Rembrandt bedreef een alleszins eerlijk narcisme

Hoe vaak heeft Rembrandt zichzelf geschilderd? Wie daar een antwoord op zou willen hebben, is met het simpel tellen van de zelfportretten van de schilder nog niet klaar.

Negentien jaar oud was Rembrandt toen hij in 1625 een historiestuk schilderde dat de steniging van de Heilige Stefanus als onderwerp draagt. Het was waarschijnlijk de eerste van de vele op historische situaties geënte voorstellingen die de jonge schilder in de eerste jaren van zijn kunstenaarsloopbaan zou maken. Een jaar of wat later schilderde hij bijvoorbeeld het beroemde geworden 'Historiestuk' dat tegenwoordig in de Lakenhal in Leiden is te zien. Anders dan het voorgaande schilderij, dat in het Musée des Beaux-Arts in het Franse Lyon wordt bewaard, weten (kunst)historici het Leidse paneel nog altijd niet te duiden. Centraal staat een aanzienlijke heer, een koning of keizer waarschijnlijk (hij zegent een onderdaan met een scepter), die zich omringd weet door zijn - ongetwijfeld trouwe - legermacht. Zijn net als op het religieuze schilderij in Lyon de omstanders onbekend, van minstens één van de afgebeelde manschappen weten we wie hij is. Op beide panelen komt namelijk een figuur voor die de kop van de schilder zelf draagt. In de 17de eeuw was zoiets niet ongewoon, al vanaf de Middeleeuwen namen kunstenaars in hun opdracht vaak een afbeelding van zichzelf op. Beroemd is in dit verband het beeld van de bouwmeester van de Sankt Stephan in Wenen, dat bevestigd is aan de preekstoel in de dom, een alleraandoenlijkst tafereeltje dat tot de vermakelijkste anekdotes in de stad behoort.

De twee keer dat Rembrandt zichzelf al op zo'n jeugdige leeftijd heeft afgebeeld, mag dan op zich niet ongewoon zijn, het maakt het feit wel bijzonder dat hij zichzelf gedurende zijn latere leven zo regelmatig heeft geportretteerd. Er zijn enige tientallen geschilderde en waarschijnlijk even veel getekende en geëtste zelfportretten van zijn hand verschenen. Hoeveel precies is niet bekend, maar op de expositie in het Mauritshuis in Den Haag zijn het er rond de 65 en daar zijn de portretten die niet op de tentoonstelling te zien zijn, niet bij opgenomen. Omdat niet elke Rembrandt een authentieke Rembrandt is, blijkt er ten aanzien van een aantal schilderijen van premissen te zijn uitgegaan, een gegeven dat bij de voltooiing van het Rembrandt-corpus van het Rembrandt Research Project ooit zijn beslag zal krijgen.

De vraag hoe vaak Rembrandt zichzelf heeft geportretteerd is daarom zo interessant omdat hij op dit onderdeel in zijn schilderkunst geen gelijke heeft gekend. Sinds de Renaissance - niet alleen de tijd dat de kunstenaar de mens ontdekte, maar ook zichzelf plotseling in de spiegel zag - maakte het zelfportret als zelfstandig onderwerp in de schilderkunst een grote bloei door. Verzamelaars, of het nu vorsten, edelen of gewone particulieren waren, konden bijzondere belangstelling voor dit onderwerp aan de dag leggen. Zelfportretten van kunstenaars verschenen in beroemde portrettengalerijen.

Rembrandt was dus bepaald niet uniek in het aanleggen van een oeuvre van zelfportretten, maar het aantal blijft frapperen. Over het hoe en waarom van dit onderdeel van zijn oeuvre is vreemd genoeg weinig te zegen, om de eenvoudige reden dat er weinig onderzoek naar is gedaan. In het verleden hebben ook weinig onderzoekers gezocht naar de relatie die Rembrandt met zijn opdrachtgevers onderhield (Gary Schwartz is in dit milieu met zijn bijzondere biografie nog altijd een witte raaf), zodat niet eens is te zeggen of Rembrandt veel van zijn portretten wist te verkopen.

Een curieus aspect aan de zaak is ook dat Rembrandt wat betreft het grote aantal zelfportretten moeilijk met zijn even beroemde collega's kan worden vergeleken. Van Frans Hals, die net als Rembrandt graag grote groepsportretten maakte, is niet één zelfportret bekend. Ook veel gezochte schilders als de Ruysdaels, Avercamp en zelfs Vermeer, die toch zo'n kundig portrettist was als het om dames ging, hebben voor zover bekend is, geen zelfportret gemaakt. Wie wel veelvuldig zelfportretten hebben gemaakt, zijn Rembrandts leerlingen geweest. Ferdinand Bol, Gerard Dou, Willem Drost, Gerbrand van den Eeckhout, Carel Fabritius, Govert Flinck, Samuel van Hoogstraten, Aert de Gelder, ze hebben zichzelf menig keer op paneel op doek gezet. Maar opnieuw, geen heeft dat zo vaak gedaan als de meester zelf.

Er moet voor Rembrandt dus een duidelijke aanleiding hebben bestaan om zichzelf zo veelvuldig als model te hebben gebruikt. Sinds de 19de eeuw wordt het zichzelf portretteren nog wel eens gezien als een poging om armoede te camoufleren. Een schilder die geen geld heeft om een model te huren kan altijd nog zichzelf afbeelden. Maar er zijn meer redenen om die opvatting voor Rembrandt af te wijzen. De eerste reden is dat hij in weerwil van de bestaande opvatting niet bij voortduring arm is geweest. Door erfenissen (van zijn moeder en zijn vroegtijdig gestorven echtgenotes) kon hij in bepaalde periodes over ruime financiële middelen beschikken. Er zijn voorbeelden van zelfportretten te zien toen hij net een flinke som had verdiend. Bovendien had Rembrandt in de figuur van zijn familie altijd wel een model voor handen. Hij heeft zijn vrouwen meer keren vereeuwigd, zijn zoon Titus idem, terwijl van zijn moeder bekend was dat zij voor Rembrandts leerlingen heeft geposeerd. We mogen aannemen dat Rembrandt daar waarschijnlijk bij aanwezig is geweest.

Waarschijnlijk is de reden dat Rembrandt bij voortduuring zichzelf als model gebruikte, gelegen in een veel banalere aanleiding. Als je de lange reeks in het Mauritshuis overziet, dan moet je tot de conclusie komen dat Rembrandt zich in alle belangrijke fases van zijn ontwikkeling met zelfportretten bezighield. Van de vroegste bijbel- en historiestukken tot aan de avond van zijn dood (het laatste zelfportret dateert uit 1669) doorliep hij juist in deze portretten een aantal stijlontwikkelingen die anders in verschillende thema's aan de orde kwamen. Het grootste gedeelte is ontstaan vóór 1640, dus in de jaren dat hij zijn stijl vormde en nog zeer open stond voor invloeden van buiten af. De jaren '40 van de 17de eeuw tonen een kleine dip, toen maakte hij er nog geen tien. Maar in die jaren werd hij ook geconfronteerd met een reeks opdrachten van portretten van derden en zal hij waarschijnlijk weinig zin hebben gehad om ook nog eens zichzelf in de spiegel te bekijken. Ná 1650, toen hij nog 19 jaar te leven had, schilderde en etste hij zichzelf zo'n 24 keer, meer dan één keer per jaar dus. Dat is een hoog gemiddelde voor een schilder die af en toe de gelegenheid wilde hebben om een statement over zichzelf af te leggen. De totale productie, afgezien van de historische taferelen waarop hij zichzelf listig als deelnemer van het groepsgebeuren heeft afgebeeld, loopt rond de tachtig. Dat gedeeld op de duur van het werkzame leven - dat zich tussen zijn 18de en zijn 69ste heeft afgespeeld, 51 jaar dus (zonder een painter's block er bij te betrekken, waarvan we trouwens weinig weet hebben) - levert een nog veel hoger gemiddelde op.

Ligt het dan voor de hand dat Rembrandt niet voor alle schilderijen en etsen een zelfstandig bestaan zag weggelegd? Hij zal, zo kun je denken, best wel eens een opzetje hebben gemaakt om zich blijvend in het vak geschoold te voelen. Maar het is de vraag of hij daar juist het zelfportret voor uitkoos. Er zijn studiebladen met een paar snelle schetsen bekend, bedoeld om het effect van een beweging, een handeling na te gaan, maar daar staan weer zo veel door- en uitgewerkte portretten tegenover, dat het heel onlogisch lijkt dat ook op dit punt het zelfportret als studiemateriaal moest dienen. En als een proeve van een onderdeel dat in andere, complexere schilderijen opgenomen kon worden, dienden de zelfportretten al helemaal niet. Ook daarvoor zijn ze te zeer uitgewerkt.

Het is het wezen van de kunstgeschiedenis dat ze op onbeantwoorde vragen zo graag een antwoord wil geven, zonder daarbij al te zeer naar het werk zelf te kijken. En juist bij Rembrandt zijn zijn intenties zo helder in het werk zelf terug te vinden. De weinig vleiende wijze waarop hij naar zichzelf keek, zegt zo veel over de maker dat juist daar een heel boek over geschreven had kunnen worden. Maar in de catalogus die bij de expositie in Den Haag is verschenen, rept niemand met een woord over het verouderingsproces waardoor de schilder tenslotte volledig (geestelijk) naakt tegenover de kijker kwam te staan. Geen woord ook over de bijna exhibitionistische wijze waarop hij goede èn slechte karaktertrekken breeduit neerzet. Je mag Rembrandt met dit grote aantal keren dat hij zichzelf afbeeldde, gerust een narcistische houding verwijten, maar het is wél een narcisme waar hij alleszins eerlijk onder bleef. Verliefd op zijn eigen beeltenis was hij zeker niet, ook al zag hij zichzelf in koninklijke kledij, in geromantiseerde situaties en te midden van torenhoog opgestapelde rijkdom, rijkdom waar hij zelf alleen van kon hebben gedromd. Het zien van die zelfportretten is voor de onbevangen kijker een tocht langs een leven waarvan de belangrijkste momenten op een hoogst ontroerende wijze zijn gemarkeerd. Misschien dat dat het enige streven is geweest waarom Rembrandt zich zelf zo vaak heeft afgebeeld.

Expositie 'Rembrandt zelf' in Het Mauritshuis in Den Haag t/m 9 januari; kaarten verkrijgbaar bij verkooppunten van Ticket Service Nederland, op de grotere postkantoren, bij de GWK-kantoren, via tel. 0900 300 1250 en via internet (www.theater.nl), alsmede bij diverse voorverkoopadressen. Het Mauritshuis adviseert om het bezoek vooraf te boeken. Daarbij wordt een tijdvak aangeboden: is men eenmaal binnen op de afgesproken tijd, dan kan men zo lang blijven als men wil.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden