Regels voor de praatzieke burger

(Trouw) Beeld
(Trouw)

Het huidige ’zeggen wat je denkt’, meent Marli Huijer, heeft weinig van doen met het vrije spreken waar de anarchist en vrijdenker Ferdinand Domela Nieuwenhuis ooit voor pleitte. „Het doel is niet meer om de democratie te verbeteren of tekortkomingen op te heffen, maar om aandacht en erkenning te krijgen voor het eigen ongenoegen en eigen gelijk.”

Vrijuit spreken is een vitaal onderdeel van het democratisch bestel. Het vrije debat is nodig om de verschillende kanten van een kwestie te kunnen horen en tegen elkaar af te wegen. Kritische geluiden zijn onmisbaar voor de ontwikkeling van de democratie omdat ze ervoor zorgen dat rechten en praktijken ter discussie blijven staan.

Ook het vrijuit spreken zelf is voortdurend onderwerp van debat. Zijn er grenzen aan wat je in een democratie mag zeggen? Mag je, zoals Pim Fortuyn deed, alles zeggen wat je denkt? Mag je mensen beledigen als hun uiterlijk, mening, levensstijl, seksuele voorkeur, kledingdracht of godsdienst je niet aanstaan? Mag je vrijuit uitspraken doen die de democratie ondermijnen? Of zijn sommige vormen van vrijuit spreken een pervertering van de mondigheid die de grondslag vormt van de westerse cultuur?

Voor de anarchist en vrijdenker Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919) was het vrije spreken een van de hoogste ethische en politieke principes in het menselijk bestaan. Hij bouwde daarmee voort op het Verlichtingsdenken en het vrijmoedig spreken zoals dat in de Griekse Oudheid bestond. In deze traditie was altijd sprake van hiërarchische verhoudingen. De burger moest het als zijn plicht zien om vanuit een ondergeschikte positie openlijk de waarheid te spreken tegen de vorst, de overheid, de meerderheid van de bevolking, een religieus instituut of een andere macht. Je hoorde de moed te hebben om de meerdere erop te wijzen dat iets niet goed ging, zodat je op die manier verbetering kon bereiken.

Sinds de tijd van Domela Nieuwenhuis is de macht van vorsten, godsdienstige instituten en staten behoorlijk afgebrokkeld. Politiek is iets geworden tussen burgers onderling. Relaties tussen individuen en tussen groepen burgers zijn zeker zo belangrijk voor de samenleving als die tussen burgers en overheid, of tussen burgers en instituties. Burgers moeten het voor een belangrijk deel met elkáár zien te rooien.

Traditioneel was het vrije spreken gebaseerd op spelregels. Het spreken was ingegeven door een zoeken naar waarheid; het vereiste moed, omdat het gericht was tot een hogere, machtiger instantie; en het was niet ingegeven door de zucht om de gunst van het volk. Deze spelregels hebben de laatste decennia aan kracht ingeboet. Het huidige ’zeggen wat je denkt’ heeft nog maar weinig met deze traditie van doen.

Tegenwoordig gaat het dikwijls niet zozeer om de waarheid, maar om het ventileren van een mening. Moed is er ook nauwelijks voor nodig, omdat de ontvanger meestal niet veel machtiger is dan de spreker. Het doel van het spreken is in veel gevallen het krijgen van individuele erkenning. Je geeft lucht aan je eigen gevoelens van ongenoegen, zonder rekening te houden met de gevolgen die het spreken heeft voor anderen. Het vrije spreken heeft de vorm van een monoloog gekregen. Maar juist in een egalitair, democratisch bestel kan het vrije spreken niet zonder enkele spelregels.

Wat ons vandaag de dag nog altijd verbindt met de idealen van Domela Nieuwenhuis is de plicht om kritisch te zijn, om waarheden, meningen en uitspraken niet voor zoete koek aan te nemen, en de bereidheid om alles ter discussie te stellen. En we laten ons liever overtuigen door argumenten die ons verstand aanspreken dan door gezag, reclame of dwang.

Domela Nieuwenhuis vatte het individu, net als Immanuel Kant, in het ideale geval op als een autonoom wezen. De mens dient meester te zijn over het eigen denken en handelen. En uitwendige krachten als de staat of de kerk mogen aan zijn vrijheid geen grenzen stellen. Alleen krachten in hemzelf zijn gerechtigd dat te doen. Dat de cultuur waarin je leeft, een zeker zo grote invloed heeft op wat je denkt of voelt en op hoe je handelt – die gedachte was aan Domela Nieuwenhuis niet besteed.

Hij vond dat als je het ergens niet mee eens bent, je de plicht hebt de waarheid te spreken, ook als je daardoor in de gevangenis belandt, of de gunst van vrienden, partij of het volk verliest. In zijn memoires ’Van Christen tot anarchist’ schreef hij over zijn breuk met de Sociaal-Democratische Bond: „Hoe lief de partij mij dan ook was, de waarheid was mij hoger; en liever stond ik alleen met mijn geweten in het reine dan dat ik gedragen werd door de volksgunst, maar ten koste van mijzelf en mijn geweten.”

De vrije gedachte, schreef Domela Nieuwenhuis in ’Het erfdeel der vrijdenkers’, mag zich maar van één middel bedienen: de rede. Wat iemand zegt, mag niet irrationeel of dom zijn, het moet redelijk en verstandig zijn. Hij sprak over een ’klein gemeenschappelijk arsenaal’ aan denkbeelden die vrijdenkers met elkaar delen: elk gezag van boven- en buitenaf moet worden verworpen, alle oordelen moeten berusten op de waarneming en ervaring – alles moet empirisch onderbouwd, zouden wij nu zeggen – en gedachten worden pas geformuleerd nadat alles onderzocht en beoordeeld is, en dus niet op basis van vooroordelen. Domela Nieuwenhuis was overtuigd van de wetenschappelijke methode en van de vooruitgang die de wetenschap zou brengen.

Hij had zelfs zo’n groot vertrouwen in het individu dat hij het niet nodig achtte om de vrijheid van spreken op welke manier dan ook in te perken. Een krachtig individu achtte hij de beste basis voor een goede samenleving. Daarom moest alles wat het individu smoort of verstikt, vermeden en bestreden worden. Hij verwierp het liberale idee, zoals geformuleerd door John Stuart Mill, dat de vrijheid van de een de vrijheid van de ander kan belemmeren, en dat er dus wet of morele druk nodig zijn om te zorgen dat anderen geen schade wordt toegebracht. Hij achtte individuen in staat om zich te allen tijde zelf te besturen. Een staat of ander regulerend orgaan was overbodig. Domela Nieuwenhuis meende dat iedereen het recht heeft te spreken, en dat die vrijheid vanzelf het goede zal brengen.

Midden jaren zeventig was ik erg gecharmeerd van Domela Nieuwenhuis’ idee dat de mens zichzelf kan besturen en dat er geen hogere instantie nodig is om de samenleving vorm te geven.

Ik werd in die tijd door vrienden uitgenodigd om de Pinksterdagen door te brengen op de Camping tot Vrijheidsbezinning in Appelscha – een camping van anarchisten en vrije socialisten die al sinds de jaren dertig bestaat. Er mocht daar geen alcohol worden gedronken, werd me verteld. In de kantine hing een portret van Domela Nieuwenhuis met daaronder de tekst ’Drinkende arbeiders denken niet en denkende arbeiders drinken niet’.

Als student die dronk én dacht waagde ik het de waarheid van die tekst te betwijfelen, maar ik vond het geen bezwaar om het drinken tijdens de Pinksterdagen te beperken tot buiten de camping. Het idee dat de mens van nature goed is en dat instituties als de kerk, het leger, het kapitaal en de staat dat goede eerder onderdrukken dan naar boven halen, sprak me zozeer aan dat ik daarvoor wel een drankje wilde laten staan. Maar bovenal was ik nieuwsgierig hoe mensen zouden zijn als er geen normerende druk op hen werd uitgeoefend. Zelf was ik met strenge ge- en verboden opgevoed. Dat had me niet veel goeds gebracht, meende ik. In Appelscha verwachtte ik een ander soort mens te zien, een mens die in vrijheid vanzelf tot het goede kwam.

Hoe groot was mijn teleurstelling toen ik op Eerste Pinksterdag bij een van de vele discussies aanschoof. De meningsverschillen liepen hoog op. In een mum van tijd vlogen de verwijten, beledigingen en scheldwoorden door de lucht. Af en toe liep een man – de mannen hadden het hoogste woord – stampvoetend de zaal uit om elders verhaal te zoeken.

Mijn geloof in de goede mens kreeg daar in Appelscha een flinke deuk. Maar helemaal opgeven wilde ik het nog niet. Ik zocht steun bij anarchistische schrijvers als Kropotkin, Proudhon, Stirner, Goldman, Domela Nieuwenhuis, Constandse en Lehning. Door hen liet ik me verleiden te blijven geloven in het concept dat de mens zonder sturing van boven tot het goede in staat is. Een samenleving hoorde opgebouwd te worden uit een netwerk van vrijwillige verbintenissen – vrijwillige ’associaties’ om met Proudhon te spreken – en moest niet van boven af worden geregeerd.

Maar er gebeurde nog iets in die tijd. Ik deed ook ervaringen op met nieuwe vormen van samenleven in Amsterdamse woongroepen. Dat droeg er evenmin toe bij om aan het ideaal van Domela Nieuwenhuis vast te houden. Zonder structuur en vaste afspraken bleken mensen, ikzelf incluis, in staat tot veel meer egoïsme, jaloezie en vijandigheid dan ik ooit had gedacht.

Domela Nieuwenhuis leefde in een tijd waarin de gezagsverhoudingen nog glashelder waren. Priesters, ministers, burgemeesters, artsen, bovenmeesters en de vader, als hoofd van het gezin, werden op hun woord geloofd. Zij bezaten ’natuurlijk’ gezag. Of zij werkelijk de waarheid in pacht hadden, was niet aan de orde. Domela Nieuwenhuis’ verzet tegen dit gezag van bovenaf was alleszins begrijpelijk.

Maar ook in dit opzicht is er veel veranderd. De democratiseringsgolf die in de jaren zeventig de westerse wereld overspoelde – en die het aantal democratieën wereldwijd flink deed toenemen – heeft mannen, vrouwen en kinderen mondiger en minder goedgelovig gemaakt. Het gezag van de overheid, van wetenschappelijke en kerkelijke instituties is niet langer vanzelfsprekend. De bereidheid om deskundigen en gezagsdragers op hun woord te geloven is tanende. De terugtredende overheid heeft er bovendien voor gezorgd dat burgers en groepen burgers veel maatschappelijke kwesties zélf moeten oplossen.

Het hedendaagse individu laat zich, volgens klassiek anarchistische recept, niet door kerk of staat vertellen wat waar of juist is, en hoe hij hoort te leven. Dat bepaalt hij zelf.

Daarom is het vrije en openlijke spreken vooral iets tussen burgers of groepen burgers geworden, en veel minder een moedig spreken dat zich van onder naar boven richt. In deze situatie doet zich een tegenstrijdigheid voor die al in de Griekse Oudheid werd benoemd. Iedereen mag in een democratie vrijuit spreken, maar wat te doen als kwaadwillende mensen het hoogste woord voeren, haatdragende taal uitslaan of de democratie willen vernietigen en een tirannie willen vestigen? Wat betekent het voor het vrije spreken dat vrijwel alle relaties in de samenleving horizontaler zijn geworden?

Horizontale relaties, waarin de gezagsverhoudingen niet duidelijk zijn, vergen veel meer verstand, veel meer nadenken en veel meer zelfbeheersing dan verticale relaties.

Vrijuit spreken tegenover iemand die gezag had, vergde in de tijd van Domela Nieuwenhuis nog dapperheid, omdat de koning of de bovenmeester over strafmiddelen beschikte. Je bedacht je wel twee keer voordat je overging tot het uitspreken van je waarheid. Binnen horizontale relaties is de verleiding om je zonder enig voorbehoud te uiten vele malen groter. Het vrijuit spreken tegenover iemand die minder of evenveel gezag heeft is veel minder riskant.

De idee dat iedereen moet kunnen zeggen wat hij denkt, heeft er in de praktijk toe geleid dat grote groepen burgers menen dat zij het recht hebben om overal en nergens hun gevoelens van ongenoegen te uiten. Zij zeggen wat ze op het hart hebben, wat hun niet zint, waar ze zich aan ergeren en waar ze volgens hen recht op hebben. De media bieden deze mensen alle ruimte om hun ongenoegen publiekelijk te ventileren. En zij lopen daarbij geen enkel risico.

De praatzieke burger van nu valt in de valkuil waarvoor al in de Griekse Oudheid werd gewaarschuwd. Hij spreekt ongeremd, zonder eerst na te denken, hij geeft graag zijn mening en bekommert zich niet om de waarheid, en hij maakt geen onderscheid tussen waarover hij kan spreken en waarover hij beter kan zwijgen. Het doel van dit ’zeggen wat je denkt’ is niet om de democratie te verbeteren of tekortkomingen op te heffen, maar om aandacht en erkenning te krijgen voor het eigen ongenoegen en eigen gelijk.

Ook een ander negatief effect van het ongeremde spreken is tegenwoordig zichtbaar.

Een cabaretier die de premier beledigt, gebruikt een positieve vorm van vrij spreken, omdat hij zich richt tegen een machthebber die hem de mond kan snoeren. Net zoals Domela Nieuwenhuis dat deed toen hij wegens majesteitsschennis werd gevangengezet. Hij had in zijn blad een publicatie opgenomen waarin stond dat koning Willem III weinig werk van zijn baantje maakte.

Maar als een Kamerlid een minister uitscheldt – en daarmee de gunst van de kiezers hoopt te winnen – loopt hij geen enkele risico op vervolging of gevaar. Als Kamerlid is hij niet van de minister afhankelijk, hij controleert juist zijn beleid. De minister heeft geen gezag over hem en staat dus met lege handen. Wil hij niet in een ordinaire ruzie terechtkomen, dan heeft hij geen andere keuze dan te zwijgen.

De horizontale relaties van nu maken de verleiding om te zeggen wat je denkt steeds groter. Als we niet willen terugkeren naar de verticale verhoudingen van weleer – wat ik zeker niet zou willen bepleiten – dan is het van belang om nieuwe culturele regels te ontwikkelen voor het vrije spreken.

Je kunt overeenkomen dat het vrijuit spreken de menselijke waardigheid niet mag aantasten. Iemand een beest noemen kan tot uitsluiting of discriminatie leiden. Woordcombinaties tussen geloof of afkomst en ’kut’ of ’kanker’ zouden wat mij betreft ook onder dit taboe mogen vallen.

Het vrijelijk spreken zou bovendien altijd gepaard moeten gaan met wederzijds respect. Een voorbeeld daarvan geeft de toekomstige burgemeester van Rotterdam, Ahmed Aboutaleb, onlangs in een interview met de Volkskrant. Stichters van moskeeën, zo zegt hij, zouden de wijsheid moeten hebben om niet al hun wensen – zoals minaretten die hoger zijn dan de lichtmasten van Feyenoord – keihard op tafel te leggen. Ze moeten rekening houden met de legitieme angsten bij de bevolking. „Veel mensen zijn oprecht bang. Dan kun je niet zeggen: ’Jullie zijn xenofoob, ik bouw gewoon mijn moskee zoals ik het wil, want van de wet mag het.’ De stichters van dit soort initiatieven moeten de wijsheid hebben een stapje terug te doen.”

Juist een samenleving die iedereen het recht geeft om openlijk zijn zegje te doen, zal zich bewust moeten zijn van het feit dat mensen niet van nature geneigd zijn tot het goede. Er zullen steeds spelregels nodig zijn om het verbale geweld, het praatzieke gebabbel en de schade die dit kan berokkenen binnen de perken te houden. De zachte kracht van de dialoog is in een horizontale samenleving duizendmaal effectiever.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden