Rangschikte Rembrandt zijn kleren ’naar het leven’ of ’naar den geest’?

Steeds als de kledij op Rembrants schilderijen en etsen ter sprake komt, weerklinkt: ’Ja, dat heeft hij uit die verkleedkist van ’m gevist.’ Kunsthistorica Marieke de Winkel aarzelde steeds aanhoudender: Is dat wel zo? Bestonden die kleren eigenlijk wel?

De Winkel onderzocht alle kleding in Rembrandt’s oeuvre en maakte onderscheid tussen de kleren die werkelijk werden gedragen (fashion) en welke uit Rembrandt’s fantasie voortkomen (fancy). Haar speurtocht naar kostuumdetaillering leidde tot het kloeke boek ’Fashion and Fancy - Dress and Meaning in Rembrandt’s Paintings’.

Allicht ontging de kostuumkwestie Rembrandtvorsers door de eeuwen heen niet, maar die oordeelden volgens De Winkel niet doortastend genoeg.

,,Bijna alle auteurs schrijven over het zichtbare plezier en de virtuositeit waarmee Rembrandt zijn rijke kostuums weergaf. Dus het vermoeden dat het belangrijk voor hem was bestond wel degelijk. Het ging alleen mis met de juiste duiding ervan omdat de specifieke expertise op het gebied van de kleding gewoonweg ontbrak. Iedereen ging eigenlijk altijd uit van de kledingassociaties van zijn eigen tijd.”

,,Bijvoorbeeld een jonge vrouw met een sluier (Oopjen Coppit), in 1634 door Rembrandt geportretteerd, werd eerst gezien als een weduwe (wat niet kon want haar man stond springlevend naast haar) en vervolgens als zeventiende-eeuwse bruid. Maar in de zeventiende eeuw droegen bruiden nog helemaal geen sluiers, dat is een pas vanaf de 19de eeuw gewoonte. Bruiden droegen in de zeventiende eeuw een klein bruidskroontje en dat de door Rembrandt geportretteerde vrouw dat ook heeft gedragen, bleek uit haar inventaris waarin een ’bruytskroontje’ genoemd wordt. De zwarte sluier werd door haar gedragen als een middel tegen de zon om haar gezicht zo wit mogelijk te houden.”

Welk kledingstuk, schoeisel of hoofddeksel zette haar als eerste op het spoor van haar kostuumstudie?

Marieke de Winkel: ,,Dat was de nogal ruimzittende jas op het kleine schilderijtje van de schilder in zijn atelier (omstreeks 1629). Hiervan werd altijd gezegd dat het historisch pak was en dat Rembrandt de bedoeling had zich als een historische schilder weer te geven. Ik heb kunnen aantonen door boedelinventarissen dat 17de-eeuwse schilders deze jassen vaak tweedehands kochten en kon het ook nog eens vergelijken met een bestaand exemplaar in Engeland. In dit geval lijkt hij wel degelijk een bestaande situatie weer te geven.”

Teneinde datering, antedatering of postdatering van de geschilderde kledij te achterhalen, raadpleegde De Winkel reisverslagen, brieven en gedichten.

,,Een leuk citaat komt uit een anoniem voorstel voor het reguleren van de kleding in Amsterdam omdat iedereen veel te dure kleren droeg. De auteur geeft aan wat elke stand mag dragen. Er is alleen één groep die hij niets kan voorschrijven en dat zijn de schilders. De reden is ze onderling zoveel van elkaar verschilden: sommige maar arme kladschilders en andere rijk en ’devijn [goddelijk] van zin en verstand’. Bovendien vindt hij dat ze door hun artistieke aanleg wel vaak erg excentriek zijn wat hij ’dol van geest’ noemt. Dit geeft een mooie kijk op hoe in het verleden de kleding ook al een afspiegeling was van iemands persoonlijkheid en dat ook toen al kunstenaars opvielen door hun excentrieke uiterlijk.”

Rembrandt’s atelier puilde uit van uitheemse attributen die hij ooit nog eens als decorstukken nodig zou kunnen hebben. Waarom bleef er zo goed als niets over uit z’n garderobe?

,,Zijn eigen lijfgoed werd niet vermeld in de inventaris van 1656 die opgemaakt werd omdat hij bankroet ging. Maar er wordt wel een ’pertije antiekse lappen’ genoemd in het atelier waar zijn leerlingen werkten en een Indiaans mannen- en vrouwenpak. Volgens die inventaris had hij dus geen uitgebreide kostuumverzameling maar wel een uitgebreide verzameling exotische en antieke wapens en muziekinstrumenten. Het vreemde is dat deze in zijn werk maar nauwelijks ’naar het leven’, dat wil zeggen: naar het voorbeeld van een werkelijk bestaand voorwerp geschilderd zijn. Dat betekent dat hij er bewust voor koos om deze voorwerpen uit zijn fantasie (’naar den geest’) te schilderen terwijl hij de echte voorbeelden letterlijk voor het grijpen had!”

,,Met zijn kostuums ging het waarschijnlijk net zo: de plooival is vaak wel naar de werkelijkheid geobserveerd maar van de structuur van de kleding zelf klopt meestal niets en is een variatie op de werkelijkheid.”

Hoe ensceneerde Rembrandt de kleding van zijn modellen? Kwam hij zelf met kostuums aanzetten als de kleren van de geportretteerde hem niet bevielen?

,,Bij andere schilders uit zijn tijd kwam dat wel voor. Over Van Dijck wordt bijvoorbeeld verteld dat hij adellijke dames vroeg iets simpelers aan te strekken. Maar van Rembrandt kennen we dergelijke anekdotes niet. Het is mogelijk dat hij details veranderde of wegliet zoals een ingewikkeld patroon in de stof of het kant. Aan de andere kant is hij juist een meester in het weergeven van patronen op die zwarte kostuums en de verschillende lagen kant over elkaar. Het is moeilijk voorstelbaar dat hij zou hebben gezegd: doe dat zwart maar uit en trek maar wat kleurigs aan.”

Kon het Rembrandt eigenlijk wel schelen of de kledij ’courant’ of anderszins ’actueel’ was, en dacht hij kortweg: weg met historische feitelijkheid - alles voor de compositie?

,,Nee, wat de kleding betreft werkte hij wel degelijk volgens de geldende conventies. Dat betekende in zijn bijbelse historiestukken dat er nooit moderne kleding in voor mocht komen maar alleen historische of exotische kledingstijlen. Ook werd variatie in dit soort schilderijen hogelijk op prijs gesteld en hier kon hij zijn fantasie loslaten op fantastische uitdossingen, juwelen en sprekende kleuren.”

,,Bij portretten lag dat anders omdat de meeste van zijn opdrachtgevers toch met hun kanten kraag en grootmoeders oorbellen afgebeeld wilden worden. Maar ook hierop zijn uitzonderingen: bijvoorbeeld in de ’Nachtwacht’, waarin de kleding van sommige schutters wel degelijk gemanipuleerd lijkt om de compositie te verlevendigen.”

,,De kleding in het ’Joodse bruidje’ is nooit in het echt gedragen en bestaat vooral uit verf en kleur. De structuur van de kleding is moeilijk te volgen en onlogisch. Rembrandt heeft het samengesteld uit verschillende historische kledingstijlen die al minstens honderd jaar uit de mode waren.”

,,Uit de inventaris die bij zijn dood opgemaakt werd weten we dat Rembrandt hemden, onderbroeken en tien witte slaapmutsen had. Over zijn onderkleding droeg hij net als de meeste van zijn tijdgenoten een rode wollen borstrok, en die zie je ook wel op zijn zelfportretten. Om te werken had hij een lange warme jas, de tabbaard en hiervan worden er twee in zijn atelier genoemd bij zijn bankroet. Hij zal zeker een zwart pak gehad hebben met een mantel en voor doordeweeks grijze of bruine pakken met daarbij witte kragen en manchetten volgens de gangbare mode.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden