Religie als dodelijk virus

Voor de Britse wetenschapper Richard Dawkins staat het vrijwel vast dat er geen Opperwezen is. Maar Herman De Dijn vindt dat de vraag naar het bestaan van God niets wetenschappelijks heeft. Hij noemt Dawkins' visie ontstellend naïef, deprimerend in haar

Dawkins is niet alleen een van de meest controversiële neo-Darwinisten, hij is ook de bekendste atheïst van het moment. Met dit boek wil hij definitief afrekenen met het grootste kwaad dat volgens hem de mensheid bedreigt, de godsdienst.

Dawkins’ tactiek in de strijd tegen de godsdienst bevat niets nieuws, is al uitgedokterd sinds Hume en Russell. De stappen zijn de volgende: 1) discrediteer de argumenten voor het bestaan van God; 2) geef argumenten vóór de tegengestelde hypothese (de extreme onwaarschijnlijkheid van Gods bestaan als oorzaak van het universum); 3) ondermijn het idee van een transcendente oorsprong van de religie: religie is een natuurlijk fenomeen; 4) een zinvol en ethisch leven is perfect mogelijk zonder religie.

Commentatoren, zowel gelovigen als niet-gelovigen, wijzen erop dat Dawkins – wat de eerste twee stappen betreft – al te gemakkelijk victorie kraait, zich niet meet met de beste verdedigers van bijvoorbeeld de godsbewijzen, en allerlei retorische trucjes uithaalt om zijn slag te slaan. Ik ken haast geen enkel filosofisch probleem dat definitief is opgelost of waarvan de ‘oplossing’ niet op vernuftige wijze wordt betwist. Dat is nu eenmaal het lot van theoretische opvattingen. In dit korte bestek wil ik me vooral bezighouden met enkele elementen uit de twee volgende stappen in Dawkins’ strategie.

Zowel Einstein als Wittgenstein leerde ons dat wetenschap ons niets fundamenteels te vertellen heeft inzake de meest centrale vragen van het menselijk leven: wat de zin is van mijn bestaan, wat het goede is waarnaar we moeten streven. Religie situeert zich (zoals de ethiek) in het domein van de zingeving en niet in dat van de strikte kennis. Daarom kunnen religie en wetenschap eigenlijk geen concurrenten zijn van elkaar.

Dit betekent dat de vraag naar het bestaan van God, als het al een zinvolle vraag is, geen wetenschappelijke vraag kán zijn, in tegenstelling tot wat Dawkins (én vele theologen) menen. Het is een even onwetenschappelijke vraag als de vraag of de werkelijkheid uiteindelijk goed is. Dit betekent niet dat feiten (zoals het historisch bestaan van Jezus Christus) geen enkele rol spelen in religie. Alleen spelen ze een gelijkaardige rol als in, bijvoorbeeld, de liefde. Ontrouw is een feitelijke kwestie; toch heeft de conclusie die ermee wordt verbonden niets te maken met wetenschappelijke of theoretische (ir-)rationaliteit.

Dit soort filosofische consideraties zijn duidelijk niet aan Dawkins besteed. Hij kan dus vrolijk doen alsof alle gelovigen, ook de wetenschappers onder hen, én alle niet-gelovigen die het met hem oneens zijn (zoals Stephen Gould) ofwel bedriegers, ofwel warhoofden zijn.

Religie als natuurlijk fenomeen heeft een verbluffende overlevingskracht. Hoe kan dat als ze zo negatief is? Antwoord van Dawkins: ze is een betreurenswaardig nevenproduct van evolutionistische processen. Er zijn niet alleen biologische replicatoren (genen), maar ook culturele (memen). Memen, zoals de Godsidee, zijn een soort ‘geestelijke’ parasieten in onze hersenen. Zoals erfelijke gedragspatronen van motten (nachtelijk vliegen georiënteerd op de lichtstralen van de maan) kunnen leiden tot dodelijke neveneffecten (zich doodvliegen in het kaarslicht), zo brengen religieuze memen die ooit misschien constructief waren, nu desastreuze effecten voort. Een betwistbare hypothese, uiteraard.

Maar waarom niet zeggen dat we ook in onze dagelijkse relaties, in ethiek en politiek, geleid worden, niet door rationeel inzicht, maar door memen? Memen die verband houden met liefde, zorg, rechtvaardigheid. Zoals Hume al zei, worden we ook daar geleid door grotendeels onvermijdelijke ‘ficties’. Afgezien van die van God, ook en vooral de fictie van het autonome, kritische zelf – een centrale meme in Dawkins’ denken. Dat we deze ‘ficties’ netjes kunnen scheiden van elkaar, of dat de ene zonder meer waan is en de andere zuiver redelijk, is een misvatting. Dat alle ellende komend van andere memen (betreffende gender, ras, nationaliteit enzovoort) alleen of vooral via de band met religieuze memen zou worden veroorzaakt, is een gedachte die alleen uit extreem vooroordeel kan worden verklaard.

Dawkins is ook gedreven door de ficties van de rationaliteit en van de onstuitbare vooruitgang die in de lijn ligt van het goede (terwijl dat goede dan weer niets anders is dan wat in de lijn ligt van de vooruitgang). Wetenschap, techniek, economische ontwikkeling zijn allemaal miraculeus goed, ook in hun neveneffecten. Wat een naïviteit! De nieuwe Tien Geboden van Dawkins bevatten precies de morele clichés van de kleinburgerlijke Britten die hem tot de topintellectueel van The British Empire uitriepen.

De visie op wereld en evolutie van Dawkins mag dan gesteund zijn op ‘onze beste wetenschappelijke inzichten’, zijn levensvisie is ontstellend naïef, deprimerend in haar optimisme en extremistisch. Typisch is zijn fulmineren tegen religieuze opvoeding als zijnde het doorgeven van het gevaarlijke God-virus. Religieuze ouders zou verboden moeten worden hun kinderen op te voeden. Ouders moeten integendeel vooral kritische zin bijbrengen door kinderen te confronteren met alternatieven waarover ze afstandelijk moeten leren nadenken. Daaruit kunnen ze dan later kiezen (zoals ze kiezen tussen T-shirts?). Hoe kan er tussen ouders en kinderen vertrouwen zijn als die ouders hun kinderen niet mogen inwijden in wat voor hen van wezenlijk belang is? Hoe kunnen ouders hun kinderen ethisch opvoeden als ze die ethiek tegelijk als zomaar een optie moeten voorstellen?

Religie bevat geen wetenschappelijke rationaliteit; ze bevat echter niet zelden een soort levenswijsheid nauw verbonden met verhalen, symbolen en riten. Eenmaal spreekt Dawkins over het doopsel, op een manier die van totaal onbegrip getuigt. Het (religieuze) mysterie is geen onoplosbare puzzel, het is datgene wat als verwonderlijk overblijft als alle wetenschappelijke vragen naar het hoe en waarom zijn opgelost (Wittgenstein). Zoals de glimlach verwonderlijk blijft ook al weten we er neurofysiologisch en sociobiologisch alles van. Zoals schuld, dood, trouw afgrondelijk verwonderlijk blijven, ook na wetenschappelijke verklaring.

Religie geeft geen antwoorden op die mysteries. Die vragen niet om antwoorden, maar om gepaste reacties waarin men zich echt met het geopenbaarde confronteert. Daarom kan niet wetenschap, maar wel een systeem van verhalen, riten en symbolen tot enige levenswijsheid leiden. Religie is leren leven met het leven dat nooit echt ‘in orde’ is. Leszek Kolakowski schreef: ,,Religion is a man’s way of accepting life as an inevitable defeat.'' (Hoe het leven als een onvermijdelijke nederlaag toch te aanvaarden, dat is wat religie voor een mens betekent.) Daarom is religie doorgaans oneindig interessanter dan Dawkins’ zelfgenoegzame atheïstische ‘rationaliteit’.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden