Relativisme D66 geen basis voor gezonde politieke ideologie

D66-senator Glastra van Loon verweet op de Podiumpagina van 21 februari Trouw-columnist Paul Cliteur politieke munt te slaan uit de kwestie Rushdie. De auteur doceert recht in Leiden en filosofie in Delft.

Maar Glastra van Loon maakt ook een opmerking over mijn motieven voor mijn strenge beoordeling van Van Mierlo en van D66 in het algemeen. Hij schrijft: “Paul Cliteur moet er tuk op zijn voor zijn partij, de VVD, politieke munt te slaan uit de misère van Salman Rushdie”. Dat het mij hierom ging zou blijken uit mijn “slottirade over D66”.

Hier moet ik toch een bescheiden protest laten horen, omdat ik zelf een ander beeld heb over de motieven van mijn publicistisch engagement. Twee opmerkingen daarover. Allereerst: gesteld dat ik speciaal op de kwestie Rushdie zou zijn ingegaan om mijn partij te prijzen, dan nòg is niet duidelijk waarom deze kritiek op D66 ongeloofwaardiger zou zijn dan Glastra van Loons verdediging van zijn partij. Men kan het ook als volgt formuleren: de juistheid van mijn kritiek op D66 kan niet worden ontkend op basis van mijn wellicht duistere oogmerk om die kritiek te leveren. Maar geheel los daarvan - en daar komt mijn tweede opmerking - het gaat mij eigenlijk om iets anders. Wie op deze wijze mijn kritiek waardeert, overschat mijn partij-politieke betrokkenheid. Mijn kritiek is niet partij-politiek gemotiveerd. Ik prijs elke dag dat ik als academisch - en dus onafhankelijk - intellectueel geen andere partij behoef te dienen dan de partij van de waarheid. Ik beken mij weliswaar tot het liberalisme, maar ik erken geen enkele politicus of politieke partij als de gezaghebbende woordvoerder van dat geestelijk erfgoed. Het liberalisme als ideologie is een geheel van gedachten waarmee men elke liberale partij de maat kan nemen.

Dat heb ik ook al vaak gedaan. Toen Bolkestein een verwijzing naar het christendom terug wilde in het beginselprogramma van de VVD heb ik mij daartegen in geschrifte geweerd. Gelukkig heeft Bolkestein dat later genuanceerd door aan dat christendom het humanisme toe te voegen. En nog weer later zou hij bekeerd zijn van zijn flirt met het christendom, zoals Marcel ten Hooven het formuleerde in Trouw (31 oktober 1996). In een Telders-geschrift over constitutionele toetsing (toetsing van de wet aan de grondwet; in Nederland verboden) heb ik gepleit vóór deze toetsing, terwijl de VVD daartegen is. Verder heb ik in een serie stukken in kranten uitvoerig minister Sorgdrager (D66) geprezen voor de wijze waarop zij het bureaucratisch monopolie van het OM heeft aangepakt, terwijl zij daarvoor een taaie strijd moest leveren met bijna de gehele academische strafrechtsgeleerde wereld. Ik heb zelfs geschreven dat Sorgdrager wellicht zal lukken wat haar voorgangers Hirsch Ballin (CDA) en Korthals Altes (VVD) tevergeefs hebben geprobeerd: het OM onder democratische controle brengen. Ook heb ik veelvuldig facilitering van levensbeschouwelijke instellingen bepleit en daarbij het CDA geprezen als de partij die dit voorstaat.

Dat is allemaal niet goed te begrijpen van iemand die er tuk op is zijn partij politieke munt te laten slaan uit een bepaalde kwestie. Het is niet consistent mijn loftuitingen op D66-politici te zien als bijdragen aan de objectieve waarheid, maar enkele lovende woorden aan het adres van Kamerleden voor de VVD ineens te diskwalificeren als partijpolitiek of anderszins oneigenlijk gemotiveerd.

Ik neem niet bepaalde standpunten in, omdat ik lid ben van een bepaalde partij. Ik ben lid van een bepaalde partij, omdat ik bepaalde standpunten heb. Mijn overtuiging dat D66 slap op de benen staat wanneer het op de verdediging van mensenrechten aankomt, is door niets anders gemotiveerd dan dat ik dat ècht denk. En dat heeft te maken met mijn oordeel over de filosofische grondslagen (of liever het gebrek aan grondslagen) van deze partij. Het pragmatisme van D66 verwar ik ook echt niet met pragmatisme in de alledaagse zin van het woord, zoals Glastra van Loon meent. Het onheilspellende is dat het pragmatisme van D66 echt diep zit. D66 heeft een afkeer van beginselen en vaste uitgangspunten. Men denkt dat waarden relatief zijn. Men meent dat ideologieën uit de tijd zijn. Men heeft filosofen als Richard Rorty en andere cultuurrelativisten als patroonheiligen. Telkens komt dat weer naar voren, bijvoorbeeld in de toespraak die Wolffensperger hield bij de presentatie van het boekje 'Het debat over de moraal'. Bij die gelegenheid zei Wolffensperger: “Diep in het gedachtengoed van D66 is de overtuiging geworteld dat die verschillende inspiratiebronnen principieel even respectabel zijn. In ieder geval is er geen grond om de overtuiging van de een boven die van een ander te stellen”. Deze cultuurrelativistische beginselverklaring onderscheidt het liberalisme van D66 van het liberalisme van de VVD (terecht als zodanig getypeerd door Ten Hooven in Trouw van 9 oktober 1996). In een ander artikel dat in Trouw is gepubliceerd heeft Van Mierlo enkele kritische kanttekeningen gemaakt bij het cultuurrelativisme. Hij schreef dat respect voor andere culturen niet mag leiden tot cultuurrelativisme, wat immers kan ontaarden in een soort postmoderne relativering van de ernst van grote schendingen van mensenrechten (Trouw, 12 december 1996). Maar die woorden leken mij niet representatief voor het beleid van D66.

D66 is de laatste tijd op die relativistische stijl verschillende keren aangesproken. Door Van Deursen, maar ook door André Rouvoet (Trouw, 28 november 1996). Glastra van Loon antwoordde op die laatste kritiek met de woorden: “Wie veronderstelt dat er eeuwige, absolute waarden en waarheden zijn, zal eerder geneigd zijn de eigen versie daarvan als de enig juiste te beschouwen dan wie uitgaat van de betrekkelijkheid en veranderlijkheid van alle mensenwerk en menselijke kennis”. Ik deel die overtuiging niet. Iemand die in absolute waarden gelooft, kan heel goed bescheiden en tolerant zijn in zijn pretentie dat hij die waarden gevonden heeft (voorbeeld: Spinoza). En een relativist kan een mateloze arrogantie aan de dag leggen op basis van de waarden die hij nu toevallig de beste vindt (voorbeeld: alle opportunistische dictators van de wereld).

Het bezwaar tegen Rouvoet is dus niet dat hij in absolute waarden gelooft, maar dat hij het verkeerde criterium hanteert om die op het spoor te komen. Hij schrijft in voornoemde bijdrage in Trouw dat zijn partij “te rade gaat bij de bron van de christelijke traditie”. Hij laat zich “inspireren en corrigeren door het Woord van God”. Daarmee heeft Rouvoet zich naar mijn idee in de problemen gewerkt, want hij geeft aan eigenlijk geen zelfstandig zedelijk besef te hebben. Hij moet dat ontlenen aan een openbaringsgegeven en aan een levensbeschouwelijke traditie. Dat is onmogelijk en vanuit ethisch standpunt bekeken oneigenlijk.

Ik geloof zelf in universele waarden en waarheden (waarden en waarheden die voor alle mensen gelden; 'absoluut' zijn die niet, want dat zou betekenen dat er geen enkele uitzondering op is toegelaten), maar die kunnen niet op een goddelijke oorsprong worden teruggevoerd. Ik verwerp dus zowel het relativisme van Glastra van Loon als ook het theïsme van Rouvoet. Voor wie parallellen zoekt: ik ben een niet-gekerstende platonist of - eigentijdser - een volgeling van Nicolai Hartmann. Ik geloof in de autonomie van waarden.

Ik heb overigens niet de illusie dat ik met dit stukje Glastra van Loon van zijn relativisme of André Rouvoet van zijn theïsme af zal helpen. Daarvoor is wel wat meer nodig dan dit. Maar het verklaart misschien wel waarom sommige mensen het vermoeden hebben dat zaken als democratie enmensenrechten bij D66 niet in goede handen zijn. Vertrekkend vanuit hetzelfde humanisme en liberalisme als Glastra van Loon deel ik toch de kritiek van Van Deursen en Rouvoet op de relativistische manier van denken over de grondslagen van onze cultuur die D66 kenmerkt. Het waarderelativisme van D66 is geen basis voor een gezonde politieke ideologie. Zelfs ben ik geneigd onheil in het verschiet te zien, wanneer dit waarderelativisme brede aanhang zou krijgen. Als de westerse wereld met waarden als rechtsstaat, democratie en mensenrechten werkelijk sterk wil staan in de clash of civilizations die zich in de fatwa over Rushdie manifesteert, dan moeten we goed weten waar we staan en niet aarzelend gaan formuleren wanneer het op die waarde aankomt. Precies op dit punt ontbreekt het D66 aan een duidelijke lijn. Maar het is natuurljk altijd mogelijk dat ik D66 tekort doe of dat deze partij bezig is zich los te maken van het relativisme dat haar decennia lang heeft gekenmerkt.

Als ik een patroon ga zien in de wijze waarop D66 afstand neemt van het door haar beleden relativisme, contextualisme, pragmatisme, 'wij-zijn-geen-beginselpartij', dan zal ik de eerste zijn om haar de lauwerkrans op het hoofd te plaatsen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden