Interview

Religie is in China terug van nooit weggeweest

Mao als de rijzende zon. De Chinese Communistische Partij bedient zich vaker van aan religie ontleende symboliek.  Beeld RV
Mao als de rijzende zon. De Chinese Communistische Partij bedient zich vaker van aan religie ontleende symboliek.Beeld RV

De Amerikaanse journalist Ian Johnson volgde een jaar lang drie religieuze gemeenschappen in China. Taoïsme, boeddhisme en christendom bloeien weer. Maar binnen welke marges?

Ruim twee millennia lang was de Chinese samenleving doordesemd van religie - aan het keizerlijke hof net zo goed als in de dorpen. Geestelijken verschaften goddelijke legitimiteit aan de keizer, die werd bijgestaan door een elite geschoold in de leer van de als een god vereerde Confucius. Gelovigen in dorpstempels en thuis baden op het ritme van de religieuze kalender tot de god van hun dorp, of van hun beroep of noem maar op.

Partijleider Mao draaide in de jaren zestig dit rijke religieuze leven de nek om. Vrijwel alle tempels werden verwoest, priesters vermoord. Mao’s partij is nog altijd aan de macht, en eist nog steeds van haar leden dat ze atheïst zijn. Nieuws over religie in China gaat steeds over onderdrukking - Tibetaanse boeddhisten, Oeigoerse moslims en protestanten hebben het zwaar te verduren.

Maar China kent ook een religieuze opleving. De afgelopen 25 jaar zijn duizenden tempels herbouwd. En het christendom bloeit. Statistieken over dit gevoelige thema zijn zeer onbetrouwbaar, maar ruwweg een derde van de volwassen Chinezen noemt zich gelovig (zie blz. 12). Vermoedelijk bidt de helft van de bevolking weleens in een tempel, tot een hele rits van boeddhistische en taoïstische goden en heiligen. Die mengvorm, meestal ‘volksreligie’ genoemd, is de dominante religie in het grootste deel van China.

Hoe en wat Chinese gelovigen geloven, vaak tegen de klippen op, is te lezen in het boek ‘The Souls of China, the Return of Religion after Mao’ van de Amerikaans-Canadese journalist Ian Johnson. Hij observeerde een jaar lang een groep taoïstische begrafenisverzorgers, een genootschap van ondergrondse protestanten, en organisatoren van een boeddhistisch pelgrimfestival.

Mao was niet de eerste tempelverwoester, maar zoveelste. ‘Hervormers’ hadden in de eeuw vóór Mao al talloze tempels vernield of per opbod verkocht. Die hervormers waren vaak christelijk geïnspireerd, toch?

“Niet direct. Ook de confucianistische elite wilde de volksreligie reguleren. Maar indirect waren hervormers in de negentiende en twintigste eeuw beïnvloed door het christendom, met zijn vastomlijnde normen over ‘geloof’ en ‘bijgeloof’ - termen die vanuit het Westen via Japan in het Chinese idioom kwamen overgewaaid. Die hervormers wilden tempels ombouwen tot scholen. Ze beschouwden volksreligie als bijgeloof, en een sociaal probleem net als gokken, opium en voetbinden, een probleem dat China achterlijk hield en moest worden opgelost. Mao paste dus in een allang bestaande tendens.”

We weten hoeveel tempels Mao liet verwoesten en hoeveel priesters zijn vermoord. Wat weten we over de culturele schade: het verlies van de sociale structuur waarin tempels centraal stonden, de verloren religieuze kennis?

“Dat non-materiële verlies is heel belangrijk. De groep taoistische priester-muzikanten die ik heb gevolgd, kan nog maar een derde van de liederen en rituelen uitvoeren die ooit hebben bestaan. Die versimpeling van rituelen is heel dramatisch in China, maar bedenk dat ook elders zoiets is gebeurd, ook in het christendom: kortere diensten, minder gerelateerd aan religieuze hoogtijdagen. De moderne wereld biedt nu eenmaal minder ruimte voor het rituele leven.

“In China is een generatie priesters uitgevallen. Hun kennis werd vaak doorgegeven van vader op zoon. Aangezien het strikt communistische tijdperk maar dertig jaar duurde, van 1949 tot eind jaren zeventig, kon een priester die in 1949 30 jaar was, later nog jongeren opleiden. In de groep die ik beschrijf, geeft een grootvader zijn kennis door aan zijn kleinzoon; diens vader kon nooit de instrumenten leren bespelen. Tegenwoordig kun je weer een priesteropleiding volgen bij een meester in een tempel of opleidingsinstituut, maar het zal wel minder intensief zijn dan vroeger.”

Speelden Chinese gemeenschappen buiten China een rol in het bewaren en de overdracht van religieuze kennis?

“Ja, vooral in de jaren tachtig en negentig. Toen kwamen, in het kielzog van zakenlui uit Taiwan, Hongkong en Singapore ritueelspecialisten naar China. Vaak gingen ze naar de tempel van hun voorvaders, ze gaven geld om die te herbouwen, en cassettebandjes met opnamen en boeken.”

In uw boek trekt u parallellen tussen religieuze en communistische uitingen: de Grote Hal van het Volk heeft veel weg van een tempel, de volkscongressen van religieuze diensten. Zijn die parallellen alleen maar buitenkant?

“Nee, die zijn heel reëel. Zogenaamd kwam in 1949 een Nieuw China, dat brak met het verleden. Maar Mao en alle oprichters van dat Nieuwe China zijn opgegroeid in het keizerlijke China, en onderwezen met traditionele boeken. Mao zag zich als een soort keizer en gedroeg zich ook zo.”

In uw boek vraagt de oprichter van een boeddhistische pelgrimsvereniging u: ‘Wilt u schrijven over het geloof, of over manieren om geld te verdienen?’ Heeft de commercie religie in de greep?

“Ja dat is een enorm probleem, vinden veel religieuze gemeenschappen zelf. De grote tempels van de traditionele religies bezaten vroeger land. Dat verhuurden ze, of ze hadden er theeplantages op. Maar ze zijn in de vijftiger jaren onteigend, en bekostigen nu het onderhoud en de salarissen van hun priesters en andere werknemers door toegangsgeld te vragen. Lokale overheden dopen tempels om tot toeristenparken, met relatief hoge entreeprijzen, waardoor arme mensen er niet kunnen komen.”

Zet de overheid tempels ook in als politieke instrumenten?

“Ja, in veel tempels worden bijvoorbeeld partijleuzen opgehangen. En politici steunen tempels financieel, om zo hun eigen macht te legitimeren. President Xi doet hetzelfde als Poetin in Rusland: hij profileert zich als de verdediger van traditionele waarden.

“Veel mensen vinden dat die waarden in het verleden om zeep zijn geholpen. Daarom steunt het bewind nu zaken die vroeger verboden waren; het verleent bijvoorbeeld aan pelgrimstochten de officiële status van ‘onvervreemdbare cultureel erfgoed’.”

Poetin kan zich vertonen in kerken, Xi niet in een tempel.

“Dat is waar, als lid van een atheïstische partij kan hij niet gaan bidden in een tempel, maar hij denkt dat hij de traditionele religies kan gebruiken. Taoïsme en boeddhisme vormen volgens hem geen bedreiging voor de staat - met uitzondering van het Tibetaanse boeddhisme, wegens de kwestie van de dalai lama en de politieke situatie in Tibet. En tegenover islam en het christendom staat hij veel vijandiger.”

Ian Johnson door Sim Chi Yin Beeld RV
Ian Johnson door Sim Chi YinBeeld RV

De partij verbiedt haar leden religiositeit. Zegt ze daarmee: ‘Voor gewone mensen is het ok, maar wij op de Olympus weten wel beter’?

“Ja, zoiets. Als partijlid moet je geloven in de partij-idealen: onbaatzuchtigheid, werken voor de natie en zo. Vast en zeker zijn er partijleden die wel gelovig zijn. Je hoeft geen cynicus te zijn om te bedenken dat de partij juist daarom haar leden maar blijft waarschuwen dat ze atheïst moeten zijn.”

U schrijft over de grote behoefte aan zingeving in China’s wild-kapitalistische maatschappij. Is die behoefte sterker onder de armen, of alomtegenwoordig?

“Die bestaat zeker niet alleen in de arbeidersklasse. Onder de rijken is het een statussymbool om je eigen persoonlijke boeddhistische meester te importeren uit Tibet, of daarheen te reizen en tempels te bezoeken.”

In 1999 verbood het bewind de Falun Gongsekte, die massaal meditatie-oefeningen deed op openbare plekken waar dat niet mocht. Hoe groot was de weerslag van dat verbod op de volksreligie?

“De Falun Gong had het gemengde karakter van de volksreligie ook in zich. De term ‘falun’, ‘wiel’, slaat op een boeddistisch begrip, het kharma-wiel dat eeuwig ronddraait; ‘gong’ betekent ‘beoefening’ of ‘wet’. Maar de Falun Gong-meditatietechnieken waren eerder taoïstisch dan boeddhistisch.

“Het effect van het verbod was dat talloze groepen die vergelijkbare meditatietechnieken bedreven, vaak ‘qigong’ genoemd, ophielden of ondergronds gingen. De parken waarin ze dat deden waren opeens leeg. Maar langzamerhand is het teruggekomen, al hoor je de term qigong niet vaak meer. Het heet nu ‘interne alchemie’, en wordt gepresenteerd als iets van het boeddhisme of taoïsme - van de geaccepteerde religies dus.”

Johnson beoefent zelf ook qigong, volgens een techniek van Wang Liping. Deze bekende meester mag wel het vleesgeworden model heten van de verwevenheid van religie, politiek en zaken in China. Wang beweert erfgenaam te zijn van een oeroude taoïstische sekte. Hij had massale aanhang in China, maar na het verbod op de Falun Gong nam hij de wijk naar Californië. Hij heeft nu wereldfaam als meditatieleraar, en geeft weer lessen in China.

In de ogen van het regime: wat is Wang? Een rijke zakenman? Iemand die helpt China’s klassieke ‘cultuur’ te verspreiden in de wereld? Of toch ook een bedreiging?

“Hij vertegenwoordigt een boel van de contradicties in China’s religieuze politiek. Hij is geen gewijde priester, en bereikt zijn aanhang via sociale media en internetvideo’s. Hij geeft in China lessen aan vrouwen van Russische bankiers, die daar forse bedragen voor neerleggen. Hij is rijk, vertoont zich met dure auto’s en horloges. Hij staat los van overheidscontrole, en kan een hoop volgelingen mobiliseren, binnen en buiten China, dus hij is behoorlijk machtig.”

Het bewind vreest oncontroleerbare organisaties. U volgt in uw boek een groep protestanten die zich niet aansluiten bij de officiële kerk. Waarom willen ze dat niet?

“Ze willen hun preek niet van tevoren laten goedkeuren door de autoriteiten. Ze proberen de overheid te laten zien: wij zijn geen bedreiging, maar wel onafhankelijk. Ze hebben eigen seminaries en scholen, die op de lange duur natuurlijk wel een onafhankelijke machtsstructuur kan vormen.”

Ziet het bewind ze ook als buitenlandse dreiging? Zoals u ze beschrijft, houdt de Heidelberger catechismus ze meer bezig dan de Universele Verklaring voor de Mensenrechten.

“De Partij zag het christendom lang als iets buitenlands. Christenen benadrukken daarom juist hun Chineesheid: we zijn na vijfhonderd jaar net zo inheems als andere religies, we zijn net zo oud als het Amerikaanse christendom. Ze creëren ook hun eigen alternatieve Chinese geschiedenis, bijvoorbeeld door het eren van christelijke ‘martelaren’ in de Bokseropstand (1899-19o1, die zich richtte tegen buitenlandse invloeden, red.).”

null Beeld Sander Soewargana
Beeld Sander Soewargana

In uw boek citeert u analisten die ondergrondse protestantse kerken in China omschrijven als de enige vorm van een burgersamenleving - burgers die los van de overheid georganiseerd zijn. Waarom geldt dat meer voor hen dan voor katholieken, of voor tempelorganisaties?

“Dat heeft deels te maken met infrastructuur: protestantse kerken kunnen bestaan in huiskamers, en ze hebben, anders dan de katholieken, geen behoefte aan hiërarchie. Tempels hebben ruimte nodig en standbeelden, dat is allemaal moeilijker zelf te organiseren. Het protestantisme kan veel meer een doe-het-zelf-religie zijn.”

Taoïstische en boeddhistische organisaties zijn meer tot samenwerking geneigd?

“Ja, hoewel er ook grote boeddhistische en taoïstische liefdadigheidsinstellingen zijn die het politieke systeem kunnen veranderen. Maar ik denk dat de regering terecht denkt dat het christendom grotere sociale impact heeft. Dat zit ’m ook in het sociale element in het evangelie. Het is geen toeval dat 25 procent van de Chinese mensenrechtenadvocaten christen is, tegenover 5 procent van de bevolking. En die kerken doen het goed in stedelijke centra, bij studenten die denken: het komt uit het Westen, dus dat is goed.”

Kunnen religieuze organisaties uitgroeien tot een serieuze bedreiging voor het partijmonopolie op goed en kwaad?

“Alle religies, ook de Chinese, creëren waarden en loyaliteiten die hoger zijn dan die in de wereld of in partijprogramma’s. Religies kennen altijd een idee van gerechtigheid, en mensen kunnen in actie komen als ze het gevoel hebben dat die hogere waarden worden vertrapt. Maar ik zie ze in de nabije toekomst geen directe bedreiging vormen voor het regime, zoals destijds de katholieke kerk dat was in communistisch Polen of de protestantse kerk in de DDR.” <<

Donderdag begint in De Verdieping een vierdelige serie over volksreligie in China en Hongkong, ‘Hoe de onsterfelijke Wong Tai Sin terugkeerde naar China.

Religie in China

Religieuze organisaties in China staan onder partijcontrole. Lokale partijorganisaties gaan over vergunningen en controleren tempels en kerken. China erkent vijf religies: taoïsme, boeddhisme, islam, protestantisme en katholicisme - ieder met een eigen officiële organisatie. Geloofsinstanties buiten die organisaties zijn in principe illegaal.

Taoïsme ontstond in China, rond de zesde eeuw voor Christus. Kerngedachte is de werkzaamheid van kosmische krachten in de wereld en de mens.

Boeddhisme bereikte China vijf eeuwen later vanuit India. Taoïsme en boeddhisme hebben elkaar in China zwaar beïnvloed. In tempels worden boeddhistische en taoïstische goden naast elkaar vereerd.

Islam arriveerde in China in de zevende eeuw, via de Zijderoute. Door veroveringen na de zeventiende eeuw kwamen moslimvolkeren onder Chinees gezag.

Christenen bereikten China al in de zesde eeuw. Maar de huidige christenen zijn ofwel bekeerlingen door de Europese missies vanaf de zestiende eeuw, of recenter tot het geloof gekomen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden