Regisseur Theu Boermans doet álles voor. ’Het archaïsche filter ik er langzaam uit.’

Half vergane gordijnlappen langs de wanden. Op de vloer oude keukentafeltjes en -stoeltjes. Linksachter een aantal acteurs, rackets in de hand, klakkend met de tong: een ’onzichtbare’ tennismatch. Daarvoor een speelscène.

Een paar weken voor de première is er verbeeldingskracht nodig om de morsige ambiance van de repetitiestudio te vertalen in de toneelsituatie. Regisseur Theu Boermans maalt er niet om. Hij is geconcentreerd op de tekst. Geen woord, geen intonatie ontsnapt aan zijn aandacht. „Doe die zin nog ’s droog.” „Droog??” „Ja, droog!” Ironisch er achteraan mompelend: „Daar heb je drie jaar voor op de toneelschool gezeten!”

Boermans regisseert bij zijn gezelschap De Theatercompagnie ’Het Wijde Land’ van de Oostenrijkse schrijver Arthur Schnitzler (1862-1931), het in verraderlijk luchtige conversatie verpakte huwelijksdrama van een echtpaar waarvan de man, Frederik Hofreiter (Mark Rietman) een notoire vreemdganger is, en de vrouw, Genia (Anneke Blok), juist hecht aan ware trouw.

Het stuk kon in 1911 op flink wat misnoegen rekenen. Schnitzler zou het gedrag van de man rechtvaardigen door hem als een heel charmant en geestig personage te tekenen. Het was Schnitzler inderdaad niet te doen om een moreel oordeel, maar meer om onderhuidse driften en motieven. En de (in dit geval letterlijk dodelijke) consequenties. Het stuk begint met een zelfmoord en eindigt met een tragisch duel.

Dat duel mag een anachronisme lijken in onze tijd, dit volgens Boermans beste stuk van Schnitzler heeft zeker een actuele betekenis: „Het gaat heel erg over markteconomisch denken, waarin de mens wordt gereduceerd tot consument, en liefde enkel cement is voor zelfverwerkelijking. Frederik is met zijn ’verlichte’ ideeën niet voor niets een gloeilampenfabrikant. Ook bij ons staan liefde en huwelijk onder druk: iedereen moet voor zichzelf zorgen.”

In het repetitielokaal bemoeit Theu Boermans zich intensief met de mise-en-scène. Voortdurend springt hij op van zijn stoel om aan te geven waar iedereen ten opzichte van elkaar moet staan en bewegen. Op de achtergrond huppen de ’tennissers’ om er bij hun opkomst zometeen enigszins verhit uit te zien, als na een stevig partijtje.

Repeteren in decor stuit op ruimtegebrek. Het weekeinde daarop reist het gezelschap daarom naar het plaatselijke theater in Zutphen. Dat worden vooral technische repetities met de precieze opkomsten en afgangen. Tot opluchting van Boermans zullen de spelers dan tenminste snappen hoe het geheel in elkaar zit. En kunnen de technici aan de slag met muziek, geluid en licht.

Het is een hele organisatie. De figurantenrol van de regie-assistente meegerekend, staan maar liefst achttien spelers van verschillende generaties op het toneel. Boermans wil absoluut geen dubbels: „Een paar mensen met telkens een andere pruik op past niet bij dit stuk. Dat kan alleen wanneer het als doelbewust stijlmiddel wordt gehanteerd. Hier zou het net zoiets zijn als bij een orkest waar de cellist van stoel zou verwisselen om ook de piccolo te bespelen.”

Een week later in de studio wordt in klein gezelschap een deel van het eerste bedrijf op de letter gerepeteerd. Het eerdere, licht archaïsche ’vousvoyeren’ tussen verschillende personages is deels overgegaan in tutoyeren. „Zoiets filter ik er langzaam uit”, zegt Boermans: „Ik zoek naar abstrahering. Alle overbodige historische verwijzingen gaan weg, anders had ik een kostuumstuk moeten maken. Het stuk moet zo kaal mogelijk, moet het van zijn eigen kracht hebben, de kracht van de taal.” Tegen de acteurs: „We gaan nu rust brengen in de scènes. Ik wil dat jullie niet meer overal overheen fietsen.”

Boermans pakt elk zinnetje, elk woord aan, voorziet die, met uitleg, van de juiste klemtonen, accenten, intonatie en zelfs toonhoogtes. En doet álles voor. Toch blijkt navolgen niet altijd eenvoudig. In een herhaald ’hóe dan ook, hoe dan óók, hóeoe dan ook’, krijgt Mike Reus maar niet de goede toon te pakken. „Nooit zo doen”, zegt Boermans, „altijd een paar regels terugnemen om het in de context te plaatsen.” Dan is het meteen goed. Hij schatert van plezier als zijn aanwijzingen het juiste effect hebben.

Drie uur en twaalf pagina’s verder die avond is Katja Herbers (jongste verovering van Frederik) niet aan de beurt geweest. „Je zit hier toch ter lering ende vermaak”, lacht Boermans verontschuldigend. Opvallend is hoe aandachtig wordt gereageerd op Boermans’ minutieuze aanpak. Leny Breederveld, gewend te improviseren bij theatergroep Carver: „Ik vind het heel prettig. Je krijgt een stevig houvast en van daaruit de ruimte om het je eigen te maken.”

Zelfs bij een doorloop (alle bedrijven achter elkaar) kan Boermans niet nalaten zich ermee te bemoeien: „Ik zie de acteurs dan wel ’s geïrriteerd denken van ’laat me toch even mijn eigen ding doen’, maar zeker als het goed gaat, wil ik het nog beter krijgen.” „De perfectionist”, fluistert Tijn Docter.

Het weekeinde voor de première wordt weer in decor gerepeteerd, nu in de Roosendaalse schouwburg, waar het repetitieschema onverwacht moet worden aangepast: de zeer luidruchtige carnavalsoptocht begint en eindigt in de foyer. Zulke dagen zijn, zegt Myranda Jongeling, „een heel bijzonder moment in het repetitieproces. Je kunt niet zomaar weg, zit samen in een hotel, bent drie dagen lang echt een groep aan het worden.”

De maandag erop is de sfeer tijdens een ’italiaantje’ (een snelle, puur technische tekstdoorloop, ditmaal inclusief mise-en-scène) losjes, met veel gedoe met deuren-die-er-niet-zijn en groepsopkomsten. Dinsdag wordt definitief naar de Stadsschouwburg verhuisd, en naar het decor: strakke zwarte wanden met heel veel (witte) deuren, die geïnspireerd lijken op het tweede deel van het genrebegrip tragikomedie. Met terugwerkende kracht krijgen de aanwijzingen voor (groeps)mise-en-scène daar dimensie.

Accenten verschuiven. De halve technische ploeg heeft griep, slikt pillen en constateert: de toneelbrieven moeten van dikker papier, anders knisperen die te hinderlijk. Boermans praat lang in op individuele acteurs om hen te voeden voor een volgende scène. De repetitie moet plaats maken voor soundchecks van de zendmicrofoontjes van de acteurs. Het ensemble verzamelt zich op het podium. Er zijn nog één doorloop en twee try-outs te gaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden