Review

REMCO CAMPERT, 'RECHTERSCHOENEN'/je okeren schouder in het middaglicht

Remco Campert, 'Rechterschoenen', De Bezige Bij, 48 blz - f 24,50.

Ooit was Campert, zeiden ze, een dichter van de Beweging van Vijftig: in de tweede helft van de jaren twintig geboren, in 1950 een eigen tijdschriftje opgericht, waaraan ook Lucebert en Schierbeek meewerkten, gedebuteerd in de Windroosreeks, opgenomen in alle bloemlezingen van Vijftig, nauwelijks hoofdletters of leestekens in de gedichten, ja, dan was je wel een Vijftiger.

Zo'n vijftien jaar later zeiden ze dat Campert dan misschien wel ooit Vijftiger was geweest, maar toch geen echte. Hij was, met zijn nuchtere kijk op de werkelijkheid, eerder een neo-realist. En nog weer wat later bleek hij toch eerder melancholiek dan nuchter, en vonden ze hem wel een neo-romanticus. Wat hij ook schreef, Campert paste altijd in de hoofdstroom van de Nederlandse poezie van dat moment: Vijftiger in de jaren vijftig, neo-realist ten tijde van 'Barbarber', neo-romanticus in de jaren van de flower power.

Alleen toen in de loop van de jaren zeventig een traditie van voor Vijftig en van voor de avant-garde uit het begin van deze eeuw weer de kop opstak, gewapend met sonnetten en andere vormvastheden, leek Camperts rol van tijdgenoot even uitgespeeld.

Dat plaatsen in stromingen is vaak niet meer dan een wanhopige poging om vat te krijgen op een oeuvre. Pas als een eigen toon niet veroudert, worden dit soort pogingen overbodig. En Campert blijkt nog steeds de oude: hoe verwant ook aan allerlei andere dichters, er is een onmiskenbare Campert-toon, een Campert-sfeer, ook in 'Rechterschoenen'. Het is de toon van de jazzmusicus, die zijn instrument tot in de perfectie beheerst, die cool kan spelen, die gevoelig kan spelen, die warm weet te klinken en melancholiek, die kan vertragen en versnellen, die soms zonder slotakkoord droog stilvalt, waardoor het voorafgaande wijsje opnieuw in je hoofd gaat rondzingen, maar die altijd terloopsheid weet te suggereren.

Zo staan in deze nieuwe bundel een paar onvoltooide gedichtjes, 'Drie snippers' geheten, die meer klinken als van iemand die op zijn instrument loopjes probeert, die even uit de harmonie schiet, die meer toon zoekt dan samenhang, dan van iemand die naar het voltooide streeft.

Lees je even later 'Lamento', dan zie je weliswaar een flink doorgecomponeerde, driedelige klaagzang, maar wel, in louter bijzinnen en een enkele onvoltooide hoofdzin, een zang van verwachting en berusting, van uitstel en onbeslistheid vooral. Een gedicht waarin Campert de verlengde spatie als een soort vertragend leesteken gebruikt, waarin hij die vertraging versterkt met veel herhalingen en variaties van herhalingen, een gedicht waarin je terloops, langs muzikale lijnen het vermoeden krijgt van een onthutsend inzicht. Het middelste van de drie delen luidt:

dat altijd maar je ogen zouden breken

dat altijd van geluk je ogen zouden breken

altijd maar in de roerloze middag

langs het lange diepe waterdat ik dacht

dat ik dacht dat je altijd maar

dat ik dacht dat geluk altijd maar

dat altijd maar het licht roerloos in de middag

dat altijd maar het middaglichtje okeren schouder

je okeren schouder altijd in het middaglicht

dat altijd maar je kreethangend

altijd maar je vogelkreethangend

in de middagin de zomerin de lucht

Deze heldere en tegelijk bedwelmende toon hoort tot de mooiste die ik ken in de poezie. Het is poezie die met puur muzikale middelen zindert van betekenis. Het is een toon als die van de late Van Ostaijen, van Faverey ook, die melancholie. Een toon die des te mooier en des te geloofwaardiger is naarmate de dichter de monotonie van de gebruikte middelen weet te vermijden. Een hele bundel in zulke zinnen zou al te manieristisch worden.

Maar Camperts middelen zijn zeer gevarieerd, zoals onder meer blijkt uit de verscheidenheid van een tweetal gedichten over de oorlog. Het ene, 'Nicolaas Witsenkade in de oorlog', is een lang uitgesponnen anekdote over twee vriendjes die in de oorlog op het ijs een briefje van 25 gulden vinden, en hoe ze dat luxe probleem in hun voordeel weten op te lossen. In het andere, 'Bij wat er overbleef van Moto Mosoro's bril gevonden in Hiroshima', dat er direct op volgt, wordt juist iedere anekdotiek nadrukkelijk ontkend. Maar beide hebben de toon van terloopsheid, van uitstel, aarzelen, aftasten.

Ook het Hiroshima-gedicht gaat over een miniem detail, al is het van de titel af verbonden met de gruwelen van de oorlog; het drukt het onvermogen uit om hier de juiste woorden voor te vinden. Direct het begin al: Dit is geen bril // dit is de herinnering aan een oog / of ook niet // blind teken dat kijkt / tierlantijn uit een ijstijd // finale krabbel (. . .). In zijn vele summier verwoorde beelden drukt het hele gedicht zoiets uit als: 'vindt hier maar eens woorden voor'.

Dat is bij Campert niet zoiets als een hoge roeping, maar eerder een dagelijkse bezigheid. Niet voor niets begint de bundel met een zelfportret: de dichter als huisman, die, wanneer zijn vrouw het huis uit is, een regel opruimt, stof van papier blaast, op een woord gaat zitten: stilleven hopeloos onpraktisch / is dat schrijven soms. Niet voor niets ook eindigt de bundel met het nog terloopser titelgedicht, waarin de vondst van hier en daar een schoen (altijd een rechterschoen) geen enkele wijze gedachte blijkt op te leveren.

Diezelfde toon van terloopsheid zit in de portretgedichten in deze bundel, vooral in 'Jan G. Elburg leest' en in 'Drs. te Buitenveldert'. Het eerste een laconiek-bewonderend gedicht voor een mede-Vijftiger, met hier en daar wat dubbelzinnigheden en woordspelingen die uit het jargon van de bewonderde komen; een echt hommage-gedicht dus.

Het andere, een in memoriam-gedicht, waarin zowel de rommeligheid als het idealisme van Joop den Uyl (want dat is natuurlijk die doctorandus) perfect verbeeld zijn. Camperts niveau blijkt bij voorbeeld uit zijn liefdevol oog voor details, waar menigeen met een columnistischironisch commentaar zou volstaan: zoals hoe een klemmende voordeur bijna verhinderde dat de overledene uit zijn huis gedragen werd. Dit krijgt bij hem het commentaar: het huis liet je met moeite gaan.

In 1979 toen Campert de P.C. Hooftprijs kreeg, hield Den Uyl een feestrede, waarin hij Campert prees om diens sociale betrokkenheid als dichter: hij was de enige Nederlandse dichter van wie werk was opgenomen in een Engelstalige bloemlezing van sociaal gerichte poezie. Een paar jaar later relativeerde Campert in de bundel 'Scenes in Hotel Morandi' de cliche-verwachtingen die zulke woorden zouden kunnen wekken, door te schrijven: Ik ken geen toverwoorden / als volk of solidariteit.

Geen hoge roeping en geen toverwoorden dus, maar terloopsheid. Toch verlangt Campert wel degelijk zoiets als solidariteit. Een van zijn gedichten heet zelfs 'Oproep', en richt zich tot bevriende cineasten / altijd maar op reis / honger onthullend en macht (. . .) / soms zelf op de foto / beroepshalve na de moordaanslag / elleboog op de bar van het eeuwige hotel. Een gedicht dat eindigt in de oproep aan de bevriende cineasten zich te bevrijden van hun camera. Met andere woorden: om geen waarnemingsmachine te zijn, maar om weer met eigen ogen te kijken, onbeschermd en kwetsbaar.

Dat Campert zijn oproep alleen tot 'bevriende' cineasten richt, geeft de beperkingen van zijn pretenties aan: hij heeft geen boodschap voor de wereld: als hij aan of voor iemand een boodschap heeft, dan alleen voor degenen die hem op voorhand sympathiek zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden