Regering heeft dwangvoeding al uitgesloten

Bij het vaststellen van de Penitentiaire Beginselenwet heeft de regering al aangegeven dat het niet de bedoeling is dat wilsbekwame gevangenen onder dwang worden gevoed. De wil van Volkert is uitgangspunt.

Er is al enige tijd een verhitte discussie gaande over de vraag of het toelaatbaar is de hongerstakende Volkert van der G. onder dwang te voeden. Het mag van de wet vindt de minister van justitie; nee zegt de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Artsenorganisatie KNMG geeft artsen het advies aan de dwangvoeding niet mee te werken.

Opvallend is dat in een aantal van deze standpunten en meningen een nogal eenzijdige juridische of ethische invalshoek wordt gekozen. Het bijzondere van deze kwestie is echter dat het gaat om de relatie en de samenhang tussen juridische regels enerzijds en medisch-professionele en medisch-ethische normen anderzijds.

Zowel in het recht als in de ethiek wordt veel waarde gehecht aan het recht van wilsbekwame mensen (gedetineerd of niet) om zelf te beslissen of ze een medische behandeling ondergaan. Het toepassen van dwang bij een wilsbekwame patiënt is niet onder alle omstandigheden uitgesloten, maar moet worden gezien als uitzondering. Zo'n uitzondering behoort bovendien te kunnen worden gebaseerd op een wettelijke bepaling, omdat het gaat om een beperking van het grondwettelijk recht op lichamelijke integriteit.

In de discussie over de mogelijke dwangvoeding van Volkert van der G. is door de minister van justitie en anderen gewezen op de ruimte die zou worden geboden door artikel 32 van de Penitentiaire Beginselenwet (PBW). Die staat de gevangenisdirecteur toe te besluiten dat een gedetineerde een medische (be)handeling moet ondergaan. Letterlijk genomen biedt ze de mogelijkheid voor dwangbehandeling van een wilsbekwame gedetineerde. Onjuist is het vorige week door de Inspectie gepubliceerde standpunt dat art. 32 PBW alleen betrekking heeft op gedetineerden die psychisch gestoord zijn. Het is zeer de vraag of art. 32 PBW bedoeld is voor toepassing in een zaak als die van Van der G. Tijdens de parlementaire behandeling van art. 32 PBW heeft de regering er zelf op gewezen dat ook in het kader van deze wetsbepaling de wil van een hongerstakende gedetineerde het uitgangspunt is. De regering verwijst hier zelf naar de Verklaring van Tokyo van de World Medical Association. Alleen als de gedetineerde zijn wil niet kan bepalen, zal dwangvoeding op grond van art. 32 PBW gerechtvaardigd kunnen worden (Kamerstuk 24263, nr. 6, p. 28). Dat is de wetshistorische interpretatie van art. 32 PBW, die dus weinig ruimte lijkt te bieden voor dwangvoeding van een wilsbekwame gedetineerde.

Maar zelfs als wordt gekozen voor een ruime, bijvoorbeeld letterlijke interpretatie van art. 32 PBW, is het resultaat naar mijn mening niet dat dwangvoeding toelaatbaar is. In zo'n ruime interpretatie heeft weliswaar de gevangenisdirecteur de bevoegdheid tot dwangvoeding te besluiten, maar kan hij een arts niet dwingen werkelijk tot dwangvoeding over te gaan. Ook dat heeft de regering overigens zelf opgeschreven. In de memorie van toelichting bij art. 32 Penitentiaire Beginselenwet staat namelijk: 'Het artikel legt de bevoegdheid bij de directeur, maar legt geenszins een verplichting tot handelen bij de medicus. Of, en zo ja, welk medisch ingrijpen is geïndiceerd dient deze volgens zijn professionele maatstaf te beoordelen' (Kamerstuk 24263, nr. 3, p. 53).

En hier legt de wetgever zelf dus een link tussen de juridische regel van artikel 32 PBW en de beroepsnorm van de arts. De arts is autonoom in zijn afweging en baseert zich op de opvattingen binnen zijn eigen professie. Maatschappelijke en politieke druk zijn in dat kader niet relevant, en ook kan de gevangenisdirecteur de arts geen opdracht geven. De heersende opvattingen binnen de medische professie kunnen worden afgeleid uit de verklaringen van Tokyo (1995) en Malta (1991) van de World Medical Association en uit het mede daarop gebaseerde standpunt van de artsenorganisatie KNMG: een arts moet niet meewerken aan de dwangvoeding van een wilsbekwame gedetineerde. Die medisch-ethische opvatting kan in dit geval niet maar even aan de kant gezet worden, vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval. Het gaat om een opvatting waarvan het belang door de wetgever die art. 32 PBW heeft gemaakt zelf is erkend en geaccentueerd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden