Ramsey Nasr

Ramsey Nasr (Rotterdam, 1974) is acteur, regisseur, schrijver en Stadsdichter van Antwerpen. Voor zijn tweede dichtbundel ’Onhandig bloesemend’ ontving hij in 2005 de Hugues C. Pernathprijs. Onlangs verschenen bij De Bezige Bij ’Van de vijand en de muzikant – essays, artikelen, opiniestukken’ en ’Onze lieve-vrouwe-zeppelin – Antwerpse gedichten’.

Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Ik ben via de kunst in het geloof gezogen. Luisterend naar de boetepsalmen van Orlando di Lasso en de Matthüuspassion van Johan Sebastian Bach krijg ik religieuze gevoelens. Ik neem als een toeschouwer deel aan het leven, maar als ik een concert bijwoon krijg ik soms, even, het gevoel dat ik met al die andere mensen, die ik normaal gesproken op een afstand houd, verbonden ben. Ik zal je een concreet voorbeeld geven: de Auferstehungs-Symphonie van Mahler. Daar zit een prachtig, theatraal moment in waarop het gigantische koor opstaat en dan dood-, doodstil ’Aufersteh’n, ja aufersteh’n wirst du*’ zingt. Dat is geen katholieke geloofsbelevenis, maar een moment van troost: je bent niet voor niets gestorven, het leven gaat door, je zult herrijzen. Dan zit ik met de tranen in mijn ogen. Iedere keer weer. Ik geloof iets waarvan ik denk te weten dat het onzin is, maar op dat moment voel ik in al mijn vezels, in al mijn poriën: ja, als dat toch eens zo zou zijn! Maar natuurlijk hou ik mezelf voor de gek! Dat is wat kunst doet: mensen voor de gek houden. Mijn hele lichaam wordt bedot, dát is wat mij nog eens naar Mahler brengt. Het zijn de schaarse momenten waarop ik het denken stop kan zetten.

Zodra het dagelijks leven weer aanvangt, ben ik de man die dingen moet kunnen vatten. Stel nu dat Maria bij mij aanschuift, haar hand op mijn hand legt, mij het hele verhaal van de Bijbel uit de doeken doet en zegt: ’Echt, Ramsey, het klopt allemaal. Je voelt dit toch? Je voelt mijn hand toch? Ik besta*’ Tja, dan zou ik natuurlijk wel móeten gaan geloven. Iets tastbaars, dat is wat de mensen willen. Tegelijkertijd moet je ten zeerste gaan twijfelen als ze met een borrelglaasje vol tranen van Maria aan komen zetten. Dus zodra ik ga rondbazuinen dat Maria aan mijn keukentafel heeft gezeten, hoop ik toch dat iemand mij een goede remedie biedt en mij zo snel mogelijk komt genezen, want ik schat de kans dat ze daadwerkelijk zal verschijnen niet erg hoog in.

Weet je, er is eigenlijk maar één reden waarom ik niet halsstarrig geloof en dat is omdat ik elke dag het verschijnsel evolutietheorie meemaak. Ik heb willens nillens – en met heel wat tegenzin – geaccepteerd dat wij op die manier op aarde zijn gekomen. Als je beseft dat er, naar ik meen, honderdveertig miljard andere sterrenstelsels zijn; dat het heelal dertienenhalf miljard jaar oud is; dat onze aarde vierenhalf miljard jaar oud is; dat er sinds bijna vier miljard jaar leven is* ik bedoel: die menselijke geschiedenis stelt helemaal niets voor! Dus: zelfs kunst, zelfs Bach, Mozart en Mahler, hebben volstrekt geen reële zin, maar we moeten het ermee doen. We moeten de oneindigheid op een afstand houden. Anders pleeg je zelfmoord. Of je wordt een fundamentalist. Ik heb tot nu toe – afkloppen – nog geen last van depressies gehad, maar ik merk wel dat ik niet te lang over de oneindigheid moet nadenken. Het is natuurlijk vreselijk om te ervaren dat niet alleen jouw leven, maar de hele mensheid er niets toe doet en tegelijkertijd vind ik die gedachte – als je haar eenmaal hebt geaccepteerd – van een ultieme schoonheid. Misschien raakt juist daarom de Auferstehungs-Symphonie mij zo: het leven gaat door. En wat wij zouden kunnen doen, is trachten andere dieren, de evolutie, niet al te zeer dwars te zitten. Is het niet krankzinnig om te denken dat wij de kroon op de schepping zijn?”

Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Pallas Athena, Zeus: dát waren mijn goden. Ik heb als scholier het hele pantheon omarmd. Oedipus die, als hij inziet dat hij het met zijn moeder heeft gedaan en zijn vader heeft vermoord, zichzelf de ogen uitsteekt. Orpheus die de onderwereld aanschouwt* Dat kijken komt in veel van die Griekse mythen naar voren: kijken, kijken, kijken. En in het verlengde daarvan: lezen. Die verhalen gaven mij, vanwege de menselijke maat, een houvast. De Griekse mythologie bood mij een raamwerk van waaruit ik andere meningen, zogezegde waarheden, kon onderzoeken. Vanuit die vergane wereld kon ik mijn eigen wereld ontdekken. En het was juist de wetenschap dat het niet ’waar’ is – dat het vergaan, achterhaald, is – die het voor mij zo interessant maakte. Als de Griekse mythen en filosofie mij één ding hebben geleerd, dan is het wel te twijfelen aan alle waarheid. Daarom ben ik tegen bijzonder geloofsonderwijs. Ik heb niets tegen een enkele godsdienstles, maar kinderen opvoeden met een godsbesef dat alleen maar is toegespitst op de God die jij, als ouder, toevallig vereert, dat vind ik misdadig.”

Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Ik geloof niet dat het goed is alles te benoemen. Een deel van de beschaving stoelt op de mogelijkheid niet altijd te zeggen wat je denkt en zeker niet te zeggen wat je voelt.”

Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„Vlaanderen kent een wonderlijke combinatie van ouderwetse, katholieke tradities in ere houden en het leven nemen zoals het komt. In mijn stamcafé kan het óók op maandag gezellig zijn. Als het feest is, gaan de stoelen aan de kant en dan wordt er gedanst. Het is minder geregeld dan in Holland. Voor een Hollander begint het weekend op vrijdagmiddag, om vijf uur. De Hollander heeft minder klasse, minder onderscheidingsdrang. Je schaamt je toch rot als je onze minister-president een zacht bolletje jongbelegen kaas ziet nuttigen? In Vlaanderen is het leven uitbundiger. Hier deel je zelf de zondag in.”

Eer uw vader en uw moeder

„Ik ben de zoon van een Nederlandse moeder en een Palestijnse vader. Ik heb een katholieke noch een islamitische opvoeding gehad. Mijn ouders gaven me de voorwaarden, de vrijheid, om het zelf uit te zoeken. Respect. Respect voor andere mensen. Luisteren. Niet alleen maar zelf aan het woord willen zijn en als je spreekt: argumenten aandragen.

Mijn ouders zijn voorbeeldig geweest in hun bereidwilligheid zichzelf – al is het tijdelijk – op te offeren. Zo kan ik niet zijn. Als je een kunstenaar bent, kun je jezelf in het dagelijks leven wel beschouwen als een toeschouwer, maar dat sluit een zeker narcisme niet uit: alles wat jij ziet is een voorstelling, materiaal om iets van te maken. Ik plaats mezelf te veel in het middelpunt om mijn ouders te volgen in de manier waarop ze zichzelf wisten weg te cijferen. Ik hoop dat ik op een dag, als ik kinderen ga krijgen, alsnog hun voorbeeld kan volgen.

Sinds mijn dertigste, ongeveer, vind ik het fantastisch om hier en nu te leven. Tot die tijd heb ik vooral terugverlangd. Terugverlangd naar mijn dagen op de Toneelschool. Terugverlangd naar mijn middelbareschooltijd. Terugverlangd naar mijn jeugd, maar een zekere staat van onschuld, naar de periode waarin alles nog mogelijk was. Een soort oerleven vanwaaruit je nog in allerlei gedaanten te voorschijn kunt komen. Dat is nu voorgoed voorbij. Ik word geen classicus meer. Geen bioloog of pianist. Tegelijkertijd begin ik te beseffen dat bepaalde dingen met meer gemak gaan: voor een gedicht hoef ik niet meer te ploeteren. Het is geen wensdroom meer om ooit goede gedichten te schrijven. Ik zeg niet dat ik nu goede gedichten schrijf, maar ik schrijf wel de gedichten die ik wil schrijven. Ramsey-gedichten. Dit is wie ik ben.”

Gij zult niet doodslaan

„Of een Palestijn zichzelf, in opstand tegen zijn bezetter, op mag blazen in een Israëlische bus? Nee, het spijt me, die uitspraak laat ik me niet ontlokken. Ik kan alleen maar constateren dat het gebeurt en dat het van belang is uit te zoeken hoe iemand in godsnaam in staat is om zoiets te doen. Tenzij je in het absolute kwaad gelooft – misschien moet ik zeggen: vooral als je in het absolute kwaad gelooft – ben je moreel verplicht dit uit te zoeken. Als je dat niet doet, maak je jezelf er te makkelijk van af. Er worden vrijwel elke dag Palestijnen vermoord, Israëliërs één keer in de zoveel tijd. Dat zijn gruwelijke statistieken die het opblazen van onschuldige mensen niet rechtvaardigen, maar de vraag over het grote kwaad wel in een ander daglicht stellen. Doden is altijd verkeerd. Maar het gaat hier niet om doden. Het gaat om wraak, het gaat om zingeving. Niemand blaast zichzelf zomaar op. Er is niemand die dat niet heeft gedaan dan nadat een of meerdere familieleden of vrienden zijn vermoord. Dát is de achtergrond. De meeste Palestijnen leggen zich erbij neer. Het heeft geen reden gehad dat je vader, je moeder, of wie dan ook werd doodgeschoten en het is een bezetter die ervoor verantwoordelijk is, dus het internationale recht staat aan jouw kant* maar het geeft geen zin aan het feit dat het is gebeurd. Het zijn de mensen die ontsporen en zichzelf opblazen die proberen met hun actie de dood van hun geliefden zin te geven en daarmee zelf in moordenaars veranderen.

Kijk, voor mij is één ding van belang: die mensen zijn zoals jij en ik. Ik zie mezelf liever als een gelijke, dan als iemand die zich daarboven stelt. Je moet de mensen die beweren nooit te zullen doden ten strengste wantrouwen. En tegen degene die de zelfmoordacties zonder meer veroordeelt, zeg ik: ga eerst eens een halfjaar in Palestina wonen.

Voor een oplossing van het Midden-Oosten-conflict zul je de pijn van beide partijen moeten voelen. Natuurlijk begrijp ik de pijn van de Palestijnen beter, maar dat wil niet zeggen dat ik geen empathie voor Israël kan opbrengen. Ik doe het, wat dat betreft, nooit goed. Door te zeggen dat Israël bestaat, heb ik voor sommige mensen uit mijn Palestijnse achterban al afgedaan. Tegelijkertijd leef ik iedere dag met het besef dat het grootste deel van de wereld een zaak steunt die absoluut onrechtvaardig is. Vanuit onkunde, soms vanuit moedwil. Dat raakt me, dat vormt me.

Ik ben zelf op zoek gegaan naar mijn Palestijnse achtergrond. Mijn vader was daar zeer zwijgzaam over, hij wilde ons er niet mee belasten. Ik ging lezen, ik bleef doorvragen en die persistentie heeft misschien wel voor verdriet gezorgd. Voor mijn moeder was het lastig dat ik het ineens steeds maar over de Palestijnen had. Wat ook pijnlijk is: in ieder interview wordt mij naar mijn vader gevraagd, terwijl ik toch volledig Nederlands ben opgevoed. Ik had aanvankelijk ook wel het gevoel dat ik de boel scheeftrok – het is heel verwarrend, verscheurend, om te merken dat je een helft van jezelf opvult die je je lange tijd niet eens bewust bent geweest – maar nu heb ik die twee redelijk in evenwicht. Op een bepaalde manier heeft het me kracht gegeven. Ballingschap kan een deugd, een verrijking zijn. Namelijk: door nergens echt geworteld te zijn ben ik eigenlijk altijd een betrokken toeschouwer, een rol die mij de gelegenheid geeft zaken afstandelijker, misschien zelfs objectiever, te bekijken. Ik kan het met even veel gemak over ’wij, Palestijnen’ als over ’zij, Palestijnen’ hebben. ’Wij, Hollanders’, ’zij, Hollanders’. En dan woon ik ook nog eens in Antwerpen. Dat is fijn hoor, die wortelloosheid. Ik kan overal en nergens aarden. Ik ben, door die ontdekking, tot een ander inzicht gekomen: niemand is ’iets’ echt. Het ’ik’ bestaat helemaal niet. Er is geen centrale plaats waar het ’ik’ zetelt. Er zijn verschillende delen in je lichaam die constant samenwerken om zo een gevoel van eigenheid te creëren. Niemand kan van zichzelf zeggen: ik ben ik. Niemand kan zijn identiteit op één ding fixeren en dat is wel wat iedereen doet. Ik ben een Hollander. Ik ben een christen. Ik ben een moslim. Ik ben een vegetariër. Ik ben een pacifist. Ik ben een Europeaan. Ik ben een westerling. Dat zijn zaken die je in de context van een bepaalde discussie kunt gebruiken, maar je zou je er voortdurend van bewust moeten zijn dat alles inwisselbaar is. Hollanders worden aangemoedigd trots te zijn op ’hun’ land, maar ik durf te beweren dat een Amsterdammer wel eens veel meer gemeen kan hebben met een stedeling uit Istanbul dan met een, laten we zeggen, inwoner uit Cuijk. Het zou mooi zijn als meer mensen zich hun multi-identiteit bewust werden.”

Gij zult niet echtbreken

„Ik heb sinds kort een lief. Of ze de ware is, weet ik niet. Daar is het te pril voor. Grote kwesties kwamen nog niet aan de orde. Het is vooral fijn. Nieuw. Maar het gaat ook nog om iets anders: wil ik aan de buitenwereld laten zien dat we samen zijn? Ben ik zover dat ik mij wil presenteren als een twee-eenheid? Ik vind dat nogal ingrijpend. Met zo’n stap ban ik bepaalde mogelijkheden uit, daarmee ben ik niet langer vrijgezel. Met andere woorden: zo’n beslissing voedt de heimwee naar hoe het had kunnen zijn – nee, nee, ik geloof niet dat iedere beslissing je leven verengt. Stel het je zo eens voor: we zijn cavia’s in de sjoelbak van Fred Oster. Onze sjoelbak is echter niet rechthoekig, hij waaiert als een trapezium uit. In het begin kun je nog alle kanten op, maar als je eenmaal voor links hebt gekozen, wordt de kans dat je, als cavia, uiteindelijk helemaal rechts uitkomt gewoon steeds kleiner.”

Gij zult niet stelen

„Jaren geleden heb ik in een antiquariaat het verzameld werk van Leopold en ’Doolhof der Zinnen’ van J. van Oudshoorn op de kop getikt, gebonden, zonder omslag. Ik stapte tevreden een andere boekhandel binnen toen ik die twee boeken daar mét omslag zag staan. Ik besloot die wikkels er af te halen. Het toneelstukje dat ik toen heb opgevoerd* Hé, da’s een interessant boek. Stiekem aan de kaft peuteren. Zal ik het kopen? Kaft losmaken. Zit er eigenlijk een magneetstrip in die omslag? Hangen er camera’s? Ga ik straks opgepakt worden omdat ik twee kaftjes heb gestolen? Dat is pas echt zielig! Om tijd te rekken naar andere afdeling lopen. Kijk eens aan: koken. Ook interessant. Neem je tijd. Langs de kassa lopen. Goedemiddag. Naar buiten!

Ja, ik heb die boekjes nog. Hier, dit zijn ze. God, nu ik er zo mee in mijn handen sta, besef ik pas echt hoe belachelijk het eigenlijk is* Maar goed, het is te laat om mezelf nog aan te geven.”

Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Ik ken een onderzoek, verricht onder studenten, waarbij men heeft gezegd dat die studenten gedurende een bepaalde periode, tegen iedereen in hun omgeving, mensen die daar niet van afwisten, altijd de waarheid moesten spreken. Dat project is na niet al te lange tijd afgeblazen doordat die studenten met iedereen ruzie kregen. Dus, ’valse getuigenis’ komt mij nu wat te juridisch voor, maar ik denk toch dat een white lie zo nu en dan noodzakelijk is. Je moet – en dat heeft met hoffelijkheid, met pudeur, of gewoon, botweg, met overleven te maken – af en toe liegen om niet als een paria door het leven te hoeven gaan. Etiquette is een vorm van liegen. Hoffelijkheid is een vorm van liegen. Voorspel is een vorm van liegen. En naspel – niet meteen erna op je rug gaan liggen snurken – al helemaal.”

Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Als iemand een rol krijgt die ik had willen hebben, ben ik jaloers maar ik zal die acteur niet gaan vergiftigen om alsnog zijn plaats in te kunnen nemen. Ik ben heel erg blij met hoe het nu gaat – je kunt wel blíjven begeren. Ik kan mij er zeer over verwonderen hoe alles op mijn pad komt. Het was mijn droom om ooit, als ik oud en grijs was, een dichtbundel te publiceren. Het toeval wil dat ik werd gevraagd het veel eerder te doen. Ik werd gevraagd Stadsdichter van Antwerpen te worden, gevraagd een opera te regisseren, een operette te schrijven. De enige keuze die ik maak is uitdagingen aan te gaan in plaats van ze te laten liggen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden