Regels die blijven hangen

Erbij was ik niet, maar diep in de nacht moet deze zin, deze regel, dit vers zijn uitgesproken. Ik kijk laagopgeleid uit het raam.

Een vers van een dichter. Hij heet Jonathan Griffioen. Ik ken hem niet. Hij debuteerde in de Nacht, de Nacht van de Poëzie, die voor de zoveelste keer (ik weet hoeveel maar ik mijd graag ontsierende cijfers) in Utrecht werd gehouden, in die mooie zaal van Hertzberger, die zo rondom octogoon is, maar nu even niet, want er hing een groot doek achter het podium dat twee hoeken bedekte; de rug van een dichter moet gedekt zijn, hij of zij is al kwetsbaar genoeg.

Ik kijk laagopgeleid uit het raam.

Zo'n regel is een wereld op zich. Uit een raam kijken is een alledaags verschijnsel, maar het wordt anders door het vermelde opleidingsniveau. Doet dat er toe? Dacht ik daarover al eens na? Verandert scholing de blik van de betrachter? Wordt die blik scherper naarmate de scholing hoger is? Of juist nauwer? Is scherp niet complimentair aan nauw?

Ik kijk laagopgeleid uit het raam.

Ik was er niet bij. Jonathan Griffioen was de laatste dichter van de Nacht, het moet tegen vieren zijn geweest, ik sliep intussen enige kilometers daarvandaan.

Ik had die zaal na middernacht verlaten, de dichters waren elkaar ritmisch opgevolgd, metronomisch gedirigeerd door twee spreekstalmeesters, die prachtige inleidingen verzorgden. We waren stil geweest, hadden naar de blauwe lichtbundels gekeken die de dichters omvatten, waren in de lach geschoten, als ze gevat deden, soms.

Ze passeerden snel, de regels en de verzen, want niemand leest meer gedragen, men leest in het tempo van een conversatie, en hop, een regel is al voorbij, terwijl de vorige nog op je inwerkte. En soms bleef zo'n regel hangen, op onverklaarbare wijze, misschien zoals die regel van Griffioen, die ook werd opgetekend door een luisterende nabeschouwer.

Bij mij was het deze.

Zo gemakkelijk knakt een insect tussen de verveling van twee vingers.

Heel zacht en onnadrukkelijk werd deze regel uitgesproken door een vrouw in een blauw jurkje, die daarbij kleine gebaren maakte met haar linkerhand, als om de woorden bij het naar buiten treden nog een zetje te geven. Haar stem was gepolijst, in mooi rond Vlaams. Haar naam was Charlotte van den Broeck. Ze opende de Nacht, het jaar ervoor had ze de Nacht als debutante afgesloten.

Knakt.

Ze droeg haar gedichten voor, uit het hoofd, ze strooide ze uit, zoals Tinkerbell haar sterrenstof.

Het was heel stil in de zaal.

En nog zo'n vers of flard dat hangen bleef.

Niemand strijkt de hemden meer of de man eronder.

Daar krulde een glimlach in me op, het idee van de gestreken man, maar voor ik wist hoe dit te begrijpen (en welk begrijpen moest ik toepassen) trof me een volgende passage, een passage die de dichter me later toezond. Dit:

Ook: je hebt een ziel

Die exact dezelfde vorm als je lichaam heeft

In omtrek iets kleiner, zodat hij onder je huid kan schuiven

De organen in een vruchtzak bij elkaar houdt

Als je hevig moet huilen.

Haar gedichten waren nog onder constructie, zei ze tegen me op de gang, maar wat stonden ze mooi in de steigers.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden