Religie tussen servet en tafellaken

'Religie gaat helemaal niet over god of goden. Religie gaat over de grote levenskrachten, dus over liefde, haat, jaloezie, wraak, scheiding en binding, schuld en schaamte, agressie en mededogen.' De theoloog Matthias Smalbrugge relativeert de eeuwige mantra over de scheiding van kerk en staat, kritiseert de moraal als de grote leugen die ons voorhoudt dat liefde eeuwig is, en stelt dat geloof geen privé-zaak is - in een tijd waarin het oude christendom passé is, de islam in vliegende vaart opkomt - met andere tafelmanieren - en tenslotte is er, zegt men, steeds meer belangstelling voor spiritualiteit. Aan tafel!

door Matthias Smalbrugge

Denk even aan de geschiedenis van de tafelmanieren als beschreven door Elias in zijn Over het proces van civilisatie. Waar veeg je eind 15de eeuw je handen aan af? Vaak nog gewoon aan het tafellaken. Hoe snuit je je neus? In een servet. Wat doe je met een opscheplepel? Afvegen aan het servet en weer terugzetten. Tafellaken, servet en zakdoek, ze lopen nog volstrekt door elkaar heen en een duidelijke afgrenzing komt pas op aan het begin van de 16de eeuw. Dan pas wordt het tafellaken het kunstig bewerkte grote kleed waarop servies, zilver en schalen uitgestald worden. Dan pas wordt het servet zo langzamerhand de doek waarmee je louter af en toe de lippen dept. Zo gaat het proces van civilisatie, het is een kwestie van zelfregulering en die zelfregulering maakt weer de stijl uit van een bepaalde groep die aldus zijn omvang, macht en codes duidelijk kan afgrenzen. En naarmate de groep zich anders profileert, zullen de manieren veranderen. Zo simpel ligt het: andere tijden, andere manieren.

Die geschiedenis van de tafelmanieren valt gemakkelijk te vergelijken met de lotgevallen van de institutionele christelijke religie. Want die was tot voor kort het denkbeeldige tafellaken waar men het hele leven op kon uitstallen en waar de dekschalen rijkelijk gevuld waren met verhalen over liefde, moraal, twist en verlangen, nu is dat grote rijk versierde laken de weer de omgekeerde weg gegaan en is het opnieuw het doek geworden waar men zijn vingers aan afveegt of de neus in snuit: de institutionele religie is passé. Soms is zij zelfs nog verder gekrompen en is ze niet veel meer dan een pochet, het lefdoekje dat dient als decoratie bij huwelijk, doop en begrafenis. Een omgekeerde civilisatie. Want inderdaad, onze manieren zijn veranderd en de macht is eveneens verschoven. Bij de huidige zelfregulering - althans wat er van over is - speelt religie geen rol meer. Andere tijden, andere manieren.

Hoe zagen die vroegere tafels er uit? Een prachtig voorbeeld is de Allegorie van de Smaak van Jan Brueghel uit 1618 (Prado, Madrid). Aan het hoofd van een schitterend gedekte tafel met een smetteloos wit kleed nipt vrouwe Smaak van wijn in fonkelende gouden tazza, ingeschonken door een satyr. Op de tafel verder veel wild, vruchten en schelpdieren. Op de voorgrond nog meer wild dat ligt te besterven. Een vrolijk tafereel, maar andere tonen zijn niet afwezig. De Smaak proeft alles, maar smaken zijn bedrieglijk. Al die dode dieren roepen je in zekere zin toe dat het leven draait om eten of gegeten worden, om geboren worden en sterven. Een wonderlijk mengsel van carpe diem (pluk de dag) en memento mori (bedenk dat je eens zult sterven). Bovendien heeft het proeven iets diabolisch, aangezien alle proeven de onschuld voorbij is sinds Eva van de verboden vrucht proefde. Dus weliswaar zie je een mooie vrouw met een satyr aan tafel, maar tegelijkertijd zie je de geschiedenis van Eva en haar verleider, de slang. Het zinnespel is tevens vragen naar de zin van het levensspel. Aan de muur hangen bovendien weer andere schilderijen, als om duidelijk te maken dat elk beeld weer verwijst naar een ander beeld en dat de waarheid moeilijk te fixeren valt. Kortom, een lust voor het oog en iedereen kan er net zoveel betekenissen aan geven als hij wil. Inclusief de religieuze.

Of neem de latere stillevens van Heda en Kalf. Prachtige nautilusbekers, oesters, citroenen, wijn, wat noten en kaas. Blinken en verzinken, zuur naast zoet. Genieten is ook beseffen dat alles tijdelijk is en dat er een grote vergeefsheid in alle schoonheid schuilt. In die zin zijn die latere schilderijen in nog directere zin religieus dan het tableau van Brueghel. Een verwijzing naar religie is niet meer nodig omdat het thema, blinken en verzinken, op hun schilderijen zelf religieus is. Maar bij beiden is religie intensief verweven met schoonheid.

En valt de huidige tentoonstelling over Rembrandt en Caravaggio te zien zonder de religieuze achtergrond mee te wegen? Nee natuurlijk. Maar die interesseert ons niet meer. In welk verhaal je door de Emmaüsgangers van Caravaggio wordt getrokken, het doet er niet toe. Wat er gebeurt aan die prachtig gedekte tafel? Geen flauw idee, want dit soort tafeltaferelen wordt niet meer gemaakt. Het tafellaken is gekrompen en bijna verdwenen.

Religie als privé-kwestie

Een tafellaken dat gekrompen is tot een miniem servet en dat allang niets meer met macht te maken heeft. Moet je daarom concluderen dat je ook niet meer hoeft na te denken over religie en over de institutionele vorm ervan? Dat is voorbarig, gezien een drievoudige ontwikkeling die zich voordoet. Ten eerste verbrokkelt het institutionele christendom in hoog tempo. Ten tweede komt de islam in vliegende vaart op (met andere tafelmanieren) en tenslotte is er, zegt men, steeds meer sprake van grote belangstelling voor spiritualiteit. Drie zeer verschillende zaken die ieder voor zich kleine aardverschuivingen zijn.

Toch komen we in het denken over al die religieuze fenomenen niet veel verder dan het herhalen van de eeuwige mantra over de scheiding van kerk en staat. Versta: zolang het maar een privé-zaak blijft, zal het ons worst zijn wat de ontwikkelingen op het gebied van religie zijn. Dat is de kern van onze interpretatie van de scheiding van kerk en staat. Kerken hebben hun langste tijd gehad, maar we denken nog steeds dat die achteruitgang een verlossing is uit de lijdensgeschiedenis van ons bekrompen calvinistisch verleden à la Maarten 't Hart. Nog steeds hebben we behoefte aan een radicaal afscheid van onze geschiedenis.

Significant mag de manier heten waarop de SGP werd gedwongen om vrouwen toe te laten tot haar gelederen. Dat was niet omdat wij allemaal zo graag wilden stemmen op vrouwen van die partij, maar omdat we de verlossing uit het enge universum van het calvinistische verleden geheel wilden voltooien. Dan de islam. De WRR heeft het nog eens netjes aangegeven: hoe meer contact, ook met de radicalen, des te sneller die religie zich vanzelf zal ontwikkelen tot keurig aangepast corpus naar westers model. Dus in dit geval liever geen processen van de Stichting Clara Wichmann als bij de SGP over de rechten van vrouwen. Versta: ook de islam zal vanzelf begrijpen dat religie een pure privé-kwestie is, vergelijkbaar met de keuze voor dit of dat gerecht in de supermarkt. Niet beter dan andere producten. En als het eenmaal zo ver is, dan gaat dat product dezelfde weg als de kerk en verdwijnt het als apart corpus.

Tenslotte de nieuwe belangstelling voor spiritualiteit. Vinden we prachtig en natuurlijk, zelf geloven we ook best in 'iets'. Maar het gaat daar natuurlijk wel om een privé-kwestie en dat moet zo blijven. De Jan Oegema's van deze wereld.

Grootste gemene deler in onze houding tegenover deze drie ontwikkelingen? De mantra van het belang van de scheiding van kerk en staat. Een scheiding, nogmaals, die vooral wordt geïnterpreteerd als omschrijving van religie als een pure persoonlijke kwestie. We hebben het over de scheiding kerk en staat, maar we bedoelen dat religie een privé-kwestie is. Religie is teruggebracht tot het niveau van een zakdoek, veilig opgeborgen in de broekzak en hooguit van pas komend bij verkoudheid op de levensweg, dan wel bij een moment van zeldzame ontroering.

Intellectuele luiheid

Hoe je het ook wendt of keert, dat is verregaand te weinig. Religie is een belangrijk fenomeen en het is een kwestie van intellectuele luiheid ons tevreden te willen stellen met het herhalen van de uit-spraak dat religie een privé-kwestie is. Dat is geen denken. Dat is het nieuwe seculiere bidden: hopen dat het zo blijft terwijl je weet dat de kans daarop gering is. Want die drievoudige ontwikkeling speelt zich niet in een vacuüm af. Nee, die speelt zich af in een tijd waarin ons continent een behoorlijke crisis doormaakt. Het is volstrekt helder dat Europa zijn huidige verzorgingsstaat niet zal kunnen handhaven en dat de hervorming, maar ook het nalaten daarvan, de samenleving onder grote druk zal zetten. Bij hervorming of afbouw van die verzorgingsstaat, zullen de tegenstellingen niet kleiner maar groter worden. Arm zal armer worden, rijk rijker, zodanig dat het moeilijk zal blijken de opkomst van een onderklasse te keren. Wordt daarentegen de weg van het afbouwen van de verzorgingsstaat niet ingeslagen en blijft Europa definitief achter in de mondiale concurrentieslag op economisch en wetenschappelijk gebied, dan is er een gerede kans dat we straks als het oude Ottomaanse rijk eindigen: fraaie cultuur, maar geen economische, intellectuele en militaire macht om die cultuur en samenleving nieuw élan te geven. Ook dan, juist omdat industrie en wetenschap naar elders zullen verdwijnen, zal de kloof tussen haves en have-nots alleen maar groter worden.

Ziedaar de tragiek: zowel wanneer de verzorgingsstaat wordt hervormd als wanneer dat wordt nagelaten, de tegenstellingen tussen arm en rijk zullen sowieso toenemen. Hoe reageren dan islam en christendom? De islam staat intern onder grote druk en zal steeds vaker worden gebruikt als vluchthaven voor verbitterden en kanslozen. Welke kant gaat zij uit: antiwesters sentiment cultiveren op vele vlakken? Of 'gewoon' een geloofsrichting worden temidden van alle anderen? Je moet hopen dat er voldoende krachten zijn om dat antiwesters sentiment te keren, dat er voldoende interne hervorming plaatsvindt, maar het is zeer de vraag of je daarbij louter een afwachtende houding moet innemen. Hoe privé is religie?

Dan het christendom. Naar zijn traditie tracht het christendom vooral met charitatieve activiteiten de scherpe kanten van die tegenstellingen weg te nemen. Vanaf de steun die de kerk in 250 al in Rome aan weduwen verleende tot en met het beroemde brood van Mgr. Muskens of de reeks verklaringen van de Raad van Kerken. Christelijke kerken kozen voor de 'verdrukten' want dat was de opdracht van de Bijbel.

Maar ook op dit vlak is de vraag naar de rol van religie veel scherper dan we ons wellicht hebben willen realiseren. Is het echt de opdracht van het institutionele christendom (of wat daarvan nog over is) om ons te scharen aan de zijde van de zwakken? In een tijd waarin massaficatie en mediatisering ons beroven van elk gevoel van uniciteit en intimiteit? Toegegeven, dat zijn ontwikkelingen die al veel langer aan de gang zijn, maar die wel steeds meer het bestaan verplatten en elk aspect, tot en met sterven en geboren worden, vulgariseren (jongeren met een dodelijke ziekte bij BNN; de vader die de bevalling op video vastlegt want in zijn hart kan hij geen beelden meer bewaren). Temidden van zo'n lange termijn-ontwikkeling richting populisme en vulgariteit, wordt het dan voor kerken geen tijd de woorden van Bonhoeffer in gedachten te houden, die in 1943 schreef: 'In andere tijden mag het de zaak van het christendom geweest zijn voor gelijkheid tussen mensen op te komen, vandaag zal juist het christendom zich met overtuiging inzetten voor het respecteren van menselijke distantie en menselijke kwaliteit. De misvatting dat dit egoïstisch zou zijn, de goedkope verdachtmaking dat het hier om een asociale mentaliteit zou gaan, moet daarbij - zonder ons van de zaak af te leiden - op de koop toe worden genomen. Dat zijn de eeuwige verwijten van het gepeupel. Wie hier week en onzeker wordt, begrijpt niet waar het om gaat en wordt vermoedelijk niet onterecht door genoemde verwijten getroffen.'

Wat is dus, in een tijd waarin religie in menig debat het voornaamste element is maar de christelijke vorm institutioneel op instorten staat, de rol van religie in onze samenleving? Dat is een vraag die zowel buitenstaanders en insiders moeten willen beantwoorden. Het belang van religie, christendom en geloof, is te groot om alleen aan gelovigen over te laten. Is het model van het tafellaken inderdaad achterhaald? Zo ja, waar dekken we dan nu onze tafels op? Drie elementen derhalve om dat denken weer aan de gang te brengen. Ten eerste het onderwerp van religie. Ten tweede het vacuüm van de moraal. Ten derde de verwoording en verbeelding van religie.

Religie gaat niet over god

Waar gaat religie eigenlijk om? Vraag het aan een christen of moslim, redelijke kans dat die een gelijksoortig antwoord zullen geven. Religie gaat over God en diens bemoeienis met de mens. Over het hoe en wat van die God kun je verschillen, maar dat hij het onderwerp is van deze twee grote religies, dat lijkt een veilige aanname. Hooguit zal de zoekende moderne westerse geest dat willen nuanceren en God willen omschrijven als 'energie', 'bron' of 'kennis'.

Maar. religie gaat helemaal niet over god of goden. Religie gaat over de grote levenskrachten. Dus over liefde, haat, jaloezie, wraak, scheiding en binding, schuld en schaamte, agressie en mededogen. Zouden we ons dat realiseren, dan zouden we ook niet zo verbaasd zijn over het feit dat juist in een kerk mensen elkaar zo keihard en bitter kunnen bejegenen. Hoe kan dat nu, verzuchten we dan, ze geloven toch allemaal in die ene God? Ja, ongetwijfeld. Maar daar gaat het niet om en de investering van gelovigen in hun kerk vindt vaak ook helemaal niet plaats op het vlak van godsvoorstellingen of iets dergelijks. Nee, mensen investeren in aanzien, in het spelen van een rol, in het verkrijgen van waardering. Dus ze investeren in liefde, haat, principes (die vaak vormen van angst zijn), agressie en mededogen. En als ze die investering er niet uit krijgen, dan worden ze vaak heel boos. Dus het eerste dat je je moet realiseren is dat religie een verkapte manier is om met krachten om te gaan die je anders niet kunt hanteren.

Maar het gaat niet over god of goden. Anders gezegd, aan tafel gaat het niet om het tafelkleed, maar om de gerechten. Het kleed moet er toe dienen de gerechten en schalen goed uit te laten komen. In die zin is het kleed dus niet onbelangrijk, want schalen en gerechten kunnen helemaal wegvallen tegen hun achtergrond of er juist door oplichten. Naarmate religie beter in staat is die krachten te tonen zonder ze te verstoppen in allerlei godsbeelden, zal ze ook beter in staat zijn de 'menselijke distantie en menselijke kwaliteit' waar Bonhoeffer het over heeft, vorm te geven. Want inderdaad, hoe blijf je in een tijd van massaficatie nog een individu, hoe leer je te staan op een eigen plek? Alleen door het godsbeeld te zien als een bijzondere focus op de grote krachten van het bestaan. Zoals de traditie zei: jouw eigen plek wordt pas specifiek de jouwe voor Gods aangezicht. Dat is de vraag waar het om gaat. Kloven dichten in een maatschappij is geen kwestie van nog meer charitas, nog meer naastenliefde, maar van een nieuw vermogen tot vormgeven van identiteit.

Gerechten op een tafel smaken je of smaken je niet. Jaloezie kan voor de een onverteerbaar zijn, voor de ander een geheime drijfveer. De wijn van het verlangen kun je bitter vinden, maar ook uiterst zoet en verleidelijk. Wraak kan een soort peper zijn die je in milde vorm niet hoeft te schuwen. Schaamte is als de citroen die puur en zuur druppelt op de oesters van het verlangen. Lekker? Kwestie van proeven. Maar niemand kan je op voorhand vertellen of iets smaken zal of niet. Er is geen algemeen geldende regel: gij zult oesters alleen maar eten met citroen. Versta: gij zult alleen verlangen ten koste van schaamte. Nee, het is een kwestie van individuele smaak en moraal hoort dus in eerste instantie niet bij de omgang met levenskrachten. Vervelend, maar waar. Je zit aan tafel en speelt het spel der smaken en kijkt wat je bevalt. Zo ongeveer als in de recente roman Speeldrift van Julie Zeh, waar twee middelbare scholieren alle grenzen verleggen, intellectueel en moreel, want het enige dat telt is hun eigen smaak en oordeel. Gesteld bijvoorbeeld dat iedereen zich op de schalen met wraak en verlangen stort en die leeg schept, dan wordt het natuurlijk wat ongemakkelijk aan tafel, maar religie is daar geen oplossing voor.

Moraal is niet veel meer dan de onderlinge afspraak niet teveel het zout der wraak aan tafel te gebruiken, maar een intrinsieke reden voor die afspraak is er niet. Aan tafel zijn niet vanzelfsprekend waarden en normen aanwezig; er zijn slechts schalen, schoonheid en smaken. Er is dus geen vanzelfsprekende grond voor de moraal en in die zin is de moraal leeg. Moraal kan je geen identiteit geven. Die ligt helaas op het vlak van de smaak en dat vinden wij maar moeilijk te verteren. Onze smaak en ons verlangen bepalen wie we zijn; niet de regels om smaak en verlangen te reguleren. Natuurlijk zagen we het liever omgekeerd, dat moraal, zedelijk handelen, onze identiteit vormde, maar dat is niet zo. Moraal is een saus die suggereert dat het leven dit of dat karakter heeft, dat bepaalde schalen nooit leegraken (altijd je naaste liefhebben) en dat er dus een verborgen eeuwigheid in het bestaan schuilt. Wederom, dat is niet zo. Op een gegeven moment is de schaal leeg, zelfs als hij liefde bevatte. Moraal is niet alleen een saus, het is de grote leugen die ons voorhoudt dat liefde eeuwig is. Wat zij niet is. De liefde is tijdelijk, smaken verschillen en liefde is een va-et-vient. Moraal wil dat verhullen, maar wie goed naar de tafel kijkt, ziet dat het niet klopt. De oester ligt naast de citroen en de vergeefsheid van het leven smaakt zilt en zuur.

Er bestaat geen moraal die kan aantonen dat bepaalde leefregels a priori zinvol zijn, dat het leven een zin moet hebben, dat waarden als respect, naastenliefde, eerlijkheid, met het leven gegeven zijn. Er bestaat zelfs geen regel die a priori stelt dat je het oestermes niet in je buurman mag steken als hij jouw oester op eet. Denk aan David die de man van Bathseba liet vermoorden, denk aan Medea die haar kinderen vermoordde. Heel jammer, maar het verbod te moorden is een praktische afspraak om de tafel een beetje gezellig te houden. Maar er is niet a priori een onderliggend besef over de waarde van het leven, want smaak en schoonheid gaan daar niet over.

Moeten we ons daarbij neerleggen? Misschien niet. Liever niet zelfs. Maar dan moet een moraal wel heel zorgvuldig geweven worden aan de hand van verhalen over de inhoud van die schalen. En dat grote weefsel van die verhalen, dat tafelkleed waar we niet meer aan willen, dat is geen privé aan-gelegenheid.

Religie als verbeelding van levenskrachten

Als religie inderdaad in eerste instantie over de levenskrachten gaat, dan moeten die verbeeld en verwoord worden. Er moet een tafellaken zijn dat de schalen goed laat uitkomen. Noem dat laken het weefsel van de grote verhalen en constateer dan tegelijkertijd dat de kwaliteit van verhalen nogal uiteen loopt. Het doet er dus nogal wat toe welk tafellaken je kiest. In onze eigen traditie is de kwaliteit van de verhalen uit het Oude Testament veel beter, door de bank genomen, dan die van het Nieuwe Testament. Dat laatste wint pas aan kracht als het in samenhang wordt gezien met het Oude Testament.

Die verhalen zijn nooit eenduidig. Ze kunnen je confronteren met schoonheid, bijvoorbeeld in de gestalte van Delilah, die het zusje is zowel van de waarheid als van de leugen. Delilah bedriegt, zeker; ze is een leugenaar. Maar de diepste wens van Simsom is anderzijds nu juist ook om gebonden te worden, dus ze volvoert naar waarheid zijn verlangen. Eenduidige verhalen daarentegen halen niet de verschillende krachten naar boven, maar onderdrukken die aan de hand van een bepaald godsbeeld. God is dan niet meer het focus op de levenskrachten, maar de eeuwige censor.

Welnu, een heel corpus verhalen wordt alleen maar door religies aangedragen en als je bedenkt welke verhalen geschikt zijn om zowel het spel der levenskrachten te spelen als ook het te begrenzen, dan is de keuze van zo'n verhalencorpus, zo'n religie, niet onbelangrijk. Dat is dan geen louter privé-zaak meer, maar een aangelegenheid van een hele samenleving. Je kunt barmhartigheid en charitas belangrijk vinden, maar dan zul je toch verhalen nodig hebben die én over hebzucht spreken én over de grens daaraan. Dan pas kun je een geloofwaardige moraal bouwen waar een samenleving iets aan heeft.

Wil je een nieuwe publieke moraal tot stand brengen, dan hoort daar een weefsel van verhalen, van een religie, bij waar je je als samenleving in kunt vinden. Anders gezegd, de staat kan niet onverschillig blijven ten opzichte van de inhoud van religies. En laten we nu niet doen alsof het niet reeds in allerlei vormen voorkomt. De staat bemoeit zich wel degelijk met religie, zelfs met de inhoud en dat is terecht. Voorbeeld. Giften aan kerkelijke instellingen zijn fiscaal aftrekbaar en daarmee wordt impliciet een oordeel gegeven over die instellingen. Zou dat oordeel negatief zijn, dan kun je je de aftrekbaarheid ook niet voorstellen. Maar wees dan ook zo helder door toe te geven dat zo'n oordeel noodzakelijk is. Dus dat je je op elk moment een oordeel wenst te vormen over de inhoud van dit of dat geloof. Want, zo citeert Leen Dorsman, in Is 't waar of niet? (Zoetermeer, 2005), het pamflet Scheiding van Kerk en Staat van de 19de-eeuwse theoloog Opzoomer: 'Op zijn eigen terrein laten verkondigen, dat zijn groote door eeuwenlangen strijd verkregen beginselen, van gewetensvrijheid, van verdraagzaamheid, niets dan verfoeielijke en goddeloze dwalingen zijn, het zou een even dwaas toegeven van den staat zijn, als wanneer hij gedoogde dat aan zijn gevangenen ontvluchting als rechtmatig zelfbehoud werd voorgesteld.'

Anders gezegd, de culturele verpakking van religie is essentieel. Een tafellaken is niet onbelangrijk en het terugbrengen van zo'n laken tot een servet of zakdoek, is verlies van civilisatie. En dan gaat het er niet om deze of gene religie af te doen, maar wel te pleiten voor een relativering van de scheiding kerk en staat, juist om het denken over religie weer tot meer te maken dan een particuliere hobby.

Want gesteld dat Bonhoeffer gelijk heeft, dan bereiken wij met ons gelijkheidsstreven alleen maar dat we steeds meer mensen zonder eigenschappen worden. Wordt het dan niet tijd ons te realiseren dat juist de weg naar authenticiteit, naar ware persoonlijkheid, naar innerlijke kleur en kracht, het geheim en de taak is van religie? Want alleen binnen het kader van religie ontstaat een gezonde band tussen individualiteit (jouw eigen plaats voor Gods aangezicht) en gemeenschap (de moraal). Het lukt je niet de moordzucht in het oestermes, de ziltheid van het verlangen, het egoïsme van het ongemanierd hangen over het eigen bord te transformeren tot creativiteit en verbondenheid zonder een bundel religieuze verhalen. Verhalen die juist daarom vaak tafelverhalen zijn. Of het nu gaat om Jezus, Abraham met zijn engelen of Ruth.

Niet voor niets schildert Brueghel aan de muur tegenover zijn Vrouwe Smaak een klein schilderij van de bruiloft te Kana. Dat is een van die verhalen van het tafelkleed. Want je hebt aan tafel een schitterend, geraffineerd geweven laken nodig van verhalen die de schalen en het zilver duiden en transformeren. Wat niet inhoudt dat iedereen nu maar gelovige moet worden. Wel dat we ons niet tevreden kunnen stellen met de loze opmerking dat geloof een privé-zaak is. Dat is het nooit. Tenzij we ophouden met denken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden