Regisseur tot het einde

Eigenwijzen leven het langst, was zijn lievelingsspreuk. Op zijn kronkelig levenspad volgde hij steeds zijn zijn eigen wijsheid.

Een merkwaardige optocht trekt door het bos bij Warnsveld. Van de hervormde kerk in dit stille, Gelderse dorp sleept een paard een zwarte kar met daarop een kist van ruw uitziende planken dennehout naar de begraafplaats. Twee- misschien driehonderd mensen volgen de kar drie kwartier lang. De voorste mensen zingen Om mani padme hum, een Tibetaansboeddhistisch gebed.

Het zijn gewone Nederlandse mensen die deze mantra door het bos laten zoemen. Wie niet meezingt, zwijgt. Precies zoals de regisseur had voorgeschreven. Die regisseur ligt in die kist op de kar. Dit is zijn laatste, postume voorstelling.

Ruim vijf jaar geleden kreeg Hemmie Berentsen zijn doodvonnis te horen van een longarts. Hij was een straffe roker geweest, maar hij had twee maanden daarvoor gebroken met zijn tabaksverslaving. Zelf had Hemmie in de gaten gehad dat er iets mis was. Hij drong aan op steeds nieuwe onderzoeken, totdat de longarts inderdaad vond waarvoor Hemmie had gevreesd.

De arts gaf hem hooguit nog een half jaar te leven. Dat was te weinig voor Hemmie. Hij dacht aan zijn dochters van 16 en 19. Zij konden nog niet zonder hem, meende hij. Zijn leven moest hoe dan ook worden gerekt. Hemmie ging dat regelen. Dingen regelen en fiksen, dat was zijn leven.

Het is hem gelukt. Zijn meiden zijn nu volwassen en vinden hun eigen weg. Dus Hemmie mocht gaan.

Dat er op zijn uitvaart een exotische mantra zou klinken, had niet voor de hand gelegen voor een man die afkomstig was uit een eenvoudig katholiek gezin met zeven kinderen in de Gelderse streek de Liemers, bij ’s Heerenberg.Â

Opa’s vader was keuterboer. Opa zelf handelde in varkens, had zelf ook een stal aan huis, maar ontworsteld zich na de eerste wereldoorlog daaraan door ambtenaar te worden. Zijn zoon Antoon had de volgende stap op de ladder gezet en werd loketbediende bij de post. Hij was invaller en trok van postkantoor naar postkantoor om gaten in het personeelsbestand te vullen. Dat verdiende wat meer.

Hij prentte zijn kinderen in dat ze moesten leren om het beter te krijgen dan hij. En waar kon je beter leren dan in het internaat van de paters? Thuis was er weinig rust met negen mensen in drie slaapkamers.

De paters van de orde ’salesianen van Don Bosco’ kwamen geregeld op huisbezoek bij de kinderrijke gezinnen in de Liemers om hun kostschool vol te krijgen. Maar Berentsens oudste zoon liet zich niet ompraten en weigerde om op internaat te gaan, een weerspannigheid die ongebruikelijk was in de vroege jaren zestig, diep in de provincie. Maar Hemmie, het tweede kind, liet zich wel overhalen. Vreemd eigenlijk, want Hemmie leek toen al een avontuurlijke jongen. Of droomde hij ervan dat hij bij de paters missionaris zou kunnen worden om zo in wilde streken van Afrika de wonderbaarlijkste dingen mee te maken?

Maar op de kostschool van de paters was Hemmie ongelukkig. Hij was eenzaam. Hij miste zijn ouders, broers en zussen. Na een paar jaar kwam het ergste. De paters hadden alleen de laagste klassen, de oudere leerlingen moesten elke dag vijftien kilometer fietsen naar een andere school. Hemmie’s route liep langs het huis van zijn ouders. Maar hij trapte door. Alleen op de terugweg naar het internaat bleef hij soms even.

Hij begon te stotteren. Later zou hij zeggen dat dat hem een behendigheid met woorden had opgeleverd. Want zodra hij voelde dat een woord hem dwars zou gaan zitten, week hij razendsnel uit naar een ander, makkelijker woord.

De natuur en het buitenleven boeiden hem. Eigenlijk wilde hij wel boer worden, maar zo’n toekomst was ondenkbaar in een familie die zich nog maar net ontworsteld had aan het uitzichtloze bestaan van keuterboer. Als hij dan geen boer kon worden, dan zou hij wel iets met theater en muziek willen. Ook al ondenkbaar, want de mensen in de Liemers wisten heel zeker dat je daarmee geen droog brood kon verdienen.

Hemmie ging naar de sociale academie in Enschede. Sociaal werk, mensen helpen, dat was wel naar de smaak van vader. Wisten ze in de Liemers veel dat sociale academies in het begin van de jaren zeventig broeinesten van opstandigheid waren? Er heeft nog eens een foto in de krant gestaan van een vlag die Hemmie gemaakt had: Fuck the system! De brave kostschooljongen ontpopte zich ook als feestbeest. Dansen, dat was hij het liefste deed.

Hemmie werd opbouwwerker, zoals dat destijds heette. Hij ving jongeren op, liefst met muziek en theater. Maar er smeulden diepere verlangens in hem. Hij trok voor een half jaar naar India, zoals zo velen van zijn generatie dat deden. Want ze dachten dat daar, op de bakermat van hindoeïsme en boeddhisme, de wijsheid voor het grijpen lag.

Ergens op een afgelegen strand vond Hemmie zijn goeroe. Na een maand of drie had hij het gehad. Hij was geknakt. Had hij te diep in zichzelf gekeken? Of was de rauwe werkelijkheid van India hem te veel geworden?

Thuis gekomen vond hij een vorm van meditatie die een Nederlander beter past: hard fietsen. Hij fietste naar Portugal en daar knapte hij van op. Daar op het strand deed hij nog een bijzondere ervaring op toen hij zijn hartslag in het ritme van de golfslag van de oceaan wist te krijgen.

Het spirituele bleef in hem kriebelen. Deze keer zocht hij het dichter bij huis. Hij vestigde zich als klassiek homeopaat in Lochem. De regelaar in hem maakte er meteen een alternatief centrum van, met een natuurvoedingswinkel.

Hij had vertrouwen in de homeopathie, maar hij zag ook de beperkingen ervan in. Bovendien was het een vrij beroep vol financiële onzekerheid, terwijl hij een gezin met twee dochters moest onderhouden. Hij ging weer op zoek naar een vaste baan.

Terug naar het jeugdwerk. Op zijn laatste visitekaart staat ’jeugdbeschermer’. Jarenlang ontfermde hij zich over kinderen die thuis onhoudbaar waren. Hij wilde graag praktisch werken met de kinderen en hun ouders. Maar de bureaucratie rukte op. Steeds vaker zat hij achter een bureau met formulieren.

Hemmie was 49 jaar toen hem de dood werd aangezegd. Wat er ook zou gebeuren, in de tijd die hem restte wilde hij echt leven. Niet geradbraakt strompelen van chemotherapie naar bestraling. Hij vond een arts in Keulen die het anders aanpakte: de aanmaak van extra bloedcellen, een hittebehandeling en ook de injectie van het vogelpestvirus, want een Britse boer met kanker genas daarvan toen hij ook de vogelpest kreeg. Die methoden zijn nog niet wetenschappelijk aanvaard, maar Hemmie nam liever risico dan dat hij ziekmakende traditionele behandelingen zou ondergaan. Alleen het geld was een probleem. De ziekteverzekering betaalde niet mee.

Maar Hemmie ging weer wat regelen. Hij durfde te schreeuwen om hulp: dit kan ik niet alleen. Met vrienden richtte hij de steungroep HUB op, Hemmie Uut de Brand. De HUB hield allerhande lezingen, een kunstverkoop, concerten, een dialectmiddag, een sponsorloterij en een boottocht met een oude platbodem.

Hemmie ging zelf in Frankrijk maretakken uit de bomen halen om tegen kerstmis te verkopen met zelf gebottelde wijn. Als het maar geld opleverde om de Keulse rekeningen van vele tienduizenden euro’s te betalen.

En altijd was Hemmie zelf aanwezig bij de evenementen. Niet als zielepiet, hij bleef altijd opgewekt. Het valt nog best mee, zei hij vaak, het had veel erger kunnen zijn.

Vorig jaar liep hij nog een deel van de pelgrimsroute naar Santiago de Compostela. Vier weken lang elke dag vijftien tot twintig kilometer.

Maar hij wist dat zijn einde nabij was. Daar kon die Keulse arts ook niets aan veranderen. De dokter geeft maar garantie tot aan de voordeur, zei Hemmie. Thuis op z’n computer had hij een spreuk gehangen: Eigenwijzen leven het langst.

Nauwgezet bereidde hij zijn dood voor. Aan alles werd gedacht. Zelfs aan het paaltje dat verwijderd zou moeten worden van een bruggetje op zijn route naar het graf.

Toen de doodskist naar eigen ontwerp werd afgeleverd door de dorpstimmerman, kreeg Hemmie het wel even benauwd. De kist werd uit het zicht gestald op de hooizolder van een bevriende boer, naast de surfplank van zijn dochter. Hij heeft er nog een half jaar gestaan.

Toen hij uiteindelijk in het ziekenhuis belandde, belde hij zelf meteen het hospice voor stervenden in Zutphen. De laatste vergadering van de steungroep werd daar gehouden totdat alles in de puntjes geregeld was.

Na twee weken zei Hemmie op een ochtend: ik wil niet meer. Diezelfde avond nog was hij echt uut de brand.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden