Rellen in Frankrijk / Het lastige debat over de oorzaak

De Franse rellen komen niet alleen voort uit werkloosheid, slechte huisvesting en discriminatie. De houding van de ’woedende jongeren’ en de omvang van de immigratie spelen ook een rol.

De socioloog Laurent Mucchielli is momenteel een van de meest geciteerde kenners van de rellende jongens in de Franse banlieue. De voornaamste oorzaak van de onlusten, zegt Mucchielli, is de economische situatie. Die is slecht: sommige wijken klimmen in de statistieken naar een werkloosheid van 50, 60 procent of meer.

Discriminatie naar huidskleur en postcode voeden volgens Mucchielli ’permanent de gevoelens van onvrede, onrechtvaardigheid en uitsluiting’.

In ’Het Buitenhof’ zondag vertelde Mucchiellis in Amsterdam werkende collega Laurent Chambon hetzelfde verhaal: de brandende scholen en winkels zijn een schreeuw om hulp van vernederde tweederangsburgers. Van minister Nicolas Sarkozy krijgen ze ook nog eens een trap na, constateerde Chambon. „Die noemt hen gespuis, omdat hij zo president hoopt te worden. Dat voelen deze jongeren en dat pikken ze niet”. De ook aangeschoven Belg van Libanese origine Abou Jahjah, die popelt om „het feit dat Europese moslims sociaal-economisch buitenspel worden gezet politiek te vertalen”, gaf hem groot gelijk.

Ook gespreksleider Peter van Ingen was een en al begrip. Van Ingen stelde niet de vraag of het feit dat de werkloze jongeren massaal de school hebben verlaten zonder een diploma te halen wellicht een oorzaak van hun werkloosheid is. Hij stelde evenmin de vraag of die schooluitval ligt aan discriminatie of dat de jongens gewoon beter hun best moeten doen.

Door die vragen niet te stellen, liet Van Ingen het debat winnen door Karl Marx, volgens wie het maatschappelijk zijn het bewustzijn bepaalt. De oorzaak van de problemen is het ’systeem’ dat mensen een fatsoenlijk bestaan onthoudt. Bij op zich weldenkende Fransen is de vrije wil bezweken onder het gewicht van de onrechtvaardige structuren en zo zijn op zichzelf aardige jongens veranderd in wilde horden, zou luidt deze sociaal-economische, in wezen marxistische verklaring.

Die fixatie op sociaal onrecht als enige verklaring van de Franse rellen is waarschijnlijk ook de oorzaak van de merkwaardige stilte over de moord die plaatsvond op donderdag 27 oktober. Die dag, waarop tevens in Clichy-sous-Bois de rellen uitbraken, werd de 56-jarige Jean-Claude Irvoas gedood. Irvoas werkte voor een fabrikant van straatmeubilair. In een quartier sensible in de Parijse voorstad Epinay fotografeerde hij voor de catalogus van zijn werkgever een lantaarnpaal. Voor de ogen van vrouw en kinderen, die in de auto op hem wachtten, werd Irvoas in 90 seconden doodgeslagen omdat hij zich verzette tegen jongens die op zijn camera waren afgekomen.

De MRAP, een vereniging voor mensenrechten, sprak niet over dit slachtoffer. Wel veroordeelde de MRAP de ’uitzonderlijk ernstige miskleun van de politie’ nadat er een afgedwaalde traangasgranaat een moskee van Clichy-sous-Bois instuiterde. En ook moet er van deze organisatie snel duidelijkheid komen over de geëlektrocuteerde tieners Zyed en Bouna, wier dood in een elektriciteitshuisje de rellen uitlokte. Volgens onderzoek van justitie werden beide tieners overigens niet achterna gezeten door de politie.

De neiging van de MRAP om de rellende jongeren als slachtoffers te zien, is niet besteed aan Aziz Senni, een 29-jarige succesvolle ondernemer van Marokkaanse origine uit Mantes-la-Jolie. Van Senni, die een vervoersbedrijf heeft met 45 werknemers, verscheen twee weken voor de rellen een boek dat jonge banlieuesards aanmoedigt er de schouders onder te zetten. De titel: ’De sociale lift is stuk, ik nam de trap’ (L’ascenseur sociale est en panne...j’ai pris l’escalier). ,,Natuurlijk is het leven in de banlieue moeilijk’’, stelt Senni vast.

,,Maar de grootste barrières voor deze jongeren om iets van hun leven te maken zitten in hun hoofd”. Zijn ouders stimuleerden hem altijd hard te werken. Le goût du travail, de werklust, kregen hij en zijn vijf broertjes en zusjes met de paplepel ingegoten van een vader die bij de spoorwegen werkte.

Hij heeft nu de Jonge Ondernemers van de Mantois opgericht, een vereniging die starters helpt met het beginnen van een eigen bedrijf. ,,Er zijn hier genoeg slimme jongens. Maar ze zijn ervan overtuigd dat eigen baas zijn niet iets voor hen is.”

Maar Senni, met zijn aangepaste kleding waarmee hij in de maatschappij kan meedoen, is in de voorsteden niet het rolmodel. Integendeel, daar zijn de caïds, de bendeleiders, de rolmodellen, met hun getto-kleding en -uitspraak. Senni bezoekt ze soms in de gevangenis en houdt ze daar voor dat je met ondernemen ook geld kunt verdienen en ondertussen wel veel beter slaapt.

De weg van de energieke Senni is echter moeilijk, een succesgarantie bestaat niet en de bling bling van het dealersbestaan lokt onophoudelijk.

De theorieën van Mucchielli en Chambon, al vele jaren gemeengoed in media en politiek, helpen ondertussen het geweten van de ontspoorde jongeren te ontlasten. Want wat voor keuze heeft iemand die, in de woorden van de Britse schrijver-arts Theodore Dalrymple, ’opgroeit in een legbatterij voor criminelen’?

De klacht over de enorme flatgebouwen, die in sommige gevallen door zevenduizend mensen of meer worden bewoond, klinkt alom. Onbedoeld schiepen architecten die de opdracht kregen snel en goedkoop te bouwen de voorwaarden voor het ontstaan van een anti-maatschappij.

Hier en daar worden de grootste blokkendozen (onder meer in La Courneuve en Nancy) opgeblazen om plaats te maken voor woningen op een menselijker schaal, maar er staan er nog genoeg overeind.

Toch gelooft niet iedereen dat het alleen aan de flats ligt, aan de omstandigheden. Lucienne Bui Trong, voormalig chef ’steden en voorsteden’ van de inlichtingendienst DCRG, formuleert het zo: ,,Het idee dat sociale problemen een excuus zijn voor crimineel gedrag domineert. Wie begint over normverval verdwijnt in de politiek incorrecte hoek. En de politie speelt de rol van nationale pispaal.”

Er is nog een ander aspect dat nauwelijks aandacht krijgt in beschouwingen over de rellen: het tempo en de omvang van de immigratie in Frankrijk. Dit terrein wordt nu in het Franse debat geheel overgelaten aan het Front National van Jean-Marie Le Pen. Aangezien die man de holocaust een detail in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog heeft genoemd, wordt hij gemeden.

De omvang van de immigratie, nu zijn exclusieve stokpaard, speelt echter wel degelijk een rol in het ontstaan van de problemen. De capaciteit van Frankrijk om nieuwkomers op te nemen wordt flink op de proef gesteld sinds in 1974 groen licht werd gegeven voor gezinshereniging.

Frankrijk telt op een bevolking van ruim zestig miljoen inwoners nu zo’n acht à negen miljoen immigranten uit Noord- en West-Afrika, twee keer zoveel als dertig jaar geleden. Tussen 1994 en 2002 is het aantal nieuwkomers dat zich jaarlijks in Frankrijk vestigt, bijna verdubbeld: van 119000 tot 205000.

,,Gebeurt er niets om de illegale en de reguliere stroom in te dammen’’, zo waarschuwt de commentator van Le Figaro, ,,dan steken over vijftien jaar de kinderen van de immigranten die vandaag arriveren ’de wijken’ in brand.”

Wat zei Nicolas Sarkozy precies en wat was de context?

Zijn sterke teksten keren zich momenteel tegen minister van binnenlandse zaken Nicolas Sarkozy. Sommige relschoppers beweren dat de jeugd in de voorsteden door Sarkozy is beledigd en daarom nu reageert. De woorden waarmee zij hem citeren, sprak Sarkozy echter altijd als het ging om ’de minderheid van criminelen’. Die context wordt in de huidige opwinding niet meer gezien, de harde woorden leiden inmiddels een eigen leven, los van de context waarin ze ooit zijn gezegd.

„We gaan deze buurt schoonmaken met de hogedrukspuit.” (20 juni 2005)

Sidi Achmed stond op vaderdag de auto van zijn ouders te wassen op de stoep voor zijn flat in La Courneuve. Hij werd in de borst getroffen door een kogel waarmee een dealer een concurrent had willen treffen. Sarkozy bezocht de buurt en beloofde een vrouw die hem aanschoot over de onveiligheid dat hij de buurt zou schoonmaken. Als het moet met de hogedrukspuit.

„Dit wordt een oorlog zonder genade” (19 oktober 2005)

Sarkozy spreekt politiechefs toe en zegt dat hij genoeg heeft van de brandende auto’s, het rondhangen in flatportieken en de ondergrondse economie in de probleemwijken. ,,Ik hoop dat u trek heeft”, zegt hij tegen hen. „Zo niet, dan kunt u beter iets anders gaan doen... Dit wordt een oorlog zonder genade.”

„Wij zullen u van dat gespuis afhelpen.” (25 oktober 2005)

Sarkozy bezoekt Grande Dalle, een wijk in Argenteuil bij Parijs, twee dagen voor het begin van de rellen. Hij wordt uitgejouwd en bedreigd. Wederom kondigt hij aan de voorsteden te verlossen van ,,de georganiseerde misdaad, omdat de bewoners van deze buurten net zo goed recht hebben op veiligheid als andere Fransen”. Op deze avond gebruikt hij voor het eerst het woord ’racaille’, gespuis. „Wij zullen u ervan afhelpen”, zegt hij tegen een vrouw op een balkon.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden