Reiko zingt de blues

Het straatbeeld in Tokio verschilt weinig van dat in westerse metropolen: hier staan Japanse tieners in de rij voor de eerste Japanse H & M-vestiging. (EPA/DAI KUROKAWA)

Japanners luisteren naar jazz, Bengaalse vrouwen leven op afhaalpizza: de wereld globaliseert. De succesvolle verhalen en romans van de Aziatische-Amerikaanse schrijvers Haruki Murakami, Jhumpa Lahiri en Nam Le weerspiegelen die nieuwe realiteit.

De wereld globaliseert, de literatuur globaliseert mee. Niet alleen migreren en vliegen schrijvers vaker heen en weer tussen Oost en West, ze kunnen in hun romans en verhalen ook steeds meer vertrouwen op gedeelde ervaringen: de tv, Hollywoodfilms, Nikes, vliegvelden: die kennen we allemaal. Toch valt het nog niet mee om die mondiale, onpersoonlijke wereld in persoonlijke beelden te vatten. Het recente succes van een aantal auteurs die Aziatische roots paren aan een diepgaande kennis van de Europese en Amerikaanse literaire traditie, bewijst dat dat wel mogelijk is.

Het meest verwarrende en fascinerende voorbeeld van een schrijver in wie Oost en West samengaan is ongetwijfeld Haruki Murakami, een Japanner die zich van jongs af aan voedde met Amerikaanse romans (Chandler, Scott Fitzgerald) en in zijn geboorteland al even mateloos populair is als in de vele Europese landen waarin zijn werk verschijnt; ook Nederland heeft hij stormenderhand veroverd: er is al een fanclub.

Toen Murakami in 1987 in Japan doorbrak met ’Norwegian Wood’ (genoemd naar de song van de Beatles), werd hij door landgenoten weggezet als treurig product van Amerikaans cultureel kolonialisme. Gek is dat niet: wie Murakami leest, stuit voortdurend op vervreemdende passages waarin vaag ongelukkige Japanse studenten of kantoorklerken zich laven aan ’onze’ culturele iconen. Neem deze passage uit ’Norwegian Wood’, volgens Murakami zelf zijn enige realistische roman:

,,Het bleef regenen. Af en toe onweerde het. Toen de druiven opwaren, stak Reiko maar weer een nieuwe sigaret op, haalde haar gitaar onder het bed vandaan en begon te spelen. Eerst ’Desafinado’ en ’The girl from Ipanema’, toen een paar liedjes van Burt Bacharach en daarna Lennon-McCartney-liedjes.’’

Murakami’s helden en heldinnen zijn vrijwel zonder uitzondering verslingerd aan westerse muziek, vaak aan jazz. Vaak hebben ze ook nog een roman van Kafka op hun nachtkastje liggen.

Voor jonge Japanners, in wier wereld Tom Cruise en Led Zeppelin even dagelijkse verschijningen zijn als kimono’s en sushi’s, moeten Murakami's boeken hebben gevoeld als een erkenning van hun bestaan. Niet-Japanners vinden houvast in Murakami's westerse iconen en de aan Scott Fitzgerald herinnerende eenvoud en melancholie van zijn vertellingen - hoewel de complete mix van Oost en West ons waarschijnlijk surrealistischer en exotischer aandoet dan de Japanners zelf.

Een minder radicale vermenging van Oost en West is te vinden bij Jhumpa Lahiri, een Amerikaanse van Bengaalse komaf, wier nieuwste boek ’Vreemd land’ het afgelopen jaar ook in Nederland – en in Trouw -juichend werd onthaald. Zij belicht juist de kloof tussen een oosterse en westerse levensstijl. Zoals in het geval van de eenzame huisvrouw Ruma uit het titelverhaal, die in Seatle woont met haar zoontje en man. ,,Adam werkte voor een hedgefonds en was sinds de verhuizing nog geen twee weken achtereen thuis geweest.”’ Het bezoek van Ruma’s vader confronteert haar met haar afkomst, met het Bengaalse eten, het familiegevoel dat ze in de overstap naar de Amerikaanse levensstijl is kwijtgeraakt.

Een weg terug is er niet voor Ruma, noch voor de andere immigranten in deze verhalen, maar Lahiri laat ons als weinig anderen vóelen wat het is om te leven met twee identiteiten. Daarbij houdt ze haar taal, net als Murakami, onopgesmukt en wendt ze al haar literaire vermogens aan om de pijn van die scheiding tussen oud en jong, westers en oosters aan het licht te brengen. Haar inspiratiebron: de Europese en Amerikaanse canon. Met name de invloed van de tedere Tsjechov klinkt erin door.

Anders dan bij Murakami klinkt de verhouding tussen Oost en West ons bij Lahiri vertrouwd in de oren: sari’s worden ingewisseld voor spijkerbroeken, zelf bereide curry’s voor afhaalmaaltijden: Aziaten worden Amerikanen. Een beetje zoals wij zelf in de jaren zestig moderner en Amerikaanser werden.

Het nog pas dertigjarige talent Nam Le, een in Vietnam geboren Amerikaan die opgroeide in Australië, heeft hoogstwaarschijnlijk dezelfde inburgeringservaringen als Lahiri, maar hij is een eigenwijzere globalist. Beter gezegd: het stoort hem als Vietnamese schrijver te worden aangemerkt, terwijl hij dat land helemaal niet kent. In zijn onlangs vertaalde en in Amerika bejubelde verhalenbundel ’De boot’, wekt hij niet alleen begrip voor de migrant, maar voor de meest uiteenlopende wereldburgers, in plekken die variëren van een dure Londense galerie tot een krottenwijk in Colombia.

Nam Le begint zijn boek met een vertrouwde scène. Een jonge, goeddeels verwesterde hoofdpersoon volgt in het koude, winderige Iowa een opleiding in creative writing en krijgt bezoek van zijn Vietnamese vader, die hij drie jaar niet heeft gezien. Hij verstopt de whisky, veegt de sigarettenas van tafel en vraagt zich af wat hij aanmoet met een logerende vader. Maar als deze een Vietnamese maaltijd op tafel zet, moet hij toegeven dat hij dat eten heeft gemist: „ (...) tot nu toe had ik met name chips, noedels en pizza gegeten.”’

In hetzelfde verhaal rebelleert Nam Le echter krachtig tegen de verwachtingen waar hij als ’etnisch’ talent kennelijk aan moet voldoen en die een andere schrijver in spe als volgt samenvat: „Je zou dat Vietnamgedoe helemaal kunnen uitbuiten. Maar nee hoor, jij moet met alle geweld over lesbische femme fatales, Colombiaanse moordenaars en Hiroshima-wezen schrijven - en over New-Yorkse schilders met aambeien.’’

En dat is precies wat Nam Le in de volgende verhalen in de bundel doet. Afgezien van de lesbische femmes fatales – die ik niet heb kunnen ontdekken – krijgen alle hierboven genoemde typen een verhaal toebedeeld, en dan neemt Nam Le ons ook nog mee naar de Australische kust, een religieuze manifestatie in Teheran en – niet voor niets als laatste – naar het stinkende ruim van een boot vol Vietnamese vluchtelingen.

Zo beschreven klinkt ’De boot’ misschien als een bloedeloze exercitie, en dat wordt er vast niet beter op als ik u verzeker dat Nam Le alle lessen van de Amerikaanse schrijfschool ijverig heeft opgevolgd. Nooit vergeet hij in wiens hoofd hij is gekropen – de metaforen kleuren voorbeeldig mee met de personages. En nooit vergeet hij ons te laten ruiken en voelen waar we ons bevinden: in een chique restaurant, in nachtelijk Teheran: ,,Luiken sloegen tegen kozijnen, blikjes schraapten over de straten, hortend en stotend, alsof ze gewond waren.’’

Een minder intelligente en empathische schrijver zou van zo’n experiment misschien een kille staalkaart van virtuositeit hebben gemaakt, maar Le beschrijft zijn personages zó van binnenuit dat hun gevoelens en hun lot je onmiddellijk aan het hart gaan. Dat maakt zijn uitdagende poging etnische grenzen te overschrijden des te overtuigender.

Of Nam Le ook in Vietnam een succes zal worden, of Lahiri in Bengalen? Daarvoor zijn zij misschien – anders dan Murakami, die vaker in zijn vaderland verkeert – te zeer doordrongen van de westerse denkwereld en de eisen van Amerikaanse uitgevers. Maar hun ouderwets- westerse aandacht voor de psychologie van hun personages maakt hun boeken voor óns erg aantrekkelijk. Ze laten ons wennen aan een geglobaliseerde wereld, maar bekleden die met intense gevoelens, waardoor die wereld beduidend minder kaal en koud aanvoelt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden