Rembrandt laten práten, dat kan natuurlijk niet

Wie wil er niet reizen in de tijd? Ik heb jarenlang het liefst terug gewild naar het moment van menswording uit de aap, omdat ik dacht dat dat in een flits gebeurd moest zijn. Ik wilde een kwartier voor de flits op de savanne arriveren, zodat ik de getroffen aap, de eerste mens, ter plekke zou kunnen vragen: en wat ging er toen door u heen? Wij zouden elkaar bij het afscheid onhandig omhelzen, terwijl de andere chimpansees ons niet begrijpend aanstaarden.

Ik weet nu even niet hoe dit verder moet, want als slechts één aap verlicht werd, hoe zou dit zich dan verspreiden? Die hele menswording kan nooit in een flits zijn gegaan, daar is vele duizenden jaren aan gesleuteld en heel wat pogingen zijn voorgoed in de berm beland, waarbij mijn persoonlijke sympathie het sterkst opbloeit bij de Neanderthaler, die ik hardnekkig blijf zien als een zachtmoediger versie van het exemplaar dat uiteindelijk won.

Maar goed, een bezoek aan de menswording als één gebeurtenis zal niet gaan, maar er zijn nog genoeg andere gebeurtenissen waar ik een kijkje zou willen nemen. Athene in 405 voor Christus, de periode waarin Socrates nog net niet in de problemen was en Plato jong en dorstend achter hem aan trippelde. Wie zou er niet bij willen zijn om eens te zien hoe Socrates en Plato blikken wisselden? Want dat is de unieke frustratie ten opzichte van het verleden: je weet zeker dat bepaalde dingen gebeurd moeten zijn, maar je hebt geen idee hoe het werkelijk ging.

Hoe keek Karel de Grote, die niet kon schrijven, maar waarschijnlijk wel lezen, naar de Romeinse keizers toen hij in 800 na Christus naar Rome trok om zich daar een keizerskroon op te laten zetten? Dacht hij bij de aanblik van Rome dat zijn rijk een houten farce was vergeleken bij het onverbiddelijke marmer dat de Romeinen ooit hadden neergezet? Of was hij juist trots en vol hoop bij de gedachte dat hij althans iets brandend hield van de Romeinse glorie?

Dichter bij huis weet ik ook nog wel iets. Wat zei Rembrandt tegen zijn opdrachtgevers? Op deze laatste vraag wordt nu elke maandag een antwoord gesuggereerd in de tv-serie ’Rembrandt en ik’. Omdat ik wel weet dat reizen in de tijd niet mogelijk is, laat ik me graag afschepen met een surrogaat als deze Rembrandtserie. Als tijdreis mislukt het, maar op voorbeeldige wijze. Je voelt bij elke scène: zo ging het in elk geval niet. Een gevoel dat je op tegenstrijdige wijze heel dicht bij het onbekende van het verleden brengt.

’Diep in mijn hart’ weet ik namelijk precies hoe Rembrandt was: een korzelige, enigszins plompe, lichtelijk bedroefde man, die soms in trance, soms in gewiekstheid, almaar doorschilderde aan zijn portret van de wereld waarin ook op de meest onherbergzame plekken altijd ergens een warm haardvuur was te vinden. Het soort vuur waar mijn ouders graag bij hadden gezeten.

Ik heb nooit iets begrepen van de opinie van kenners die zeggen dat al die zelfportretten (’tronies’) weinig om het lijf hebben. Niks introspectie, gewoon een kwestie van rekken en strekken om ambachtelijk een beetje in conditie te blijven. Ik zou daar tegenin willen brengen dat het niveau waarop Rembrandt rekt en strekt zo verwonderlijk is dat deze vorm van conditietraining bij hem een onontkoombare ernst in zich draagt.

Kijkend naar de tv-beelden word ik heen en weer geslingerd tussen vreugde en huiver. Vreugde als ik zie hoe hij Huygens opzij zet (Huygens!), of wanneer hij het chirurgijnsgilde aanmaant om een beetje theater te tonen bij het poseren, of hoe hij Frans Banning Cocq aftroeft over de kosten van het schilderij.

Maar dan komt de huiver. Want ik kan niet weg bij het gevoel dat hier iets ontzagwekkends in jongenshanden terecht is gekomen. Alsof iemand gaat kegelen met prachtige standbeelden, waarbij er onvermijdelijk veel aan diggelen gaat.

Dat ze Rembrandt laten schilderen voor de camera is al link genoeg, en het gebeurt gelukkig maar in heel korte flitsen, maar dat ze hem laten práten, dat kan natuurlijk niet. Als hij de stramme chirurgijnen eindelijk in de gewenste positie heeft zegt hij: ’Hou dit even vast!’ Rembrandt de snelschilder. Nou schilderde hij in zijn latere jaren inderdaad heel snel, volgens Ernst van de Wetering, maar juist bij die anatomische les is daar geen sprake van. Maar wacht, dit is kunsthistorisch gepriegel en slechts zijdelings relevant in de tv-serie.

Saskia’s zusjes vind ik veel te truttig, Saskia zelf kent maar twee registers die ze te gejaagd acteert, Rembrandt is een leuke dondersteen die VPRO kijkt, de Volkskrant leest en gehaaider is dan de meesten beseffen.

De makers hebben lang naar Amadeus gekeken, misschien de eerste film waarin een culturele godheid met oksels, alle drie, werd afgebeeld. En zo kunnen we nog wel even doorzeuren, maar toch zie ik uit naar Michiel Romeyn die maandag de oudere Rembrandt gaat doen op het scherm, waarachter in mijn thuisbioscoop de gedaante van mijn alwetende stille somberaar in nieuwe grootsheid gaat oprijzen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden