Review

Rechtse anti's wilden dat overheid vloeken bestrafte

'Consolidatie', 'behoudzucht', 'zelfgenoegzaam conservatisme' - wanneer het optreden van de Anti-Revolutionaire Partij in het Interbellum wordt gekarakteriseerd, zijn dat meestal de kwalificaties.

De emancipatie van het gereformeerde volksdeel was in 1918 zo goed als voltooid en, ofschoon de ARP nooit de grootste is geweest, haar leider Colijn kon tot de invloedrijkste politicus van het Interbellum uitgroeien.

In zijn onlangs aan de VU verdedigde proefschrift is Jan P.Stoop op zoek gegaan naar de houdbaarheid van de hiervoor geschetste communis opinio. Hij heeft daarbij geen integrale partijgeschiedenis willen schrijven, maar heeft voor een thematische benadering gekozen. Dat heeft als belangrijk voordeel dat er vrij snel kan worden vastgesteld dat er op diverse terreinen niet of nauwelijks sprake is geweest van één antirevolutionair standpunt.

Dat laatste is de rode draad in het boek. Op sociaal terrein, bij de discussie over de kwaliteit van de democratie en niet te vergeten bij ethische vraagstukken, blijken er binnen de AR-partij vaak hoogoplopende verschillen van mening te hebben bestaan.

Stoop overtuigt het meest bij zijn beschrijving van de vraagstukken van zedelijke aard, waaruit duidelijk de verschillende beweegredenen en principes blijken waarmee een rechtzinnig theoloog als Visscher en Gerbrandy, een eigenzinnig jurist, lijnrecht tegenover elkaar stonden.

Eén voorbeeld: waar eerstgenoemde meende dat het een overheidstaak was om godslastering strafbaar te stellen, rekende Gerbrandy een dergelijk ingrijpen van de overheid tot 'ongewenste en ongeoorloofde dwang'. Deze thematiek is extra boeiend, omdat de partij rekening moest houden met allerlei nieuwe groeperingen die ter linker- en rechterzijde waren ontstaan en die niet aarzelden de antirevolutionairen de christelijke maat te nemen.

Dat is een tweede terugkerend kenmerk in bijna alle hoofdstukken. Meer dan voorheen met de veelal hervormde christelijk-historischen het geval was, had de ARP in het Interbellum concurrentie te duchten van de progressieve CDP (later Christen-Democratische Unie) en de orthodoxe Staatkundig Gereformeerde Partij. Om potentiële 'overstappers' naar die laatste partij binnenboord te houden, zagen de antirevolutionairen zich genoodzaakt om zeer behoudende partijgenoten als Visscher en Duymaer van Twist bij de kamerverkiezingen telkens hoog op de kandidatenlijst te plaatsen, waartegen dan de linkervleugel van de partij weer in het geweer kwam, die juist vakbondsmensen als Smeenk en Amelink naar voren wilde schuiven.

Op de door Stoop gekozen werkwijze kan men uit stilistisch oogpunt kritiek hebben. En wie wil, kan wel het één en ander vinden dat het verdiende óók vermeld te worden. Maar boeiend zijn Stoops bevindingen wel.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden