Regens en een nieuwe route op weg naar Maagd van Rocío

SEVILLA - Het is spitsuur op de kletsnatte tweebaansweg die Almonte met El Rocío verbindt. Een bosrijk gebied, de begrenzing met het nationale park Doñana, zeventig kilometer ten zuidwesten van Sevilla. Op de smalle weg staat een ellenlange file. Op het zandpad langs het asfalt leggen broederschappen hun weg naar El Rocío af.

Zij volbrengen hun pelgrimage te paard, met de ossenwagen, per tractor, op een ezel, of lopend. Het zijn duizenden capes en paraplu's. “Nog vier uur”, zegt een van de honderdtachtig pelgrims uit Toledo. Valt dat zwaar? De pelgrim schudt monter het hoofd. “Welnee, behalve die regen. Ik herinner me eigenlijk alleen de zon en hitte van de afgelopen jaren.” Hij staart even naar de ossenwagen, waarop het beeld van de Maagd van Rocío onder een afdak van plastic schuilt. Dan gaat het broederschap vrolijk zingend verder: 'Ik ga door het zand / En vermoei mijn lichaam'. De wagen met het beeld trekt diepe sporen in de drassige zandweg.

Alles lijkt dit jaar anders bij de Pinkstertocht van de broederschappen naar El Rocío. Allereerst is er de regen, die onbarmhartig klettert. Dan is er de gifstroom die vijf weken geleden uit een kunstmatig meer van de noordelijk gelegen pyrietmijn stroomde. Hier nog niet, maar een half uur verderop, bij Sanlúcar la Mayor, zijn de gevolgen onmiskenbaar zichtbaar. Vijf miljoen kubieke meter modder van lood, koper, arsenicum en lithium koekt om de olijfbomen. De verontreinigde grond wordt in hoog tempo afgegraven om te voorkomen dat het gif via de rivier Guadiamar verder afzakt en het kwetsbare ecosysteem van Doñana bereikt. De Guadiamar is onlosmakelijk verbonden met de traditionele pelgrimage. Aan de bedding van deze rivier overnachten de broederschappen. Daar dopen ze de nieuwkomers van de driedaagse tocht. En ook kruisen pelgrims vanuit Sevilla of Jerez onvermijdelijk de rivier op weg naar El Rocío.

Omweg

Het is precies wat de autoriteiten dit jaar liever niet zagen, mooie traditie of niet. Wetend hoe sterk oude gebruiken in dit deel van Andalusië worden beleefd, is de Guardia Civil ingezet om de broederschappen van de rivier weg te houden. Ruim driehonderdduizend pelgrims moeten een omweg maken van zeven kilometer.

Maar niet alleen uit de richting van Sevilla komen de 'hermandades' (broederschappen). Naar schatting een miljoen mensen leggen rond Pinksteren de weg naar El Rocío af, voor de grootste pelgrimage die Spanje kent. De Maagd van Rocío, de Witte Duif, de Koningin van de Moerassen, of ook de Jonkvrouwe van de Morgendauw, verscheen hier in de vijftiende eeuw aan een herder. Om haar te eren, werd in 1648 de hermandad van Almonte gesticht. In de jaren daarop vormden zich meer broederschappen. De grootste groei voltrok zich vanaf 1670. El Rocío groeide toen uit tot van een regionaal fenomeen tot een internationale manifestatie van liefst 94 broederschappen. Zij komen helemaal uit Argentinië en Australië, mannen en vrouwen, die zich 'romero' (pelgrim) noemen.

Ouderlijk huis

De presentatie voor de Maagd in de kerk van El Rocío, de dag voor Pinksteren, is voor hun het hoogtepunt van het jaar. Op Pinksterzondag wordt dan de traditionele mis voor de romeros gehouden, gevolgd door de rondgang van de beeltenis van de Maagd langs de huizen van de broederschappen. “De romeros leggen hun bezoek uit blijdschap af”, legt José Agustín uit. “Het is een jaarlijks weerzien vol sentimenten dat nauwelijks valt uit te leggen. Net zo min als je je gevoelens bij een bezoek aan je ouderlijk huis kunt verklaren. Dat is vreugde die van binnen leeft.”

Het is zaterdagmiddag in El Rocío. De zon schijnt. De hitte voelt klam aan. Dit zijn de dagen dat alle 3500 huizen in het Andalusische dorp vol zijn, verhuurd tegen woekerprijzen. De huren lopen snel op tot 15 000 gulden voor een week; een bizar contrast met de overige maanden, als nauwelijks 450 huizen bewoond zijn.

José Agustín, onderwijzer in Sevilla maar opgegroeid in het dorp, zit op de veranda van zijn ouderlijk huis. Daarvandaan heeft hij een schitterend uitzicht op de eindeloze stoet romeros die door de zandstraten trekt.

De aanblik is die van een Spaanse ansichtkaart die in het Wilde Westen tot leven kwam. Vrouwen in traditionele felrode, roze, gele of blauwe balletjesjurken, haarkammen hoog opgestoken, schrijlings gezeten op de paarden, een hand trots in de zij. De mannen zitten voorop. Cowboylaarzen, hoge strakke gestreepte broeken, wit overhemd, zwart vest, de Cordobaanse sombreros fier op het hoofd gedrukt, de mobiele telefoons aan de broekriem. Stof waait om de ossenwagens. Andere hermandades kijken en zingen, klappen, spelen gitaar en fluit op de veranda's van huizen, die veelal niet hoger dan twee verdiepingen zijn. Asfalt of bestrating is nergens aanwezig. Boven alles is er veel sherry en heel erg veel bier.

“Dit is een Andalusisch volk dat zoveel invloeden heeft weerstaan”, verklaart Agustin, “van de Moren van weleer tot de Amerikanen van vandaag. Het is een open volk dat hier in verering zijn emoties laat gaan. Ongecontroleerde emoties zijn het, niet te verklaren voor een buitenstaander. Vandaag zie je dronkenschappen, morgen pelgrims happend in het stof, vechtend als beesten om het beeld van de Maagd aan te raken. Sentimenten, solidariteit. Hier tref je hoeren, dieven, onderwijzers. Maar die verschillen tellen niet. Het raakt niet het feit waarom we hier zijn, de magie die zich hier voltrekt.”

Saluutschoten

Bij de kerk van El Rocío weerklinken onafgebroken de saluutschoten voor de broederschappen. De kerkklokken van toren draaien als dol in het rond. Er klinken kreten van blijdschap: “Leve het broederschap van Toledo! Leve de Witte Duif!”

“Ik heb enorm moeie benen”, zegt een oude romero uit Toledo die wat terzijde toekijkt, “maar de drank doet een hoop vergeten. Eigenlijk weet ik niet precies wat ik voel.” Dit is de achtentwintigste keer dat hij de pinkstertocht maakt. Hij vertelt zorgelijk hoe hij het park van Doñana als onvervreemdbaar onderdeel van de pelgrimage ziet. “Wanneer het gif het einde van het park betekent, zal dat ook het einde van El Rocío zijn. Maar ook dit dorp zal niet ten onder gaan zonder Doñana mee te nemen.”

Het zijn zorgen die vandaag nauwelijks lijken te tellen, in de kluwen van pelgrims, eten, drank, en de verkopers van flessen wijn met het etiket van de falangista van weleer. “Iedereen vermaakt zich kostelijk hier”, zegt Alicia Requera op cynische toon. Ze is een studente uit Huelva. Ze komt een dag kijken, eigenlijk omdat haar broer in een van de broederschappen meeloopt. “Ik geloof niet dat El Rocío veel met religie te maken heeft. Ik zie toch vooral mensen die een paar dagen komen paardrijden en feesten. Verder hebben ze een enthousiasme die niet onder doet voor de geestdrift die je voor willekeurig elke voetbalclub kunt voelen.”

Het loopt tegen het eind van de dag, en de eerste slimme verkopers van kaarsen voor de nachtelijke processie dienen zich aan. Nog steeds lopen nieuwe broederschappen te hoop bij het houten beeld van de Koningin van de Moerassen in de kerk. Tegen de tijd dat Palos de la Frontera aan de beurt is, slapen al enkele pelgrims hun dronkenschap uit aan de rand van de waterplas die het dorp van Doñana scheidt. Maandag begint de terugtocht. Opnieuw drie dagen lopen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden