Reizen en het kleine verschil

Wie op reis gaat om totaal andere culturen te leren kennen, leert niet half zoveel als wie het kleine verschil opzoekt. Vlaming Rik Torfs bereist Vlaanderen en Nederland.

Rik Torfs (1956) is kerkjurist en rector van de Katholieke Universiteit van Leuven. Hij was senator en jurylid in het tv-programma 'De Slimste Mens ter Wereld'.

Abt Emo reisde rond 1200 door Europa en zag dat er verschillen waren tussen zijn standplaats Wittewierum en Rome. Daar werd eenzelfde geloof beleden: het christendom. Maar het landschap was anders. De cultuur verschilde. Ideeën volgen immers de kronkeling der rivieren of houden zich staande als bomen die strijden tegen de wind. Eenzelfde gedachte wordt een andere op uiteenlopende plekken. Daarom is het belangrijk om te reizen. In de geest natuurlijk. Maar ook fysiek. Wie reist, ziet hoe het landschap verandert, maar ook hoe eigen ideeën langzaam hun absolute karakter verliezen.

In een eerste fase wordt de reiziger getroffen door de eigenaardigheden van de gebieden die hij bezoekt. Wie uit het vlakke land van Groningen komt, ziet in een nederige glooiing een berg. Wie trage rivieren als metgezellen kent, kijkt op van woeste watervallen. Maar het interessante van reizen is dat na een zekere tijd - er is wat geduld nodig - het perspectief vrij plotseling verandert. Terwijl aanvankelijk de eigenaardigheden in het vreemde worden gezocht, in het onbekende, groeit gaandeweg de belangstelling voor onze eigen afwijkingen. De karikatuur ligt niet in het vreemde, ze ligt net zo goed of nog meer in wat eigen lijkt, in wat we omhelzen als vanzelfsprekend en vertrouwd, en dat we daarom niet enkel emotionele kwaliteiten toedichten, maar ook waarheidswaarde. Alsof alles wat ons lief is in steen gebeiteld staat.

Vandaag tonen reizen vaak het grote verschil. Wie naar China trekt of naar Namibië wordt geconfronteerd met talloze beelden, gewoonten en gebruiken die van onze levenswijze en cultuur verschillen. Mensen zoeken wat helemaal anders is. Vreemd genoeg leert het grote verschil ons vaak minder dan het kleine. Als alles anders is, zien we niet wat subtiel verschilt, waarin we van anderen lichtjes afwijken maar niet veel. Het kleine verschil zegt meer over wat verschillend zijn is dan het grote. De detailanalyse staat dichter bij de synthese, bij de essentie van het begrip verschil, dan het grove werk. Daarom is de grote reis vaak een vlucht voor de kleine. Alles willen zien om niets te moeten zien.

Neem nu de multiculturele samenleving. Zij is onvermijdelijk en wordt geprezen. In feite is superdiversiteit vaak een zeer oppervlakkig begrip, zintuiglijk en sentimenteel. Erg ideologisch ook, omdat het veelkleurigheid en verbondenheid in één adem noemt, aan elkaar vast wil klinken. Maar er is ook de werkelijkheid.

Op 17 april van dit jaar vond in Brussel een mars tegen terreur plaats. Zevenduizend mensen daagden op, minder dan de organisatoren hadden gehoopt. Tegelijk toonden die zich bijzonder blij, want de mars leverde een kleurrijk spektakel op. Mensen van allerlei pluimage marcheerden mee: religieuze leiders van verschillende gezindten, politici van uiteenlopende partijen, nabestaanden van slachtoffers, moslims uit Molenbeek. Kortom, de aantallen vielen tegen, maar de veelkleurigheid van de stoet maakte veel goed. De organisatoren noemden de mars een succes. Ze zagen er een bevestiging in van hun visie over diversiteit: heel veel verschillende mensen die allemaal hetzelfde willen: geen terreur.

Die diversiteit was inderdaad duidelijk waarneembaar. Maar ze bestond vooral uit outfit en klederdracht. De marsgangers deden hetzelfde. Terwijl diversiteit pas een probleem wordt als ze niet hetzelfde denken of doen. Er is een foto van de stoet waarop je twee Vlaams-nationalistische toppolitici ziet meestappen. Onmiddellijk achter hen staan twee militanten met de ene hand samengeklemd in een gebalde vuist, terwijl de andere - onzichtbaar voor beide politici - een bord met slogans torst: 'Hun regering is racistisch!' En: 'Hun bezuinigingen zijn sluipmoordenaars'.

De foto's lokten op de sociale media heel wat gegniffel uit. Want de deelnemers aan de mars dachten natuurlijk allemaal iets anders, daarom waren er minder dan verwacht. Daarbij valt vaak op dat mensen die luidkeels oproepen om volledig solidair te zijn, dat doorgaans niet zijn met hun tegenstanders.

Dat alles leidt tot een ontnuchterende conclusie. De veelkleurige mars die verbondenheid moest uitdrukken, beperkte superdiversiteit tot haar aaibare visuele aspecten en suggereerde een verbondenheid die enkel lag in de verwerping van terreur. Superdiversiteit als concept dekt het verschil toe. Het wordt beperkt tot wat gelukkig maakt, zoals exotische gerechten en kleurrijke klederdracht, maar over ideeën wordt een consensus enkel geveinsd. Geveinsd? Misschien is hij er echt wel, maar uit angst voor verschillende opvattingen durft niemand ernaar te peilen.

Iets of iemand kan zo sterk van ons verschillen, dat we niet langer de gelijkenissen zien die het verschil juist interessant en opvallend maken. Dat verschijnsel is universeel, het bestaat niet enkel tussen mensen, maar ook in het dierenrijk of in de kunst. Wanneer je twee honden naast elkaar zet, een reusachtige sint-bernardshond en een minuscule chihuahua, zijn de verschillen zo groot dat juist het zoeken naar gelijkenissen moeilijk is. Vele mensen zullen wel eens hebben gedacht: vreemd dat deze dieren allebei honden zijn. Zouden ze dat trouwens zelf zo ervaren? Vinden zij van de ander dat die ook een hond is, of zoeken ze eerder aansluiting bij diersoorten die van grootte en proportie beter bij hun taille passen? Het enorme verschil dwingt om naar gelijkenissen te zoeken, in grote lijnen, ruwweg. Wie daarentegen twee sint-bernardshonden naast elkaar zet, gaat automatisch kleine verschillen bestuderen. Hoe zit het met de tekening op hun vacht? Is er een verschil in de stand van hun ogen? Wat met de inplanting van hun oren? Juist het kleine verschil scherpt de aandacht en maakt een gedetailleerde analyse van de twee sint-bernardshonden mogelijk en noodzakelijk.

Voor kunst geldt iets gelijkaardigs. Natuurlijk kun je een schilderij van Peter Paul Rubens (1577-1640) vergelijken met een werk van Kazimir Malevitsj (1878-1935). En ongetwijfeld kun je overeenkomsten zoeken op een vrij abstract, lichtjes etherisch niveau. Welk van de twee schilderijen ontroert het meest? Welke kunstenaar stelt de scherpste vragen aan ons verstand? Je kunt je ook afvragen welk van beide werken je het liefst in je huiskamer zou hangen, of in je kantoor, en je kunt beschouwingen wijden aan Vlaanderen ten tijde van Albrecht en Isabella of aan het stalinistische Rusland waarin Malevitsj stierf. Maar het scherpe verschil, de priemende blik, wordt pas noodzakelijk als je in de Alte Pinakothek van München het portret dat Peter Paul Rubens (1577-1640) van de theoloog Hendrick van Thulden

maakte, vergelijkt met het zelfportret van zijn leerling Antoon van Dyck (1599-1641) in dezelfde zaal. Twee tijdgenoten, met een leeftijdsverschil van 22 jaar. De ene de meester, de andere de leerling. Maar kunstenaars met een enigszins verschillende maatschappelijke positie en met een andere blik op de wereld. Rubens, schilder maar ook diplomaat, een mengeling van klasse, opportunisme en levenswijsheid. En dan Antoon van Dyck, aan het begin van een schitterende carrière die ook hem tot compromissen zou dwingen, wat nog niet zichtbaar is in de complexloze blik waarmee hij op zijn zelfportret naar de toeschouwer kijkt.

Het kleine verschil prikkelt en scherpt de aandacht, terwijl het grote doet wegdromen en tot sentimentele beschouwingen leidt. Van de geest vergt het weinig, van ons inlevingsvermogen des te meer. Daarom geloof ik meer in het kleine verschil dan in het grote.

Zoals dat tussen Vlaanderen en Nederland . Zij fascineerden mij al in mijn prille jeugd. Godfried Bomans maakte in 1971 een reeks televisieprogramma's en een boek. De titel was Een Hollander ontdekt Vlaanderen. Allerlei Vlaamse prominenten werden voor de camera gehaald. Ze hanteerden een plechtstatige taal en het meubilair in hun huiskamers ademde nederlaag uit, Louis XVI en Empire. Bomans zelf zat in een ecologische periode, stelde er vragen over aan de Vlamingen die daar nog niet allemaal aan toe waren. Al stonden ze, en dat viel ook Bomans op, dichter bij het landleven dan hij in Nederland bij topfiguren gewoon was.

Die opmerking over dat rurale, aan eigen dorp en land gebondene, liet mij nooit meer los. Misschien is het wel door het oordeel van Bomans dat ik later, veel later, Hugo Claus altijd heb gezien als een heimat-auteur, die angstvallig de kerk bleef opzoeken om erin te kunnen vloeken. Kortom, de korte reis toont het kleine verschil. En het kleine verschil opent de poort naar het grote.

Vlaanderen en Nederland staan ook anders tegenover Rome. En dat komt omdat ze de Latijnse cultuur anders benaderen. Die heeft in al haar schijnbaar laisser aller onverbiddelijke wetten die niet iedereen even goed begrijpt. Zachtjes vallen harde woorden.

Ook Vlamingen hebben het er niet altijd gemakkelijk mee, met die Romeinse cultuur. Zo denk ik nog af en toe aan het dramatische moment waarop paus Johannes-Paulus II (1920-2005) mij in Rome de heilige communie weigerde. Niet omdat hij toen al wist dat ik later een slecht mens zou worden. Het zat ingewikkelder in elkaar.

In de vroege herfst van 1985 vertrok ik samen met een hoogleraar en acht studenten op studiereis naar Rome, waar wij de Romeinse curie bezochten, het centrale bestuursapparaat van de r.k.-kerk. Het hoogtepunt van de reis was een ochtendlijke eucharistieviering in de privékapel van de paus. Voor dag en dauw betraden we de trappen die naar de pauselijke vertrekken leiden, aan de rechterkant van de colonnade van Bernini wanneer je op het Sint-Pietersplein je ogen naar de basiliek richt.

Toen we de kapel betraden, zat de paus geknield voor het altaar. Ook aanwezig waren Franse kloosterzusters, alsmede een Amerikaanse seminarist met duidelijk overgewicht en aan zijn zijde zijn beide ouders. Tijdens de mis keek ik vaak naar de seminarist. Hij vond dit duidelijk een zeer belangrijk moment, en ik probeerde te peilen hoe het aanvoelt een jong leven helemaal in handen te leggen van de kerk, een instituut dat ambitieuze principes hanteert maar ook veel hardheid kent, typisch mannelijke ongevoeligheid.

De zusters gingen ter communie en keerden daarna devoot terug naar hun plaats. Ik stond als eerste van onze groep op om ook de communie te ontvangen. Zonder extreme emoties, dat moet ik toegeven. Toen ik voor de paus stond, stak ik mijn linkerhand uit en opende haar, in de vaste veronderstelling dat daarin ten spoedigste een hostie zou landen. Maar ze kwam er niet. Er kwam niets. Hoe lang? Een seconde misschien. Doch zoals een lichtjaar kort duurt in de kosmos, lijkt een seconde eindeloos wanneer je met open hand voor de paus staat.

Toen er maar geen hostie kwam, keek ik voor het eerst verder dan mijn eigen handen, iets wat een mens altijd zou moeten doen, en zag hoe de paus de hostie onbeweeglijk omhoog hield, zowat ter hoogte van mijn mond. In zijn bezwerend gebaar lag het bevel mijn mond te openen, wat ik zonder nadenken deed, zoals wij mensen wel vaker doen, wat het leven overigens draaglijk maakt.

Ik voelde bij het ontvangen van de communie iets vijandigs, en vroeg mij af wat er gebeurd zou zijn indien ik mijn mond niet had geopend. Een zenuwoorlog met een in de lucht hangende hostie? De paus zag er niet uit alsof hij ooit zou zwichten. Een volgend lid van ons gezelschap had de commotie door en opende dadelijk zijn mond. "C'est bien", gromde de heilige vader, die begreep dat hij de opstand in zijn privékapel had neergeslagen.

Ik kan niet zeggen dat dit incident mij voor het leven heeft getekend. Toch hou ik er een gevoel van vervreemding aan over. Ook wel een licht gevoel van onrechtvaardigheid. Je kunt bona fide in de fout gaan. Dat ervoer ik toen. Te meer omdat de paus in het voorjaar van 1985, enkele maanden eerder dus, Nederland en België bezocht, en daar aan iedereen de communie op de hand uitreikte, alsof hij zijn leven lang nooit wat anders had gedaan.

In de houding van Johannes Paulus II zat enig relativisme. Onbedoeld, want de Poolse paus was juist iemand die het relativisme krachtdadig bestreed, absolute waarheden omarmde en zelfs schiep. Toch deed wat daarboven in de kapel gebeurde mij denken aan een beroemde passage van Blaise Pascal: "Mooie gerechtigheid die ophoudt bij een rivier. Wat aan de ene kant van de Pyreneeën waarheid is, is dwaling aan de andere kant."

We zijn op zoek naar meer dan het eindeloze verschil. Iets moet ons binden. Maar dan niet de communie, die etymologisch eindeloos veel gemeenschappelijkheid uitdraagt. Misschien geeft juist deze gedachte dit lang vervlogen incidentje een wrange nasmaak.

Nochtans kunnen Vlamingen doorgaans beter overweg met de Latijnse stijl dan Nederlanders - die protestanten blijven, ook als ze katholieken zijn of helemaal ongelovig. Dat ondervond ik toen ik in 1987-1988 canoniek recht doceerde in Utrecht. Onder mijn studenten bevond zich Hans van den Hende, nu bisschop van Rotterdam. Ik doceerde zo overtuigend dat zijn bisschop de student Van den Hende voor verdere studie naar Rome stuurde, en niet naar het blijkbaar lichtjes ketterse Leuven waar ik vanaf 1988 ging doceren. Dat heeft ook hem ongetwijfeld gevormd. Als hij in Leuven had gestudeerd, zou hij vandaag een heel andere bisschop zijn of, waarschijnlijker, helemaal geen bisschop.

Vanaf 1988 was ik lid van de commissie Mensenrechten, een onderdeel van de katholieke, progressieve Acht Meibeweging. Als kerkjurist heb ik tijdens vele commissievergaderingen

ongelooflijk veel bijgeleerd. Zo kwam ik erachter dat kerkelijk recht weliswaar een serieuze wetenschappelijke discipline is, maar dat de context waarin ze wordt beoefend net zo goed van kapitaal belang is.

Zo besloot onze commissie, naar aanleiding van een incident over de mogelijke oprichting van binnenkerkelijke geschillencommissies, een brief te schrijven aan de bisschoppenconferentie. Ik had de inhoud van de brief voorbereid, hij zat desondanks goed in elkaar, op een manier zoals ik het vandaag niet meer zou kunnen. "Zouden we die brief wel verzenden?", opperde ik desalniettemin. "Misschien komt er helemaal geen antwoord op."

Ik kende de Belgische bisschoppen uit die tijd, wier strategie erin bestond moeilijke brieven onbeantwoord te laten. Dat belette hen foute dingen te schrijven. Maar in Nederland was die benadering klaarblijkelijk ondenkbaar. De gedachte alleen al maakte hen al kwaad. "Een bisschop die een brief niet beantwoordt? Kan niet! Uitgesloten gewoon!"

De onbeantwoorde brief: wat in Vlaanderen een slimme strategie leek, getuigde in Nederland van onaanvaardbare grofheid. Dezelfde daad bleek een andere te zijn. Feiten zijn geen feiten.

Wat mij als Vlaming - iets minder beginselvast, iets Latijnser - opviel, was hoe serieus Nederlanders de regel (0ver de rol van leken, het celibaat, vrouwelijke priesters) namen. Dat respect voor de rechtsnorm bleek uit hun onverdroten ijver om hem te wijzigen. Terwijl je net zo goed kunt besluiten de regel ongewijzigd te laten, en hem gewoon niet na te leven. Doch dat viel mijn Nederlandse vrienden zwaar. Ongehoorzaamheid leek hun te licht wanneer het om zware principes ging. Dus moesten de regels veranderen. Lukte dat niet, dan werden de Nederlandse katholieken kwaad, maar bleven ze de regel die ze verfoeiden toch naleven. Het enige alternatief bestond erin te vertrekken, de kerk te verlaten, ofschoon dat kerkjuridisch niet mogelijk is. Maar de regels overtreden, en toch kerklid blijven? Neen, dat was hoogst on-Nederlands.

In Rome verloopt dit type discussie volledig anders. Wellevendheid en respect zijn in de eeuwige stad erg belangrijk. Italianen zijn subtiel, la bella figura is belangrijk voor hen. Wil je iemand beledigen, dan doe je dat met respect. Terwijl in Nederland kritiek op een collega direct en duidelijk wordt geformuleerd, moet je die in Italië, te midden van barokke lofprijzingen, zoeken in voorzichtige vingerwijzingen die in bijzinnen sluimeren. Je dient over een kritische geest te beschikken om kritiek daadwerkelijk op het spoor te komen.

Tegenover regels en wetten staan Nederlanders en Italianen diametraal tegenover elkaar. Nederlanders volgen nauwgezet de wet die ze eerst, vergeefs, stoutmoedig hebben bestreden. Italianen doen zoiets niet. Zij bestrijden de wet niet. Zij eerbiedigen haar. En wie de wet eerbiedigt, is van de naleving ervan vrijgesteld. Het verlenen van lippendienst is belangrijker dan het betuigen van gehoorzaamheid. Je kunt dat hypocriet noemen, maar je kunt net zo goed aanvoeren dat binnen een christelijke traditie eerbied meer lof verdient dan gehoorzaamheid, dat eerstgenoemde in de rangorde der deugden primeert.

Het kleine verschil bevestigt de gelijkenis, de herkenning. En ze verschaft ons inzicht in onszelf. Terwijl we reizen, veranderen we van mening met het weer en met het landschap. Vaak zitten meningsverschillen in semantiek, in een verschillende betekenis die een woord in een andere context krijgt. Bij een discussie wordt dat vaak over het hoofd gezien.

Laatst viel mij dat op toen de Libanese Belg Dyab Abou Jahjah een contract tekende bij uitgeverij De Bezige Bij in Amsterdam. Joodse auteurs die daar ook publiceren, waren er woedend over.

Abou Jahjah is een links militant, die raciale verschillen gebruikt als hefboom in de klassenstrijd die hij beoogt. Cultureel gezien is hij moslim, maar hij gelooft niet. In Vlaanderen is Abou Jahjah een veel gevraagd mediafiguur. Hij heeft - juist omdat hij bij gelovige moslims niet aanslaat - nauwelijks aanhang, maar het is begrijpelijk dat hij in het geseculariseerde Vlaanderen veel ruimte krijgt. Hij ontdoet de integratie van moslims immers van hun religieuze dimensie, zodat enkel nog klassenstrijd en het gevecht tegen racisme overblijven, wat vertrouwder in de oren klinkt en meer zekerheid biedt. In de moeilijke tijden die politiek links beleeft, is hij een reïncarnatie van de oude marxisten, met dit verschil dat de proletariërs die hij wil verenigen de groep van niet-blanken is. Perfect te begrijpen dus, zeker vanuit het standpunt van de media.

Er zou ook in Nederland geen probleem rijzen met Dyab Abou Jahjah, als hij niet die ronduit negatieve positie tegenover Joden had gehad. Maar nu komt het kleine verschil. Abou Jahjah noemt zich antizionist, maar geen antisemiet. In Vlaanderen komt hij met dit simpele onderscheid weg, en kan hij aan het maatschappelijk debat blijven deelnemen met een zweem van intellectueel fatsoen.

In Nederland, waar de gevoeligheid voor het onderwerp veel groter is mede omdat de Jodenvervolgingen daar in de Tweede Wereldoorlog nog veel wreder waren dan in Vlaanderen, lukt dat minder. De vraag daarbij is of de Vlaamse aanvaarding van een heel eenvoudig onderscheid tussen antizionisme en antisemitisme zelf niet antisemitisch is. Abou Jahjah vindt bijvoorbeeld dat Joden de foute staat Israël moeten ontmantelen, waarbij hij hun de keuze laat tussen la valise et le cercueil, het vrije vertrek of de doodskist. Antizionisme, geen antisemitisme. Niet altijd simpel om deze stelling voor een werkelijk kritisch publiek te verdedigen.

In ieder geval toont de discussie over Abou Jahjah en zijn contract bij de Bezige Bij hoe oppervlakkig wij in Vlaanderen met antisemitisme omgaan, een gespreksonderwerp dat wij angstvallig vermijden, ten dele onbewust. Hoe dan ook, een antisemiet in Nederland is dat niet per definitie ook in Vlaanderen.

Reizen scherpen onze geest. En vooral reizen die ons niet ongenadig verleiden, maar ons wijzen op het schijnbaar kleine verschil, dat ons anderen leert kennen en waarderen, zeer zeker, maar vooral onszelf toont wie we werkelijk zijn. Op het eerste gezicht is dat een beetje vervelend. Misschien zijn katholieke Nederlanders niet ongehoorzaam genoeg om werkelijk katholiek te zijn, maken pausen misbruik van hun positie om nu eens bisschop van Rome en dan weer hoofd van de wereldkerk te spelen, verschuilen Vlamingen zich achter antizionisme om hun ongevoeligheid voor antisemitisme te verbergen. Die confrontatie is soms pijnlijk, maar tegelijk verhelderend, wat de pijn dan weer verzacht.

En er kleeft nog een ander voordeel aan de reis. Ze maakt dat we, op de vele plekken waar we komen, gewoon voorbijgangers zijn. Elke reis toont een gebroken spiegel. We komen en we gaan, we blijven niet. Dat is het lot van de mens. Reizen maakt ons kleiner dan we denken wanneer we ons, honkvast, meesters wanen van het land dat we bewonen. Tegelijk maakt reizen de wereld groter, mooier, heiliger ook. Heiliger, want voorbijgangers weten dat ze geen eigenaars zijn.

We komen en gaan, de wereld blijft. We kunnen zelfs, zo die genade ons wordt geschonken, in God geloven, zonder dat we het heimelijke verlangen koesteren zelf een god te worden.

Dit is een bekorte versie van de Abt Emo-lezing die Torfs vorige maand in Wittewierum heeft uitgesproken. De volledige tekst is te bestellen via www.erfgoedpartners.nl.

Abt Emo reisde in de winter van 1211-1212 naar Rome om zijn klooster te redden uit handen van de bisschop van Münster. Zijn kroniek is van grote waarde voor de kennis van middeleeuws Groningen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden