Religie en politiek horen niet op school

'In een multiculturele samenleving is grote behoefte aan een bemiddelende instantie tussen de rivaliserende groepen. Die instantie kan niet anders dan neutraal zijn. Een partijdige arbiter is ongeloofwaardig. Als onpartijdigheid van de staat een hersenschim is, is de multiculturele samenleving tot mislukken gedoemd.'

Hoe moet de staat zich opstellen in de 'multiculturele samenleving'? Een veelgehoord antwoord op deze vraag is, dat een multiculturele samenleving ook vraagt om een multiculturele staat. De staat zou zich meer dan tot nu toe moeten 'openstellen' voor multiculturaliteit. Dat veelgehoorde antwoord is naar mijn idee helemaal fout. Hoe multicultureler de samenleving is, hoe neutraler de staat moet zijn.

De discussie over dit onderwerp heeft zich toegespitst op kledingvoorschriften in situaties waarin een soort uniformen gedragen worden: in het leger, bij de politie en bij de rechterlijke macht. Zou de multiculturele samenleving niet van ons vergen dat we ook bij de rechterlijke macht het dragen van keppeltjes, tulbanden en hoofddoekjes moeten gedogen?

Overal in Europa wordt deze discussie gevoerd, het meest pregnant in Frankrijk. De commissie-Stasi heeft op 11 december 2003 een rapport aangeboden aan de Franse president Chirac onder de titel Laïcité et République. Dit rapport geldt als uitgangspunt voor het herijken van de beginselen volgens welke de Franse staat wil omgaan met de multiculturele samenleving.

'Laïcité' en republiek dus. De republiek staat voor een goed functionerende democratie. En wat is nodig voor zo'n goed functionerende democratie? 'Laïcité'. Dat is nog het beste te vertalen met: de neutraliteit van de staat in religieuze en politiek-ideologische aangelegenheden. Ook wel: de scheiding van kerk en staat. Voor de staat zou gelden dat hij geen enkele geestelijke of religieuze macht mag bevoorrechten. De Fransen trekken dus uit het gegeven van de multiculturele samenleving helemaal niet de conclusie dat ook de staat multicultureel moet worden. Integendeel, zij zeggen: juist in een multiculturele samenleving, een samenleving met grote culturele en religieuze verschillen, moet de staat zo veel mogelijk 'a-cultureel' worden en in ieder geval 'a-religieus'.

De bevindingen van de commissie-Stasi zijn in Nederland uiterst koel ontvangen. Daarbij deden zich ernstige misverstanden voor. Als eerste is daar de hardnekkige mythe dat het idee van de neutrale staat blijk zou geven van een negatieve houding tegenover religie. Sommige voorstanders van een neutrale staat zullen inderdaad óók atheïst zijn, maar noodzakelijk is dat zeker niet. In 1834 publiceerde Abbé Félicité de Lamennais zijn Paroles d'un Croyant. Lamennais wordt ook wel een 'lekenchristen' genoemd. Hij meent dat juist wanneer het katholicisme zich zou concentreren op zijn spirituele missie en afstand doet van politieke macht, dit het geloof ten goede zou komen. Ook de Nederlandse staatsrechtgeleerde Erik Jurgens kan geheel trouw blijven aan zijn christelijke achtergrond en toch consistent de beginselen van de neutrale staat omarmen. Het ideaal van de neutrale staat is dus niet noodzakelijk verbonden met atheïsme. De pretentie van het Franse systeem is juist dat dit uiteindelijk in het voordeel is van joden, christenen, moslims, boeddhisten, hindoes en humanisten.

Een tweede bezwaar tegen de commissie-Stasi is dat de Nederlandse volksaard of geschiedenis zich tegen een rigoureuze scheiding van kerk en staat zou verzetten. Vooral historici hoor je dat vaak beweren. Maar daarmee overschrijden zij hun competentie. Een historicus kan je leren wat in het verleden heeft plaatsgevonden, niet wat in de toekomst zál plaatsvinden. Maar heel vaak zijn historici tevens vergaand 'historisch deterministen': zij achten de mens bepaald door zijn historische verleden.

Het is ongetwijfeld juist dat het Nederlandse systeem en de Nederlandse geschiedenis verschillen van de Franse. Maar men kan sterk betwijfelen of dit zoveel betekenis moet hebben voor het beoordelen van de merites van de neutrale staat. De problemen op het gebied van integratie en de multiculturele samenleving zijn grotendeels universele problemen geworden, waarmee alle westerse samenlevingen worden geconfronteerd. Wij zitten daarbij minder dan ooit vast aan onze eigen geschiedenis. Nederland zou zich dus wel degelijk kunnen laten inspireren door het Franse model van de neutrale staat. Dat daarvoor ook goede redenen zijn, dringt zich op wanneer men zich realiseert wat ons als alternatief wordt voorgehouden, namelijk de multiculturele staat.

Kenmerkend voor die multiculturele staat is dat niet het menselijke individu het belangrijkste referentiepunt vormt, maar de sociale groep. Typerend is bovendien dat deze groepen niet op basis van vrijwilligheid zijn geformeerd, zoals een tennisvereniging, maar op basis van etnische en religieuze criteria. Kinderen wordt geleerd dat hun primaire identiteit ligt bij de groep waarvan zij door afstamming of religieuze gezindte deel uitmaken. De loyaliteit aan de groep gaat boven de loyaliteit aan de nationale staat en samenleving.

De multiculturalisten willen niet een neutrale, maar een pluriforme staat. Het ventileren van religieuze en politieke partijdigheid binnen het staatsapparaat wordt geaccepteerd als onvermijdelijk voortvloeiend uit de grondrechten. Vaak wordt het beroep daarop ook aangemoedigd. De (schijn van) partijdigheid die dit introduceert in de overheidsdienst wil men compenseren door ook de leden van concurrerende groepen gelijke toegang tot de openbare dienst te verlenen. Zo zouden de verschillende politieke en religieuze groeperingen elkaar in evenwicht moeten houden. Soms noemt men die evenwichtssituatie zelfs 'neutraal'. Deze nieuwe vorm van 'neutraliteit' zou te verkiezen zijn boven de oude vorm.

Op die manier zou je dus een heel ingewikkeld quota-systeem moeten ontwikkelen om in allerlei functies waar voorheen de gewone neutraliteit het uitgangspunt vormde nu een proportioneel uitgebalanceerde pluriformiteit te realiseren. Maar de problemen blijven natuurlijk gewoon bestaan. Een islamitische justitiabele die voor het hekje staat en een rechter met een keppeltje aantreft kan alleen maar denken 'pech gehad'. Hetzelfde geldt voor een joodse justitiabele die een vrouwelijke rechter ziet met een hoofddoekje op.

In heel Europa staan deze twee staatsconcepten tegenover elkaar: het Franse en het multiculturele. Ook zie je dat in één land voor bepaalde delen van het overheidsapparaat de ene staatsopvatting domineert en voor andere delen de andere. In Nederland vigeert voor de rechterlijke macht nog steeds de neutrale staatsidee. De poging om met een beroep op mensenrechten hier de mogelijkheid tot het dragen van religieuze tekenen te introduceren, heeft schipbreuk geleden op een assertieve minister van Justitie.

Maar nergens wordt de strijd tussen het neutrale en het multiculturele staatsconcept zo hard uitgevochten als op het terrein van het onderwijs. Wat betekent de neutrale staat voor het onderwijs? De 18de-eeuwse verlichtingsdenker Condorcet zag het als de missie van de school om de 'rede populair te maken'. Geen enkele autoriteit, geen enkel geloof, hoe eerbiedwaardig ook, zou het vrije onderzoek mogen frustreren.

Ook de Duitse socioloog Max Weber heeft gepleit voor de neutraliteit van onderwijzend personeel: 'Politiek hoort niet in de collegezaal” schrijft hij. Hoogleraren moeten geen politiek bedrijven binnen de universiteit. Juist wanneer een hoogleraar zich beroepsmatig met politiek bezighoudt, zou hij zich aan die neutraliteit vanaf het katheder moeten conformeren. Een partijpolitieke stellingname en een wetenschappelijke analyse zijn immers twee geheel verschillende zaken. De studenten worden geacht te luisteren en dan is het onverantwoord dat zij de politieke boodschap van de docent als onwrikbaar dogma ingegoten krijgen. De demagoog en de profeet horen daarom niet voor de collegezaal.

Helaas wordt dat steeds meer miskend in een cultuur die het geloof in neutraliteit en objectiviteit heeft verloren. Een standpunt is altijd partijdig, denken velen tegenwoordig. Het lekendom of de 'laïcité' is ook een 'soort geloof', zij het van een seculiere geaardheid, zegt men dan. Nu is het juist dat de lekenschool en de neutrale staat niet neutraal kunnen zijn ten aanzien van krachten die democratie, rechtsstaat en mensenrechten ondersteunen dan wel ondermijnen. Maar dat is ook niet de neutraliteit die de neutrale staat pretendeert te kunnen realiseren. Het ideaal van de neutrale staat heeft betrekking op neutraliteit in religieuze en politiek-ideologische tegenstellingen. De lekenstaat wil godsdienst en partijpolitiek buiten de deur houden en bepleit in die zin neutraliteit.

Denken dat neutraliteit niet bestaat en de Franse beginselen als naïeve verlichtingsillusies de deur wijzen, levert een niet gering maatschappelijk probleem op. In een multiculturele samenleving is namelijk grote behoefte aan een bemiddelende instantie tussen de rivaliserende groepen. Die instantie kan niet anders dan neutraal zijn. Een partijdige arbiter is ongeloofwaardig. Als onpartijdigheid van de staat een hersenschim is, is de multiculturele samenleving tot mislukken gedoemd.

Ik stel daarom voor dat we de Franse beginselen serieus gaan nemen, niet alleen voor de rechterlijke macht, maar ook voor onze combinatie van openbaar en bijzonder of religieus gekleurd onderwijs.

De meest principiële rechtvaardiging voor confessioneel onderwijs en confessionele wetenschap is ongetwijfeld dat een intrinsieke band moet en kan worden geconstrueerd tussen godsdienst enerzijds en onderwijs en wetenschap anderzijds. Dit is een illusie, maar wel een voor de hand liggende illusie. De meeste godsdiensten verschaffen ons immers niet alleen informatie over een leven na dit leven, maar geven ook informatie over de wijze waarop de wereld om ons heen in elkaar zit. Zo leidde de filosoof Ludovico delle Colombe in de 16de eeuw uit bijbelpassages af dat het heliocentrisch wereldbeeld van Galilei niet klopte. In Psalm 104 staat: 'Gij grondde de aarde op haar zuilen, onwrikbaar, eeuwig van duur', en in 1 Kronieken 16 vers 30: 'De wereld staat vast en zij wankelt niet'. De nieuwe astronomische opvattingen die de zon in het middelpunt van het universum plaatsten, met de aarde daarom heen draaiend, konden dus niet juist zijn. Dat was niet alleen de opvatting van de katholieken, maar ook van de protestanten. Luther vroeg zich af wie die gek was die de hele astronomie op zijn kop wilde zetten. Jozua had de zon stilgezet. Hoe zou dat kunnen als die zon helemaal niet draaide?

In de 19de eeuw zou de controverse tussen de geopenbaarde waarheid van de bijbel en de bevindingen van empirisch onderzoek zich herhalen naar aanleiding van Darwins evolutietheorie.

Nu zijn dit misschien ongelukkige voorbeelden van de manier waarop de relatie tussen godsdienst en wetenschap kan worden geconstrueerd. Maar als dit verkeerde voorbeelden zijn, dan maakt ons dat nieuwsgierig naar goede voorbeelden. Dat wil zeggen: voorbeelden waaruit blijkt dat de godsdienst de wetenschap tot inzichten kan brengen waarop de wetenschap langs eigen weg niet zou zijn gekomen. Misschien vindt u dit een tendentieuze vraag. Maar zou deze vraag niet eigenlijk gesteld moeten worden als bijzonder onderwijs en bijzondere wetenschapsbeoefening niet op louter willekeur zijn gestoeld?

Strikt genomen zou toch de Vrije Universiteit in Amsterdam of de Katholieke Universiteit in Nijmegen de pretentie moeten hebben betere rechtswetenschap of betere biologie te bedrijven dan de universiteit van Leiden of Groningen. Als tussen die twee soorten van wetenschapsbeoefening geen rangorde van beter en minder goed bestaat, dan kun je die godsdienst als basis toch net zo goed weglaten?

Van tijd tot tijd wordt overigens nog steeds de pretentie uitgesproken dat religie tot waarheden kan komen die de waarheid van de wetenschap te boven gaan, althans deze kunnen aanvullen. En dat gebeurt niet alleen in orthodoxe kring. Integendeel zelfs. Die pretentie is bijvoorbeeld aanwezig bij de Parijse hoogleraar arabistiek Mohammed Arkoun. De vrijzinnige moslim Arkoun verdedigt de stelling dat religie, net zoals de wetenschap, een bron kan zijn van waarheid. Volgens Arkoun moeten religies 'geherwaardeerd worden als cognitieve systemen die nog altijd een belangrijke rol spelen in de werking van onze intellectuele en gevoelsmatige vermogens'.

Dit is een opvallend standpunt. Kunnen religies werkelijk een cognitieve functie hebben, net als de wetenschap? Men behoeft niet in een 'sciëntistische verlichtingswaan' te verkeren of van de Verlichting een soort 'fundamentalisme' te maken om hiertegen bezwaren aan te tekenen. De pretentie dat de religie waarheden kan aandragen die met de wetenschap in strijd kunnen komen, vormde tenslotte de basis van het conflict tussen religie en wetenschap vanaf de 16de tot de 19de eeuw.

Wat het christendom betreft behoort die strijd grotendeels tot het verleden. En sinds die tijd is het steeds onduidelijker geworden hoe die relatie tussen religie en wetenschap precies ligt. Het is een ironie van de geschiedenis is dat juist op dit moment het bijzonder onderwijs een nieuwe impuls dreigt te krijgen van de zijde van de islam. En dat op dit terrein ook weinig geleerd is van het verleden mag daaruit blijken dat zelfs een vrijzinnige moslim als Mohammed Arkoun denkt dat religie geherwaardeerd moet worden als een cognitief systeem. Geruststellend is dit niet. Immers een flirt met de gedachte dat religie ons kennis oplevert over hoe de wereld in elkaar zit, zou betekenen dat een weg die doodlopend is gebleken bij jodendom en christendom nu door de islam opnieuw dreigt te worden bewandeld.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden