Rembrandts licht in foto’s gevangen

Berend Zweers: Zonder titel, omgeving Haarlem, 1905.

De picturalisten waren de eersten die fotografie als kunstvorm zagen. Het Rembrandthuis toont hun werk.

Fotografie in Het Rembrandthuis, het is niet direct waar je aan denkt bij het gebruik van de expositieruimte in het huis waar Nederlands beroemdste schilder tussen 1639 en 1658 woonde. Het is dan ook voor het eerst dat in dit Amsterdamse museum een fototentoonstelling wordt georganiseerd, en wel over een onderwerp dat sterk verwant is aan de schilderkunst: het picturalisme.

De vorig jaar aangetreden directeur Janrense Boonstra (afkomstig van het Bijbels Museum) werd direct geconfronteerd met een gapend gat in de programmering van het museum dit voorjaar. „Vorige zomer dacht ik waarom maken we geen tentoonstelling over Rembrandt als inspirator voor fotografen. Het is een nieuw onderwerp en je trekt een ander publiek naar Het Rembrandthuis”, zegt Boonstra bij de presentatie van de tentoonstelling ’In atmosferisch licht. Picturalisme in de Nederlandse fotografie 1890-1925’.

Janrense Boonstra nam in november contact op met Maartje van den Heuvel, conservator fotografie van de afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteit van Leiden, en, jawel, het was mogelijk om op korte termijn foto’s van Nederlandse picturalisten, zoals Bernard Eilers, Henri Bersenbrugge, Adriaan Boer, Berend Zweers en anderen te tonen. De schatten van Leiden werden voor het eerst op zo grote schaal ontsloten.

En zo zijn in de verduisterde bovenzaaltjes van Het Rembrandthuis meer dan honderd foto’s te zien van fotografen die geïnspireerd werden door oude schilderkunst, maar zeker ook door het impressionisme, en fotografie als kunstvorm wilden ontwikkelen.

Ze noemden zich amateurfotograaf. Niet dat het om een stelletje hobbyisten ging, de naam amateur had destijds een andere betekenis. Het ging om iemand die meer met smaak en kunstzinnigheid fotografeerde, dit in tegenstelling tot de vakfotografen die het vak beoefenden om er hun brood mee te verdienen. De ’amateurs’, vaak afkomstig uit hogere kringen, waren industrieel, makelaar of bankier en hoefden zich niet direct zorgen te maken om hun inkomsten.

De picturalisten keken met jaloezie naar het lichtgebruik van Rembrandt, naar de intense gelaatsuitdrukkingen op de portretten van de meester en probeerden dit als het ware in hun foto’s te kopiëren. In de jaren rond 1900 was het picturalisme (van het Engelse pictorial, schilderachtig) de eerste internationale artistieke beweging in de fotografie. De beweging heeft het tot de jaren twintig volgehouden, daarna sloeg het modernisme toe en werd er wat schamper gedaan over deze in moderne ogen wat oubollige vorm van fotografie.

Hoe het ook zij, de picturalisten zagen als eersten de fotografie als een vorm van kunst, probeerden hun foto’s meer beeldende kracht te geven. In verenigingen, tijdschriften en salons in binnen- en buitenland discussieerden zij met elkaar over hun technieken, hun inzichten. Het uitdrukken van sfeer en stemming in de beelden was zeer belangrijk.

Hun ambachtelijkheid bracht de picturalisten inderdaad dichter bij het werk van schilders en grafici. Ze bewerkten hun negatieven of maakten met meerdere negatieven een beeld. De zeldzame ’kleurenfoto’ op het affiche en het boek van de tentoonstelling, van de hand van Bernard Zweers, werd gemaakt door drie negatieven, elk met een andere kleur (blauw, geel, rood) over elkaar heen te drukken. Het ging om een portret van zijn vrouw uit 1908. In een tijd dat kleurenfotografie nog niet bestond wist hij de realiteit van een gekleurd, geschilderd portret dicht te benaderen.

De picturalisten gebruikten soms zeer bewerkelijke technieken, zoals de gomdruk waarbij ze een lichtgevoelige emulsie met een kwast aanbrachten. En voor broomoliedruk smeerden ze olieverf op belicht fotopapier. Ook gebruikten ze bewust onscherpte in hun beelden, om een wat geheimzinnige, of wellicht impressionistische sfeer te creëren.

Het spel van contrasten tussen licht en donker, de chiaroscuro, een begrip uit de schilderkunst was zeer belangrijk voor de picturalisten. Fotograaf Bernard Eilers experimenteerde als bewonderaar van Rembrandt veel met licht. Eilers destijds: „Rembrandt was een fotograaf; hij schilderde met ’licht’, zelfs de factuur der schildering bewijst mij steeds zijn behoefte om alles met een magisch licht te omweven, maar ook de geheele compositie is als het ware, van uit de duisternis geboord naar het licht; door het licht. Zóó moet men Rembrandt zien.”

Lopend over de tentoonstelling valt op dat het bij de Nederlandse picturalisten vooral ging om het maken van portretten. Landschapsfotografie komt er veel minder voor dan bij niet-Nederlandse picturalisten. En twee andere stromingen binnen de beweging komen ook duidelijk aan het licht: de een kiest voor scherpte en helderheid, de ander voor onscherpte, vaagheid.

In het fotowerk uit het begin van de vorige eeuw zie je de oude schilders terug. Bij Henri Bersenbrugge zie je Rembrandt, Vermeer, of Van Gogh (de aardappeleters). En ook bij de foto’s van Carl Emil Mögle, Adriaan Boer, Jacob Merkelbach, Ignatius Bispinck en Richard Polak, is de hand van de oude meesters te zien, als het grote lichtende voorbeeld. Kortom, een feest der herkenning.

Berend Zweers (1872-1946): Portret van Sara Zweers, echtgenote van de fotograaf, 1908, driekleuren kooldruk. (. )
Berend Zweers: Zonder titel, omgeving Haarlem, 1905. (Trouw)
Jacob Merkelbach: Naaktstudie, circa 1920. (Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden