Rasti Rostelli

Roland van de Berg, beter bekend als Rasti Rostelli: 'Er wordt weleens gezegd dat ik een bedrieger ben, een charlatan. Dat is onwetendheid.' (Mark Kohn) Beeld
Roland van de Berg, beter bekend als Rasti Rostelli: 'Er wordt weleens gezegd dat ik een bedrieger ben, een charlatan. Dat is onwetendheid.' (Mark Kohn)

Roland van den Berg (Oranjestad, Aruba, 1955) is hypnotiseur, bekend onder de artiestennaam Rasti Rostelli. Sceptici spreken van trucs, zelf noemt hij zijn kunsten een vorm van wetenschap. De Rasti Rostelli Show is tot 3 juli op diverse plaatsen in het land te zien.

I - Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Het was een groot feest, alle leerlingen mochten communie doen. Behalve ik. Ik was niet gedoopt. Mijn ouders hadden de opvatting dat hun kinderen later zelf mochten beslissen of ze protestant, katholiek of wat dan ook wilden worden. Omdat ik als achtjarige niet buiten de boot wilde vallen, ben ik alsnog gedoopt. Vanaf dat moment was mijn interesse voor religie gewekt. Ik ging vaak naar de kerk en ik vond het er prachtig.

Later, toen ik na de scheiding van mijn ouders met mijn moeder van de Antillen naar Duitsland vertrok, ben ik bij de Jehova’s Getuigen terechtgekomen. Mijn moeder had zich bij die club aangesloten en de vrouw die steeds bij ons langskwam wilde ook graag met mij over het geloof praten.

Ik ging haar eerst uit de weg, maar op een avond was ze er vroeger dan gebruikelijk en moest ik – als veertienjarige – respect tonen en haar verhaal aanhoren. Bepaalde dingen vond ik interessant, maar ze stonden lijnrecht tegenover opvattingen van de katholieke kerk.

Ik probeerde er met de kapelaan op school over te praten, maar ik merkte dat hij steeds slechter uit zijn woorden kwam. Ik moest niet van die lastige vragen stellen. De vrouw van de Jehova’s Getuigen wist me iedere keer weer met een treffende Bijbeltekst te overtuigen.

Ik heb me toen, vol overgave, in dat geloof gestort. Ik ben van deur tot deur gegaan en ik werd zelfs voorganger – de jongste in onze gemeenschap. Na een paar jaar raakte ik, juist door die letterlijke teksten, in de problemen. Men vond dat ik mijn haar moest knippen. Of een das moest dragen als ik preekte. Waar staat dat in de Bijbel? Wat heeft God met mijn kapsel te maken? Waarom dragen onze broeders in Afrika dan geen das?

Ik raakte er meer en meer van overtuigd dat ook de Jehova’s Getuigen hun eigen draai aan die Bijbelteksten gaven; ook hier werden mijn vragen kennelijk als ’lastig’ ervaren. Ik ben er niet uitgestapt, ze hebben mij verdreven.

Mijn geloof in God staat nog overeind. Er is één God. Eén Bijbel. Je moet niet interpreteren. Je moet gewoon lezen wat er staat.”

II - Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Hier kan ik snel op antwoorden: Ik zal mij nooit met iets inlaten wat mij afhankelijk maakt. Ik wil geen slaaf zijn. Niet van sigaretten, niet van alcohol, niet van werk; van geen enkele afgod.”



III - Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Klootzak. Dat woord begrijp ik. Domme ezel snap ik ook. Maar vloeken? Wat is dat voor onzin? Ik doe het niet. Dat is geen kwestie van fatsoen; het zegt me gewoon niets. Het gaat er ook niet om wát je roept, het gaat erom hoe je hart eruit ziet als je dat doet.

Ik zal een leuke negermop nooit aan een neger vertellen die ik niet ken. Ik weet niet hoe die man in elkaar zit en ik wil hem niet beledigen. Als hij een vriend van me is, doe ik het wel.

Ander voorbeeld: ik zou nooit willen samenwonen met een Chinese vrouw. Dat is mijn type niet. Ben ik nu een racist? Ik vind van niet. Het wordt pas racistisch als ik mijn mening aan anderen opdring; als ik beweer dat je nooit met Chinezen zou moeten samenwonen.

Zo vind ik het ook onzinnig om iemand die oprecht gelooft dat de Holocaust nooit heeft plaatsgevonden straf te geven. Wie zoiets zegt, kan niet lezen of heeft geen ontwikkeling gehad, maar moet hij dan, tegen zijn overtuiging in, iets anders gaan beweren?

Als iemand zegt stemmen te horen zou je denken dat ie geestelijk gestoord is. Zelf zal hij ervan overtuigd zijn een gave van God te bezitten. Moet ik hem verbieden te geloven dat hij met geesten kan spreken?

Vaak zijn het eenvoudige, arme mensen die zo’n gave denken te hebben; wie daar echt in gelooft zal niemand financieel benadelen. Het zijn de lui die er grof geld mee verdienen – ga maar eens naar die krankzinnig grote kerken in Amerika kijken – die je moet wantrouwen.”

IV - Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„Ik moest berouw tonen. Toen ik dat niet deed, werd ik door iedereen – ook door mijn familie – genegeerd. Maar ze konden me niet verbieden om op zondag naar de bijeenkomsten te komen. Net zoals ik vroeger graag naar die mooie kerk op Aruba ging, zo bezocht ik nu nog een half jaar de koninkrijkzaal van de Jehova’s Getuigen. Toen was het klaar. Ik kon het verder wel alleen af. Ik heb mensen nodig om plezier mee te hebben, niet om mijn problemen mee op te lossen.”



V - Eer uw vader en uw moeder

„Toen ik klein was, stelden de doktoren vast dat ik een hartkwaal had. Mijn hart groeide niet met de rest van mijn lichaam mee. ’Nog negen of tien jaar’, zeiden ze, ’dan is hij dood’. Ik werd daardoor – maar ook omdat ik de jongste van negen kinderen was – verwend.

Mijn vader was wel behoorlijk streng. Ik herinner me dat we samen in zijn Cadillac langs de kust reden. Hij wilde een sigaar opsteken en stak zijn hand uit naar de aansteker in het dashboard. ’Is dat heet?’ vroeg ik. ’Nee’, zei mijn vader, ’kijk maar’. Hij pakte de aansteker, hield zijn duim erop en duwde het ding terug op zijn plaats.

Ik was zes. Ik had nog niet in de gaten dat zo’n aansteker pas opwarmt als je hem doordrukt. ’Wil je het voelen?’ vroeg mijn vader, ’echt niet heet. Als ik me niet verbrand, kun jij je toch ook niet verbranden?’ Ik zag de binnenkant gloeien en tóch drukte ik mijn duim erop – omdat ik mijn vader geloofde. Mijn huid plakte onmiddellijk aan de aansteker vast. Ik gilde het uit van de pijn. ’Laat dit een les zijn’, zei mijn vader, ’geloof alleen wat je ziet. Niet wat mensen je vertellen’.

Hard, ja, maar die ervaring heeft mij in mijn leven wel geholpen. Mijn vader zei over mij dat ik van alle kinderen het slechtst terecht zou komen. Toen mijn ouders uit elkaar gingen, hield mijn moeder mij steeds voor dat ik goed mijn best moest doen omdat ze niet wilde dat hij gelijk zou krijgen.

Mijn vader vetrok toen ik negen was. Op mijn vijfentwintigste zag ik hem weer terug. Ik voelde geen wrok. Ik voelde niets. Hij had zijn leven, ik het mijne. Ik was er niet bij toen hij stierf en ik ben ook niet bij zijn begrafenis geweest.

Als hij plotseling was overleden, zou ik misschien nog zijn gegaan, maar hij was al een tijdje ziek en ik vond dat hij er zelf maar voor moest zorgen dat zijn kinderen naar zijn ziekbed kwamen. ’Ik kom alleen als jij mijn ticket betaalt’, zei ik. Dat deed hij niet. Ook goed.

Nee, ik hield niet van hem. Maar hij had wel zijn goede kanten: ooit heeft hij een zwanger meisje van haar zelfmoordplannen afgebracht door te zeggen dat hij, samen met zijn nieuwe vrouw, het kind in zijn gezin zou opnemen. Toen het kind werd geboren, bleek het zwaar gehandicapt. En toch heeft hij het opgevoed alsof het een van zijn eigen kinderen was. Een man van zijn woord. Daarin is hij voorbeeldig geweest. Ik kom mijn beloftes ook altijd na.

Ik moet tegen twee mensen in mijn leven dankjewel zeggen. Tegen mijn moeder en tegen mijn oudste zus. Ze hebben me altijd gesteund, in alles wat ik deed. Onvoorwaardelijk. Toen mijn moeder een paar jaar geleden overleed, kon ik niet huilen en ik heb sinds haar dood slechts twee keer van haar gedroomd.

Ik hoef niet aan haar te denken; ze zit voor altijd in mijn hart. Ze was 87. Een bloedtransfusie had haar leven nog kunnen rekken, maar als Jehova’s Getuige wilde ze van die mogelijkheid geen gebruik maken. Ze stierf vredig, in de overtuiging dat ze naar het paradijs zou gaan. Waarom zou ik dan nog droevig zijn?”

VI - Gij zult niet doodslaan

„Als iemand die mij dierbaar is in de problemen komt, zal ik niet werkeloos toekijken, maar onder andere omstandigheden zal ik liever een klap incasseren dan er een uitdelen.

Of nee, wacht, dit moet ik je vertellen: ik heb in Duitsland een horecabedrijf gehad. Dat land heeft idiote regels, bijvoorbeeld dat om kwart over een ’s nachts iedereen buiten moet staan. Treft de politie toch nog iemand in je zaak aan, dan ben je je vergunning kwijt.

Op een nacht had ik een bezoeker die niet wilde vertrekken. Hij zei: ’Als je me aanraakt, krijg je problemen. Ik blijf zo lang als ik wil’. Ik belde de politie. Een agent zei: ’We zijn je portier niet! Los het zelf maar op’. Dus probeerde ik die vent eruit te werken.

Inmiddels was er tóch een politiewagen gearriveerd. Ze morrelden aan de deur, maar die was gesloten omdat ik niemand meer mocht binnenlaten. Bovendien was ik met die bezoeker in gevecht geraakt. Had ik dan moeten zeggen: ’Momentje, ik moet even opendoen?’

Afijn, er werd een klacht tegen me ingediend. Ontvoering, obstructie – omdat die deur dichtzat – en mishandeling. 1500 gulden boete. Alsof ik een zware crimineel was. Het stelde niets voor.

Ja, later, in 1995, ben ik nog eens met de politie in aanraking geweest, maar dat verhaal moet je wel goed opschrijven: ik werd nooit ergens van verdacht. An Marchal en Eefje Lambrecks waren bij mijn show in Blankenberge geweest. Doordat er zoveel publiek was, kon de voorstelling pas om kwart over negen beginnen. Daardoor stonden ze pas om kwart voor twaalf buiten.

Ze namen de bus, misten een aansluiting, besloten te gaan lopen en werden toen opgepikt door Dutroux. Omdat ze voor het laatst bij mij waren gezien, kwam de politie een videoband van de show vragen. Die heb ik gegeven. Dat is alles.

De meisjes waren weg. Ik begrijp dat hun ouders niet meteen dachten dat ze vermoord waren. Dus waren ze verdwaald. Hoe kwam dat? Doordat ze door mij onder hypnose waren gebracht. Dat kán helemaal niet, maar ik begreep wel dat die mensen naar een oplossing zochten.

Toen duidelijk werd wat er met de meisjes was gebeurd, verwachtte ik dat Paul Marchal zijn excuses zou aanbieden – ’Sorry, ik heb een jaar lang Rasti Rostelli de schuld gegeven’ – maar dat heeft hij nooit gedaan. Hij beweerde nu dat zijn dochter, vanwege die hypnose, zo maar bij Dutroux in de auto was gestapt. De vader van Eefje is wel naar me toegekomen. We hebben gepraat, hij heeft een show gezien en hij is ervan overtuigd dat ik er helemaal niets mee te maken had.

Ik heb, zakelijk gezien, niet geleden onder die hele affaire. Mensen bleven niet weg bij de shows, er werd mij niets aangerekend. Alleen journalisten blijven me er in ieder interview over lastig vallen.”

VII - Gij zult niet echtbreken

„Een vrouw moet mij als een koning behandelen. Een andere man is misschien gelukkig als hij ook een keer mag koken of stofzuigen, maar ik ben een ouderwetse man: de vrouw moet voor mij zorgen.

Ik zeg het van te voren. Zo wil ik het hebben. Als een vrouw niet aan mijn verlangens wil voldoen, moet ze niet met mij in zee gaan. Ik hoor weleens vrienden zeggen dat hun vrouwen op den duur zo gaan zeiken. Dan zeg ik: ’Wie hield er dan eerst de deur voor hun open? Wie nam hun jassen aan? Wie bracht iedere week een cadeautje mee? Als je daar mee ophoudt, klagen ze terecht. Jij bent veranderd. Zij niet’.

Je moet van het begin af aan duidelijk zijn. Wie een tijger wil, krijgt een wild dier in huis. Zo’n beest moet je niet als een poesje behandelen. Als je mij wil, krijg je een koning. Geen slaaf. Het probleem is dat vrouwen op den duur tóch meer verlangen – mijn relaties zijn dan ook nooit van lange duur.

Dat vind ik geen probleem. Ik moet er niet aan denken om een leven lang met één en dezelfde vrouw te zijn. Ik geloof ook niet dat mensen bij elkaar passen. Je respecteert en accepteert elkaar. Tot het niet meer gaat.”



VIII - Gij zult niet stelen

„Dit achtervolgt me tot op de dag van vandaag: ik heb, toen ik een jaar of negen was, een keer een glazen bol gestolen. Ik woonde in een pension in Den Haag, deelde mijn kamer met een jongen van elf. Dat ging niet goed. Veel jaloezie, veel ruzie. Na zes maanden besloot mijn moeder me daar weg te halen en in Venlo op school te doen.

Toen ik het pension verliet, heb ik de bol van die jongen meegenomen. Ik wist meteen dat ik het niet moest doen, maar ik had de moed niet om dat ding terug te geven. Goed, ik was een kind, maar toch. Het is een smet, een zwakte. Ik had liever tegen je gezegd dat ik altijd eerlijk was geweest.”

IX - Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Er wordt weleens gezegd dat ik een bedrieger ben, een charlatan. Maar dat is onwetendheid. Wat ik doe is hypnose en hypnose is wetenschappelijk onderbouwd. Tegelijkertijd is het entertainment; ik vermaak mensen met de kennis die ik op dit gebied heb opgedaan.

Wat is daar mis mee? Ik vind het iets anders als je een zogenaamde gave gebruikt om geld te verdienen aan het leed van anderen. Neem iemand als Derek Ogilvie. Als je bij zijn show komt, moet je een formulier invullen. Wie ben je? Wat kom je doen? Wat wil je weten?

Dat formulier krijgt een nummer, het nummer correspondeert met het nummer op de achterkant van je stoel. In de regiekamer zien ze vervolgens dat, laten we zeggen, de vrouw die haar vader mist, op stoel 15 zit. Ogilvie heeft een oortje – logisch, hij maakt een grote show, niemand zal daarvan opkijken – en krijgt dus van de regisseur te horen wat hij zogenaamd van hogerhand heeft doorgekregen. Puur bedrog. De hele RTL-ploeg weet het, maar denk je dat iemand ervan wakker ligt? Nou, ik zou er niet mee kunnen leven.”

X - Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Je begint met dromen en als je die hebt verwezenlijkt zie je dat het eigenlijk om andere dingen draait in het leven. Zo wilde ik altijd een Ferrari rijden. Op een dag kon ik hem kopen. Ik vond dat die auto bij mijn status paste en ik was ervan overtuigd dat mijn omgeving er ook zo over dacht.

Tot ik de auto op een dag voor een onderhoudsbeurt naar de garage bracht. Ze hadden geen vervangende wagen voor me, ja, zo’n kleine Fiat, maar die konden ze me toch niet aanbieden? ’Geen probleem hoor’, zei ik, ’als het maar rijdt’. En zo reed ik even later met dat Fiatje door de stad. Na een tijdje kwam ik een paar klanten tegen.

’Hee, Roland! Wat is dit?’ ’Heb je het niet gehoord,’ vroeg ik, ’mijn Ferrari is in beslag genomen. Ik heb een gigantische belastingschuld’. Het was een grapje, maar ik zag dat ze me serieus namen. ’Wat vreselijk voor je!’ ’Tja, niks aan te doen’. Ik stapte in mijn autootje en keek bij het wegrijden in mijn achteruitkijkspiegeltje. En toen zag ik dat ze zich rot lachten om mijn ongeluk.

Kort daarna heb ik de Ferrari verkocht. Die auto had geen enkele toegevoegde waarde meer. Ik kwam erachter dat veel van wat ik vroeger belangrijk vond in feite niet zoveel voorstelde. Dat artiestengedoe zegt me ook niets. Ik kom nooit op partijtjes, ik wil niet in de schijnwerpers staan.

Ik vind het zelfs vervelend als mensen mij met Rasti aanspreken. Ik maak alleen gebruik van die naam als ik onder mijn eigen naam niet snel genoeg bij de juiste persoon uitkom. Als ik ’U spreekt met Rasti Rostelli’ zeg, word ik binnen twee minuten doorverbonden. Het is allemaal onzin. Onbelangrijk. Ik weet inmiddels heel goed wat er echt toe doet: liefde, vrijheid en gezondheid. De rest kan me gestolen worden.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden