Rekenen is een vak

De mate waarin overheidsbeleid tot gewenste maatschappelijke effecten leidt, laat zich doorgaans moeilijk meten. Dat geldt zeker voor een ingewikkeld terrein als het bestrijden van onderwijsachterstanden onder allochtone leerlingen. Om de onderwijsprestaties van deze categorie kinderen te verbeteren, trekt het rijk jaarlijks meer dan een miljard gulden uit. Een fors bedrag waarvan de Tweede Kamer wil weten of het goed wordt besteed en of het werkelijk zoden aan de dijk zet.

In het licht van tegenstrijdige berichten over de onderwijsprestaties van allochtone kinderen, werd het tijd voor een grondig onderzoek naar de relatie tussen de besteding van het geld en de gewenste effecten. De rekenmeesters van de Rekenkamer kregen hiertoe de opdracht. Na grondig speurwerk publiceerde het instituut vorige week de eindconclusies: het is niet mogelijk een verband aan te tonen tussen het geld dat met de bestrijding van onderwijsachterstand is gemoeid en de mate waarin de kloof tussen allochtone en autochtone kinderen kleiner wordt.

Ondanks dit onvermogen meent de Rekenkamer wel te kunnen concluderen dat 'er in de ruim twintig jaar dat er een onderwijsachterstandenbeleid in welke vorm dan ook wordt gevoerd, geen blijvende resultaten zijn geboekt'. Een verregaande conclusie die geen recht doet aan de praktijk. De conclusie kan gemakkelijk geïnterpreteerd worden als zou er niets bereikt zijn in het onderwijs en dat is niet zo.

Het rapport gaat niet in op de verbeterde prestaties van leerlingen met achterstanden en doet geen recht aan de inspanning die leerlingen, leraren en gemeenten in de praktijk leveren. Het feit dat er geen rekenkundig verband aangetoond kan worden tussen het beleid en de feitelijke ontwikkelingen op het gebied van onderwijsachterstand, is nog geen bewijs dat het beleid heeft gefaald.

De werkelijkheid is dat het aantal allochtone leerlingen, dat erin slaagt tot hogere vormen van het middelbaar onderwijs door te dringen, flink is gestegen. Van de eerste generatie allochtonen bezocht in het schooljaar 98/99 29 procent het individueel voorbereidend beroeps onderwijs (ivbo), 32 procent het vbo en 39 procent het algemeen voortgezet onderwijs (avo). Bij de tweede generatie zijn de resultaten beter: 13 procent gaat naar het ivbo, 37 procent naar het vbo en 50 procent naar het avo. Het aantal allochtone studenten -ook van Turkse en Marokkaanse origine- dat een hbo-opleiding of een academische studie volgt, is in een paar jaar significant toegenomen. Dat hogescholen en universiteiten met een beroep op de privacy weigeren hun registraties vrij te geven, zegt niets over de feitelijke ontwikkelingen.

Alle onderwijsindicatoren wijzen in de goede richting. De achterstanden ten opzichte van de autochtone kinderen zijn helaas nog niet weggewerkt. Dat zal ook niet snel gebeuren. Dat is ook niet verwonderlijk. Oud-minister Dales van binnenlandse zaken vergeleek ooit het achterstandenbeleid van de overheid met het maken van soep terwijl anderen voortdurend koud water in de pan gooien. Door de komst van steeds nieuwe kinderen, bijvoorbeeld uit kringen van asielzoekers, is het niet eenvoudig een causaal verband te zien tussen het gevoerde beleid en de gewenste effecten.

Het rapport van de Rekenkamer moet wel als een aansporing worden gezien tot een betere verantwoording van de miljarden die met achterstandsbestrijding zijn gemoeid. Bovendien moeten het rijk en de gemeenten die met de uitvoering belast zijn erop toezien dat de schaarse middelen werkelijk worden besteed aan verbetering van onderwijsprestaties van kinderen in achterstandsposities. Nu komt het nog wel eens voor dat deze gelden worden gebruikt om gebouwen op te knappen. Dat kan niet de bedoeling zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden