Rembrandt en de Bijbel/Kostgangers

'Wilt u een katheter?' vroeg de mevrouw van het Rembrandthuis in de Jodenbreestraat. Zij had mij gevraagd of ik de de tentoonstelling Rembrandt en de bijbel wilde openen.

Nou, als het kan nog even niet, dacht ik. Ik doe zoiets liever vanachter een katheder.

Mijn openingswoord voorbereidend schoot me een verhaaltje van vroeger te binnen. Soms staat er iemand op de stoep van de Westerkerk met een bloemetje. De bezoeker, meestal uit het buitenland, wil die bloemen neerleggen op het graf van Rembrandt. Nu is de plaats van Rembrandts graf onbekend, het is zelfs de vraag of zijn stoffelijke resten in de loop der jaren niet geruimd zijn. Maar om een lang en ook wat ontluisterend verhaal te vermijden, leidt de koster de bezoeker dan naar de pilaar achter de kansel waar een gedenksteen aangeeft dat Rembrandt hier begraven ligt, wijst op de zerk eronder en zegt: 'Hier ligt hij.' Even later liggen die bloemen er dan ook.

Jaren geleden hadden wij in de zomer, tijdens de vakantie van de koster, een hulpkoster die aan dit bedrog niet wenste mee te doen. 'Rembrandt?' zei hij dan met stemverheffing, terwijl hij met zijn armen een wild gebaar maakte, 'Rembrandt verschwunden!' Het was het enige woordje buitenlands dat hij kende.

Het stoffelijk overschot van Rembrandt moge dan verschwunden zijn, het werk dat hij de wereld schonk is onsterfelijk.

Ik heb met Rembrandt verkeerd, alle jaren dat ik in de Westerkerk mocht werken. Bij ieder bijbelverhaal dat ik vertelde keek ik altijd even of de grote meester er niet een ets of een tekening aan had gewijd, die wij dan op de orde van dienst konden afdrukken, en zo verdiepte ik mij dan zowel in het oude verhaal als in Rembrandts herschepping ervan. Ik overdrijf niet wanneer ik zeg dat er geen week voorbij ging of ik moest in de Wester even aan Hendrick de Keyser denken, die dit schone godshuis bouwde, en aan Rembrandt, die om het hoekje woonde en er ter aarde werd besteld. Twee hooggetalenteerde kunstenaars voor 's Heren aangezicht, elk op geheel eigen wijze virtuoos spelend met het licht, en het enige wat jou als gastheer van dat godshuis te doen staat is, met de bescheiden talenten jou gegeven, je tot het uiterste inspannen en woekeren met wat jij te geven hebt.

Hoe Rembrandt zichzelf tot het uiterste dwong, vind ik altijd weer treffend geïllustreerd in de vele malen dat hij tot een bijbels tafereel terugkeert. Steeds weer schilderde of tekende hij de gestalten van Abraham, Tobit en Simeon, vijftien maal verbeeldde hij de barmhartige Samaritaan, achttien maal het verhaal van de Emmausgangers, de gelijkenis van de verloren zoon heeft hem zijn levenlang vergezeld.

Mocht je bij de jonge Rembrandt soms nog denken dat de bijbel vooral een boek is dat hem aan een schat van onderwerpen helpt, in later tijd is hij onmiskenbaar tot in het diepst van zijn kunstenaarsziel geraakt door de sporen van God die hij in die verhalen en gestalten vindt. In het bijzonder in die bijbelse taferelen die hem steeds tot een nieuwe vertolking inspireren, valt te zien hoe hij dieper en dieper in de geheimenissen ervan trachtte door te dringen en hoe hij met steeds eenvoudiger middelen het wezen zocht te verbeelden.

Het pathos, het theatrale gebaar dat zijn vroegere werk hier en daar te zien geeft, heeft hij uitgezuiverd in een uiterste concentratie op, ja, op de eenvoud Gods. Om met de kerkvader Augustinus te spreken: 'Hij heeft de menselijke zelfverheffing als gevogelte geslacht.'

Zo'n 145 schilderijen, 575 tekeningen en 70 etsen heeft Rembrandt aan bijbelse onderwerpen gewijd. Anders dan veel van zijn voorgangers en tijdgenoten besteedt hij niet of nauwelijks aandacht aan eschatologische onderwerpen zoals het laatste oordeel, de opstanding en de hemelvaart. Liever legt hij die momenten vast dat licht uit den hoge het gewone leven doorstraalt, de ogenblikken dat het godddelijke en het menselijke elkaar raken.

Van een al te hemels opgetuigde Christus wil hij niet weten, Jezus van Nazareth is bij hem een Jood van om de hoek, een onaanzienlijke povere man, een eenvoudige knecht van de Eeuwige, boordevol erbarmen Gods. Het paasverhaal dat zijn voorliefde heeft is de huiselijkste versie ervan, aan de keukentafel, zoals verteld door Lucas: de Emmausgangers. De mensen die Rembrandts bijbelse taferelen bevolken, kun je tot op de dag van vandaag op de Breestraat en de Rozengracht tegenkomen. Met mededogen, warmte en humor heeft hij ze neergezet. De vraag waar hij dat mededogen, die warmte en die humor vandaan had, is gauw beantwoord: die heeft hij eerst zelf uit die verhalen opgediept.

Nooit heeft het verhaal van de verloren zoon hem losgelaten, nooit kon hij de betekenis ervan ten einde denken, steeds keert hij er terug wanneer hij een dieper inzicht heeft verworven. Het grootste wat hij als gelovige en als schilder aan de wereld schonk is naar mijn gevoel het schilderij van de thuiskomst van de verloren zoon dat in de Hermitage in St. Petersburg hangt. Het verhaal gaat dat arbeiders die dit schilderij na de Eerste Wereldoorlog in de Hermitage hadden uitgepakt en opgehangen, het aandachtig bekeken. Een voor een namen zij hun hoofddeksel af, sloegen een kruis en knielden.

Ik weet niet of het echt gebeurd is. Ik weet wel dat het precies vertelt met welke ogen je naar dit werk van Rembrandt moet kijken. Wie slechts met kunsthistorische ogen kijkt, ziet nog niet de helft. De plaats waarop wij hier staan is heilige grond.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden