Rechterlijke top moet naar buiten treden

Aan verschuivingen in de rechterlijke top besteden de media nauwelijks aandacht. Maar de benoemingen zijn dan ook weinig spannend. De rechterlijke macht is een van de belangrijkste steunpilaren van onze democratie: de enige controle immers op het bestuur. Daarom vereisen de hoogste rechtscolleges ook meer sturende en representatieve presidenten.

Ulli d'Oliveira

In de landelijke dagbladen is vorige maand in de rubriek personalia telkens vijf tot tien regels plaats ingeruimd voor twee mutaties in de rechterlijke macht. Bij de Hoge Raad werd mr. S.K. Martens als president opgevolgd door mr. W.E. Haak; bij de Raad van State werd mr. P.J. Boukema als voorzitter van de afdeling bestuursrechtspraak opgevolgd door mr. P. van Dijk. Meer media-aandacht hebben deze wisselingen van de wacht in deze rechtscolleges in het algemeen niet getrokken. Hierbij streep ik een interview met Haak (Trouw, 4 april) weg tegen het ontbreken in dezelfde krant van berichtgeving over de opvolging in de Raad van State.

Deze aandacht voor het reilen en zeilen van de hoogste Nederlandse rechtsinstanties is gering. Tenminste als men ruimte, regels, kolommen mag beschouwen als de uitdrukkingsvorm van aandacht. Neemt men dat aan, dan is bijvoorbeeld het recente aantreden van een nieuwe voorzitter van Kunsten '92, Sybren Piersma, met vijfmaal meer aandacht gevolgd. Nu wil ik niets ten nadele beweren van deze onverwoestbare Friese vergaderbizon, maar ik vind het verschil met de joyeuze entree van twee nieuwe toprechters opmerkelijk en buiten proportie.

De verwaarlozing die zulke gebeurtenissen ten deel valt, is niet incidenteel; zij dringen structureel niet of nauwelijks tot de media door. Er moet al iets heel erg politieks aan de hand zijn, zoals met het ontslag van super procureur-generaal Docters van Leeuwen, willen de media zich richten op zulke mutaties. In zekere zin vormt de marginalisering van de top van de rechterlijke macht in de media een voorbeeld van de fictionalisering van de berichtgeving.

Fictionalisering, niet doordat het nieuws in de rubriek personalia onjuist zou zijn, maar omdat het de verhoudingen miskent en dus vertekent. Er ontstaat een karikatuur van de inrichting van ons staatsbestel en onze maatschappij. De rechterlijke macht in Nederland is in de afgelopen dertig jaren alleen maar in betekenis toegenomen, ook ten opzichte van andere staatsonderdelen. Als men tegenwoordig niet meer spreekt over de trias politica van Montesquieu, maar in een soort potjeslatijn of -grieks van een duas politica, die dan zou bestaan uit het bestuur (dat de wetgever heeft geabsorbeerd) en de rechter, dan is het duidelijk dat de rechterlijke macht nog als enige check op het bestuur is overgebleven. Het is dan ook begrijpelijk dat bestuurderslobbies zoals de werkgroep-Van Kemenade de rechterlijke macht op afstand willen zetten; de mede-wetgever is te veel gebonden aan regeerakkoorden om nog een rol van betekenis te kunnen spelen. Niet de rechter zit overigens op de stoel van het openbaar bestuur, zoals de kritiek luidt, maar het openbaar bestuur probeert op de stoel van de rechter te gaan zitten, zoals Paul F. van der Heijden terecht heeft opgemerkt in zijn vorig jaar verschenen essay 'Het recht in de ramsj'.

Hoe is dan toch deze welwillende verwaarlozing te verklaren? Ik zie een drietal factoren. In de eerste plaats zijn rechters niet de meest in het oog lopende figuren. Zij verstoppen hun individualiteit om rituele en symbolische redenen in toga's, en zij schuwen in het algemeen de publiciteit als de pest. Nooit doet er 'ns een mee bij tv-spelletjes, zelden schuiven ze eens gezellig aan bij een talkshow, en tot interviews laten zij zich niet verleiden. Persofficieren en de veel later tot enige ontwikkeling geraakte persrechters hebben eenzelfde rol als de Rijksvoorlichtingsdienst: onder het motto van voorlichting proberen zij de fronten gesloten te houden. Bij de Hoge Raad wil men geen parttimers (lees: vrouwen en (andere) hoogleraren) want die kunnen nog wel eens uit de school klappen.

In de tweede plaats is de Nederlandse rechterlijke macht gedegradeerd, doordat er een Europese divisie bovenop is gezet: het Hof voor de Rechten van de Mens van de Raad van Europa, en het Hof van de Europese gemeenschappen in Luxemburg. In deze nieuwe hiërarchie is de Nederlandse hoogste rechter tot midden-niveau teruggebracht. Al denk ik niet dat onze toprechters hierdoor buiten beeld blijven.

In de derde plaats hoeft men niets bijzonders te doen om president van de Hoge Raad te worden. Heeft men het eenmaal tot raadsheer gebracht, dan valt meteen uit te rekenen wanneer men op z'n laatst president zal worden, omdat het een kwestie is van anciënniteit -een mooi woord voor zitvlees. Je weet precies hoeveel collega's er zitten tussen jouzelf en de stoel met de hoogste rugleuning. Er kan eens iemand bedanken voor de eer, of eerder overlijden, maar dat zijn in dit perspectief meevallers.

Bij de Raad van State ligt dat iets anders. Daar is het element anciënniteit toch minder, en wordt de voorzitter van de afdeling rechtspraak meer op allerlei merites gekozen. Zo zullen er wel staatsraden geweest zijn die wat anciënniteit betreft hogere ogen gooiden dan de nu benoemde Van Dijk, maar die had nu juist weer als voordeel dat hij nog een tijdje meekon wat zijn leeftijd aangaat, wat grote voordelen biedt in een periode waarin de inrichting en organisatie van de rechterlijke macht sterk in beweging is. Maar bij de Raad van State is nu eenmaal de vice-voorzitter de belangrijkste figuur, al moet men de ceremoniële voorzitter ook niet uitvlakken.

In elk geval schiet mij in dit verband een anekdote te binnen. Er was eens een congres van presidenten van hoogste rechtscolleges in Europa, waar ook de toenmalige president van de Hoge Raad, Dubbink, met zijn echtgenote aan deelnam. Bij het slotdiner raakte zij in gesprek met de vrouw van -naar ik meen- de echtgenote van de president van de Noorse Hojesteret. De Noorse dame vroeg mevrouw Dubbink hoe de benoeming van haar man in zijn werk was gegaan, en toen deze uiteenzette dat dit een kwestie van anciënniteit was, was de reactie van de Noorse: ,,Dan is dat in Nederland kennelijk geen belangrijke functie.''

Voor mij is het de vraag of dit benoemingssysteem bij de Hoge Raad, dat in belangrijke mate op toeval is gebaseerd wel gehandhaafd kan blijven, gegeven het toegenomen belang van de rechtspraak als een van de weinige countervailing powers tegenover een relatief dominant bestuur. Gegeven ook de algemene erkenning dat de rechterlijke macht niet alleen rechtspreekt, maar tegelijk rechtsvorming bedrijft, waarin onmiskenbaar en onontkoombaar politieke elementen zitten. Gegeven tenslotte ook de al ter sprake gebrachte reorganisatie van de rechterlijke macht, ligt het in de lijn om te streven naar een presidentschap dat niet meer alleen een primus inter pares oplevert, hoe uitstekend vaak ook.

Een meer sturende en representatieve president is een geschiktere invulling van deze post. Het zal wel wat hoofdbrekens kosten om zo'n benoeming tot stand te brengen zonder te veel politieke invloed. Maar als het zover is, zullen de media meer aandacht schenken aan de wisseling van de wacht dan ze nu doen. Competitie is nu eenmaal spannender dan benoemingsdata vergelijken. Maar dat neemt niet weg, dat de micro-berichtjes van nu een onderwaardering symboliseren voor een van de belangrijkste steunpilaren van de democratische staatsvorm: de rechterlijke macht. Of is iedereen hartstikke tevreden over haar functioneren en hoeft er dus geen woord aan te worden vuilgemaakt?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden