw koffie voor ons te zetten”), en toch krijg je steeds het gevoel dat het minder wederzijds was dan ze zou wensen.

Door deze uitgave met haar laatste boek te beginnen, komt het geheel van haar andere werk in een bijzonder licht te staan. Naast de talloze columns waarin ze aan de hand van stukken over actuele gebeurtenissen de vinger aan de pols van de tijdgeest hield, en de columns vol intellectuele prietpraat waarin ze zich natuurlijk ook wel eens bezondigde, vallen vooral die stukken op waarin het geweten van de mens centraal staat. Rubinstein was geen wetenschappelijk denkster maar een intellectuele die haar eigen instincten onderzocht: “Wat mij, gewoontegetrouw, het meest interesseert is wat ik er zelf eigenlijk over denk”, schreef ze ergens. En vanuit die preoccupatie met de eigen ideeën keek ze ook aan tegen de merkwaardige verschijnselen van medelijden, sympathie, bescheidenheid en zelfverzekerdheid.

Een van haar stukken gaat over de valse sympathie waarmee mensen bij een scheiding of overspel worden bejegend, het medegevoel dat iedereen heeft om de slachtoffers niet te willen kwetsen. Ze verzet zich daartegen. Hetzelfde gebeurt in een van haar laatste stukken over de celliste Jacqueline Dupré, net als Rubinstein zelf getroffen door multiple sclerose. Door iedereen werd ze ontzien, de verhouding van haar man, Daniel Barenboim, met een ander werd zorgvuldig voor haar verborgen gehouden. Toch verbitterde ze. Waarom? Omdat haar omgeving haar bedotte, zegt Rubinstein: “Tegen iemand die doodziek is wordt gelogen. Zieke mensen weten dat en voelen zich daardoor extra geïsoleerd. Mocht zo iemand in uw omgeving zijn, bedenk dan: spot, oprechtheid, liefde. Dat is de beste troost.”

Het is ongetwijfeld vanuit dezelfde hang naar openhartigheid dat Rubinstein haar eigen intieme leven met Carmiggelt openbaarde. Scherp doordrongen van het feit dat er in onze tijd geen echte slachtoffers meer bestaan:

“In onze therapeutische eeuw zijn we tot de ontdekking gekomen dat iedereen eigenlijk zielig is. Maar onmiddellijk volgde uit dit goedkope inzicht een dure stap: iemand die zielig is, is daarom ook onschuldig. En omdat goedbeschouwd alle mensen zielig zijn, zijn ook alle mensen onschuldig. Dit laatste kan ook uitgedrukt worden in zijn schijnbare tegendeel: alle mensen zijn even schuldig. Hoe men het ook zegt, het blijft een holle frase, een loze kreet, een parasitaire luxe.”

In feite onderzocht ze zo de 'hondse' mentaliteit van bescheidenheid en terughoudendheid. Vandaar ook haar sympathie met de schrijfster Dorothy Parker, die, toen haar man net overleden was, bij een condoléance bitste: “Breng me een nieuwe echtgenoot.” Anderzijds sympathiseerde Rubinstein ook met de Britse minister die vanwege een affaire met een call-girl ontslagen werd: “Lambton koos dus de oplossing van de betaalde liefde en oogstte verachting. Toch is het een oplossing die iedereen in zijn waarde laat, niemand afhankelijk maakt en eigenlijk alleen van Lambton zelf een geringe en haalbare opoffering vraagt -

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden