Renate Dorrestein

Renate Dorrestein (Trouw)

Ze spaart Mariabeeldjes, is een verklaard feministe, verkocht miljoenen boeken, maar kreeg nog nooit een grote literaire prijs. Renate Dorrestein (55) schrijft graag over het gezin als gruwelkabinet, als bij uitstek onveilige haven. Maar over haar eigen ouderlijk gezin wil ze niet praten. „Dat is mijn eigen spookhuis.” Donderdag verscheen haar 22ste roman: ’is er hoop’.

Wat heb ik toch een aardige lezers, zegt Renate Dorrestein. Ze zit achter een gebloemde theepot in de Bakkerswinkel in Amsterdam, letterlijk schouder aan schouder met fans.

Het zijn er zo’n vijftig, geloot uit duizenden aanmeldingen: echte Dorresteinologen, gretige afnemers van haar inmiddels 22 titels tellende oeuvre.

Naast thee en taart krijgen de fans ook Dorresteins nieuwe roman ’is er hoop’ cadeau. Exclusief, en twee weken eerder dan de literaire critici. Dat is een duidelijke boodschap van de schrijfster, die de Nederlandse kritiek ’armetierig’ en ’van deplorabel allooi’ noemt. Tsja, zegt een meelevende lezer: „Van de recensenten moet je het inderdaad niet hebben.” Die kwalificeerden twee recente romans rustig als ’een boek zonder bite’ of ’zelfs voor een tussendoortje ondermaats’.

Maar de Bakkerswinkel vormt op deze donderdag wél een warm bad. De aanwezigen jijen en jouen, noemen haar Renate, lijken haar als ’onze schrijfster’ te beschouwen. „Mevrouw, u bent slecht voor mijn ego”, zegt Dorrestein tegen een complimenteuze lezeres.

Ze is hoffelijk, geestig, snel. Grap buitelt over anekdote. Hier is een vakvrouw, een professionele entertainer aan het werk.

In haar mooie, ruime woonkamer in Aerdenhout zit later een iets ingetogener Dorrestein. „Ik ad rem? Ach, dat valt wel mee, maar ik heb al die vragen al eerder gehoord. En ik vind het gezellig als er gelachen wordt. Er hoeft geen geur van heiligheid om mij heen te hangen.”

Ook het schrijverschap hoeft wat haar betreft niet met een geheimzinnige waas te worden omgeven. „Het is onzin dat schrijven zwaar zou zijn. Ik houd gewoon kantooruren aan. En ik word nooit middenin de nacht gekweld door inspiratie. Dat vinden lezers wel eens jammer.”

De schrijfster serveert een kopje espresso, rolt een shagje, biedt een paaseitje aan, beantwoordt in welluidende zinnen de meeste vragen van de interviewster.

Maar niet alle.

Op de fanmiddag hing een ’wij-tegen-zij’-sfeertje, viel me op. De schrijfster en haar lezers tegen de gemeenschappelijke vijand: de literaire critici.

„Dat klopt wel een beetje. Ik heb van oudsher een slechte relatie met de literaire kritiek. Dat wordt weg gebalsemd door mijn trouwe lezers. Zij zijn een pijler onder mijn schrijverschap. Dankzij hen kan ik mijn hypotheek betalen. Dankzij hen ontstond mijn nieuwe roman ’is er hoop’.”

„In 2004 verscheen ’Zolang er leven is’, waarin baby Babette verdwijnt om na twee maanden op miraculeuze wijze weer terug te keren. Daarna kreeg ik zoveel brieven van lezers. ’Wat is er nou toch met Babette gebeurd?’ Dit boek is het antwoord op die vraag: de baby belandt bij de verstandelijk gehandicapte Igor en zijn grootmoeder Netty, die haar geld verdient achter een schoteltje in een openbaar toilet.”

Waarom botert het niet tussen u en de critici?

„Ik heb het gevoel dat er iets in ze vaart zodra ze een boek van mij in handen hebben. Wat dat is? Ik weet het niet. De schrijver en criticus Kees ’t Hart verzuchtte een keer in De Groene Amsterdammer: ’En ze blijft maar doorgaan met schrijven.’ Dat is natuurlijk heel sneu, voor al die mannen die steeds mijn kop eraf proberen te hakken. Ik zie ’t Hart al thuis zitten met z’n vrouw. ’Er ligt wéér een boek van dat mens. Ze is wéér niet tot inzicht gekomen.’

„Ik heb wel eens gedacht dat ’Het geheim van de schrijver’ (2000), waarin ik uitleg hoe ik werk, een soort knikpunt is geweest. Daarna is de boel verslechterd en wordt er met nog meer irritatie naar mijn werk gekeken.”

„Het eeuwige drama is: ik bedien me heel vaak van ironie. Recensenten herkennen die doorgaans niet. Wat ook niet helpt, is mijn voorkeur voor bijvoorbeeld oudere vrouwen als hoofdpersoon. Die zijn niet sexy, niet smakelijk, vinden recensenten. Zij lezen toch het liefst over mannen op leeftijd die ’m niet meer omhoog kunnen krijgen. Of die, zoals Hemingway schreef, druk zijn met belangrijke mannendingen: naar de hoeren gaan en kotsen op straat. De oude man en zijn kwalen zijn wél gecanoniseerd, de vrouw en haar overgangsklachten niet. Maar ik vind het nu eenmaal interessant om mensen die je niet vaak tegenkomt in de literatuur juist wél een stem te geven.”

U bent een seksistisch complot op het spoor?

„Je hoeft geen feministe te zijn om te zien dat je in de literaire kritiek tegen een muur van seksisme oploopt. Kijk maar eens met hoeveel dedain de literaire pers zich over de leesclubs uitlaat: allemaal vrouwen, allemaal grijze duiven. Alsof het hun schuld is dat jongeren en mannen niet lezen. Alsof deze vrouwen niet met z’n allen de literatuur overeind houden.”

U staat bekend als een auteur met veel zelfkritiek. ’Met Renate hoef je geen sijsjes te lijmen’, zei uw vriend Frénk van der Linden. ’Ze is meedogenloos over haar eigen werk.’ Waarom kunt u de kritiek van recensenten dan zo slecht verdragen?

„Van mijn redactrice kan ik alle kritiek op aarde hebben. Die is ontzettend opbouwend, daar hoef ik zelfs niet van te slikken, daar ben ik oprecht blij mee. Ik herschrijf mijn werk ook vele malen, van ’is er hoop’ maakte ik zeker acht versies.”

„Maar Nederlandse critici zijn er niet altijd op uit om een boek recht te doen. Ze maken in hun recensies ook zoveel aantoonbare fouten. Ach, mijn redactrice Erna zei een keer: ’Er zijn vast geen kleine jongens die later handenwrijvend zeggen: ik word later recensent’. Het is toch een vak voor losers.”

Nu gaan die ’losers’ ook weer over uw nieuwe roman schrijven. Wanneer gaat u hun stukken lezen?

„Ik pak een fles jenever, haal twee keer diep adem, sla de krant open en lees ze meteen. Dan heb ik het maar gehad. Wat ik ervan verwacht? De toon zal wel weer zijn: wat interesseert mij dat nou, een 56-jarige vrouw en haar gehandicapte kleinzoon.”

Dit is uw 22ste boek, u bent een bestsellerauteur, van elke titel gaan meer dan 100.000 exemplaren over de toonbank. Maar u kreeg nog nooit een literaire prijs. Doet dat geen pijn?

„Ik kreeg wel de Annie Romeinprijs, en de Jonge Gouden Uil voor ’Verborgen gebreken’. En ik ben een paar keer genomineerd voor de Publieksprijs, de Ako- en de Librisprijs. Dat ik die prijzen niet won, steekt me niet. Ik vind uit de grond van mijn hart dat die naar schrijvers moeten die nog lezers kunnen gebruiken. Fantastisch toch dat Jan Siebelink de Ako-literatuurprijs kreeg, na decennia sappelen? Als ik hoor dat Hans Münstermann of D. Hooijer zo’n prijs winnen, dan ben ik alleen maar blij.”

Dat is bijzonder ruimhartig. Maar toch: vindt u niet dat Renate Dorrestein ook een prijs verdient?

„Het zou mij wel heel erg steken als ik nooit een oeuvreprijs zou krijgen. Ik ben een oeuvrebouwer, ik beschouw mijn boeken als kralen aan een ketting, het ene boek baart het volgende. Maar voor de P.C. Hooftprijs of de Constantijn Huygensprijs ben ik nog te jong. Over tien jaar wordt het spannend, dan zou ik voor een van die twee zo langzamerhand in aanmerking moeten komen. Gebeurt dat niet, dan zal ik bitter wenen in mijn bed.”

Een vriend van u zei: ’Over het uitblijven van serieuze literaire erkenning zou Renate wel eens vertwijfeld kunnen zijn.’

„Dat ziet hij echt verkeerd. Dat kan ik met de hand op mijn hart zeggen.”

Iets anders: de meeste lezers weten wel dat u feministe bent. Maar u bent ook katholiek: uw huis staat vol Mariabeeldjes. Wat betekent het geloof voor u?

„Ik ben allang geen praktiserend katholiek meer. Maar ik heb me fijn en geborgen gevoeld op de nonnenschool, waar ik gruwelijke verhalen over heiligenlevens hoorde. Ik vond het ook heerlijk om ’s nachts met kaarsjes in de kerk te zitten. Het besef dat we niet alleen zijn in ons universum. Dat God ons draagt. Dat is het, geloof ik. Ik bid ook, maar ik kan me niet verenigen met het instituut van de rooms-katholieke kerk.”

Beïnvloedt uw geloof in God uw werk als schrijfster?

„Daar heb ik nog nooit over nagedacht. Deze vraag moet ik nog vele malen meenemen in de nacht, zoals de antroposofen het zeggen, voor ik daar iets zinnigs over kan zeggen.

Misschien schrijf ik wel makkelijker omdat ik van kindsbeen af aan vertrouwd ben geraakt met het begrip ’scheppen’. Natuurlijk doe je dat zo: je schept in zeven dagen de wereld, dan moet zo’n boekje ook wel lukken. Misschien word ik ook wel geholpen door machten en krachten die ik zelf niet ken.”

„En misschien houdt dit ook wel verband met mijn geloof: er zit iets missionairs in mij. Ik houd van literatuur met een boodschap. Fictie is per definitie moralistisch, dat is niet erg. We spiegelen ons aan het gedrag van de hoofdpersoon, dat scherpt ons gevoel over goed en kwaad.”

Dat ’kwaad’ komt in de romans van Dorrestein van heel dichtbij. Van ontaarde moeders vooral, die hun baby onbeheerd achterlaten op een picknickplaats. Die hun dochter verwaarlozen in een losbandige woongroep. Die hun kinderen vermoorden, of verminken met een appelboor. Het gezin is een gruwelkabinet, een bij uitstek onveilige haven. ’Een spookhuis’, zoals Dorresteins uitgeefster Mizzy van der Pluijm het noemt.

In wat voor soort gezin bent u zelf opgegroeid?

„Dat vertel ik liever niet. Dat is mijn eigen spookhuis. De kans is groot dat ik daar tot aan mijn dood over blijf zwijgen.”

Dat is jammer. Ik had gedacht dat dit een belangrijk onderwerp van ons gesprek zou zijn.

„Het spijt me. Ik heb altijd gedacht: als mijn ouders zijn overleden, dan kan ik daar vrijer over praten, maar nee. Het zou voelen alsof ik de nagedachtenis van mijn ouders onteer, die niets dan goede bedoelingen hadden.”

Uw moeder overleed twee jaar geleden aan vasculaire dementie.

„Dat is een heel wrede ziekte, omdat mensen nog heldere momenten hebben. De staat van agressie en paniek waarin mijn moeder soms verkeerde... Ze was zo compleet stuurloos.”

„Ik werd op een dag gebeld door haar buren. Typisch zo’n telefoontje dat je leven verandert. ’Ga morgenochtend maar met je moeder naar het ziekenhuis’, zeiden ze. Daarna zijn mijn broer, zus en ik aan onze zoektocht begonnen door instellingen en zorgafdelingen. Weinig dingen gaan vanzelf, bleek toen.”

„Ik heb dat eerste jaar in een andere trillingstand geleefd, een verhoogde staat van paraatheid. Als de telefoon ging, had ik het gevoel dat ik onder stroom stond. Ik ging drie keer per week naar haar toe, maar ook daarnaast gebeurde er van alles: ze raakte haar kunstgebit kwijt, ze viel en brak haar botten, haar kleren waren zoek bij de wasserij.”

„Het kostte me verschrikkelijk veel emotie, ik kwam na elk bezoek huilend thuis.”

„Ik had het gevoel dat we haar zo in de steek lieten... Zo had ze nooit willen leven. Ik had haar euthanasieverklaring hier in de kluis, maar die verliest zijn waarde als iemand dement wordt. De wetgeving vereist nu eenmaal dat iemand er nog bij is met zijn hoofd.”

U werkte intussen stug door, u schreef onder meer ’Mijn zoon heeft een seksleven en ik lees mijn moeder Roodkapje voor’ (2006).

„In die roman heb ik mijn ervaringen met mijn moeder verwerkt. Dat was wel een zware periode, want dan zat ik er thuis wéér in. Maar werk is altijd mijn reddingsboei.”

„Ik snap overigens niet hoe gewone burgers het hoofd bieden aan dit soort levensrampen. Wij kunstenaars en schrijvers kunnen tenminste nog denken: dit verrijkt mijn repertoire. Verdriet en tegenslag leveren me ook nog wat op.”

Wat dan?

„Een boek bijvoorbeeld. En het is ook weer een soort toevoeging aan het compassiepakket. Het helpt om je te kunnen identificeren met allerlei mensen met ultieme pech. Ik denk dat ik me nu bijvoorbeeld beter kan verplaatsen in een asielzoeker. Dingen kwijt zijn, er niet meer bij horen... Dat heb ik van nabij meegemaakt.”

„Ik heb ook elf jaar lang geleden aan ME, het chronische vermoeidheidssyndroom. Daarmee begon mijn gevoel: nu kan ik me identificeren met iedereen onder wie het vloerkleed vandaan is getrokken. Ik was een zieke in een wereld van gezonden. Dat vestigde mijn blik op kinderen en ouders die alles met ze kunnen doen achter de gesloten voordeur. Het opende mijn ogen voor de zwakkeren. Ik denk dat mijn blik anders meer gericht was gebleven op kracht, succes, tempo. Nu gaat het meer over kwetsbaarheid.”

Uw zusje pleegde zelfmoord in 1979. Over haar schreef u in ’Het perpetuum mobile van de liefde’ (1988). Speelt zij nog altijd een rol in uw leven?

„Ja, ik heb nog steeds wel het gevoel dat we mijn boeken samen schrijven. Zij wilde ook schrijfster worden. Na haar dood is het mij gelukt, toen ben ik gedebuteerd. Ik heb in mijn koortsachtige staat na haar dood lange tijd het gevoel gehad: haar talent is bij mij terechtgekomen. Dat idee hield me in een wurgende greep. Maar later dacht ik: het is óók heel mooi. Via mij zijn haar mogelijkheden ook tot wasdom gebracht.”

„Ik denk vaak: hoe zou zij het hebben gedaan? Soms, als ik vastzit, stap ik even uit mijn eigen schoenen in die van haar en kan ik weer op stroom raken.”

„Ik plan heel weinig tijdens het schrijfproces, ik durf te vertrouwen op wat er komt. Dat komt door het besef: ik zit hier niet in mijn eentje. Mijn zusje zit tussen mijn oren.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden