Regeren met de handen los is een zegen

Minister Jeroen Dijsselbloem van Financien. Beeld ANP
Minister Jeroen Dijsselbloem van Financien.Beeld ANP

Het beeld is al bijna vertrouwd: de minister van financiën die, omstuwd door verslaggevers en cameraploegen, met de pet rondgaat bij de fractieleiders in de Tweede Kamer. Jan Kees de Jager gaf vorig jaar mei het voorbeeld, zijn opvolger Jeroen Dijsselbloem maakt, op zoek naar draagvlak onder de begroting voor 2014, van het verse spoor gebruik.

Verfrissende nieuwe politiek of vertoon van politieke onmacht dat meewarigheid oproept? Ik houd het erop dat van de nood een deugd wordt gemaakt.

De regerende coalitie heeft die nood ten dele wel over zichzelf afgeroepen door onvoldoende acht te slaan op haar minderheidspositie in de Eerste Kamer. Daardoor ging het kabinet-Rutte/Asscher van acquit met een groot vraagteken achter de uitgevente stabiliteit. CDA-fractieleider Buma heeft dus wel een punt met zijn kritiek deze week op deze arrogantie dan wel onachtzaamheid, temeer daar de toenmalige PvdA-senator Han Noten uitdrukkelijk voor de consequenties waarschuwde.

Daar staat tegenover dat de slagvaardigheid die Rutte en Samsom aan de dag legden, getuigde van gevoel van urgentie. Ze opereerden als het ware in de geest van het Kunduz-akkoord, waarmee de Nederlandse politiek zich van haar sterkste kant liet zien. Juist in tijden van crisis moet de parlementaire democratie met haar toch al ingebakken onvrede tonen wat zij waard is. Buma moet dus niet te lang blijven zeuren.

Zwijgzame politici
Het vertoonde kunst- en vliegwerk in de laatste negen maanden is verre te verkiezen boven de krampachtigheid van voorgaande coalities, die over een deugdelijker basis leken te beschikken. De politiek van improvisatie wekt op den duur waarschijnlijk meer vertrouwen dan het beeld van hermetisch gesloten deuren of het eindeloze va-et-vient van zwijgzame politici bij het Catshuis.

Meerderheden zijn nodig om in een democratie tot besluiten te komen, maar het meerderheidsdenken heeft door de politiek in de afgelopen decennia een verwoestend spoor getrokken. Het heeft afbreuk gedaan aan de functie en het gezag van het parlement, aan het politieke debat en aan het publieke ambt van Kamerlid. In het extraverte gezicht van de oppositie (Fortuyn, Marijnissen, Kant, Wilders, Krol) weerspiegelde zich de afgelopen jaren als het ware het introverte karakter van de coalitiepolitiek.

Als het dieptepunt in de recente parlementaire geschiedenis geldt nog altijd het Kamerdebat in 2009, waarbij Wilders en zijn fractieleden demonstratief de vergaderzaal verlieten. Die aftocht was in de grond logisch, omdat de coalitie weigerde ook maar een komma in het na weken onderhandelen gesloten crisisakkoord te veranderen. Dat machtsvertoon was de ware boosdoener, het joeg zelfs de gezagsgetrouwe SGP-voorman Van der Vlies in de gordijnen: "We laten ons niet degenereren tot het afleggen van opgetuigde stemverklaringen!"

In de cultuur van dat benauwende coalitiemonisme ligt vermoedelijk ook de oorzaak van de groei van het aantal spoeddebatten: als de oppositie niets kan klaarmaken, kan ze ten minste nog stampvoeten. Nu de kaarten anders liggen, kan zij laten zien dat oppositievoeren meer is dan de politiek van de stormram.

Blindvaren op de automatische piloot
De noodgedwongen matiging van het machtsstreven en de relativering van de afspraken in het regeerakkoord zijn dus geen vloek, maar een zegen. De politieke constellatie dwingt de leiders van de coalitie en de ministers van het kabinet voortdurend de blik naar buiten te richten. Zij kunnen niet blindvaren op de automatische piloot van het regeerakkoord, maar zijn permanent aangewezen op handbesturing.

Dat biedt enig perspectief op een politieke stijl in de geest van Jacob Burckhart. Deze Zwitserse cultuurhistoricus zag de politiek als een heksenketel van botsende ambities, die van de politicus die zich staande wil houden veel kunst- en vliegwerk vraagt. Bij elk conflict is het erop of eronder. Burckhardt beoordeelde dat positief. Elk probleem is voor de politicus een uitdaging en elke botsing der geesten en ambities brengt de cultuur een stap verder.

Het laatste kabinet dat op deze wijze opereerde, was het progressief-christelijke kabinet-Den Uyl (1973-1977). Dat was meteen ook het laatste kabinet dat regeerde zonder regeerakkoord. Het was een vechtkabinet, dat in de woorden van toenmalig oppositieleider Wiegel 'rollend over straat ging'. Gemeten aan de ambities was het niet zo vruchtbaar, maar het had wel de verdienste de mensen sterk bij de politiek te betrekken. De opkomst bij de verkiezingen in 1977 was 88 procent, nog altijd een all time high.

De christen-democraat Lubbers was de eerste die in de jaren tachtig het meerderheidsdenken concreet vormgaf in dichtgetimmerde regeerakkoorden. Hij voelde zich gelegitimeerd door de economische crisis, die om vergaande ingrepen vroeg. De pest is dat na zo'n periode het uitzonderlijke gewoon is geworden. Zelfs in 1998, toen de welvaart in Nederland op een hoogtepunt was, sloten PvdA, VVD en D66 nog een zeer gedetailleerd regeerakkoord. In 2002 volgde de rekening, maar ook deze ongekende revolte werd nadien niet in de Haagse praktijk verdisconteerd.

De wandelingen van minister Dijsselbloem door de gangen van de Tweede Kamer roepen wellicht enige meewarigheid op, zij zijn in wezen een groot avontuur.

Jan Kees de Jager staat de pers te woord nadat er een besluit is genomen over het begrotingsakkoord. Beeld ANP
Jan Kees de Jager staat de pers te woord nadat er een besluit is genomen over het begrotingsakkoord.Beeld ANP
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden