Rake schets van kleinburgerlijkheid

Lore Dijkman en Jack Vecht in een scÿne uit 'Verhalen uit het Weense Woud'. (FOTO BEN VAN DUIN) Beeld Ben van Duin
Lore Dijkman en Jack Vecht in een scÿne uit 'Verhalen uit het Weense Woud'. (FOTO BEN VAN DUIN)Beeld Ben van Duin

De Hongaars-Oostenrijkse schrijver Ödön von Horváth noteerde wat hij mensen op straat hoorde zeggen en verwerkte dat in zijn stukken. Zijn ’Verhalen uit het Weense woud’ is nu door Arie de Mol even treffend geënsceneerd. Fris volkstoneel waarbij de vele meezingers garant staan voor een valse ondertoon. Het schurende venijn van Von Horváth zet echter niet echt door.

’Verhalen uit het Weense Woud’ van Ödön von Horváth door Toneelgroep Maastricht o.r.v. Arie de Mol; tournee t/m 2-4; inl: 043-3503050 of www.toneelgroepmaastricht.nl

Naar het leven getekend. Misschien komt ’Verhalen uit het Weense Woud’ (’Geschichten aus dem Wienerwald’, 1931) wel het dichtst bij de authenticiteit, die het werk van de Hongaars-Oostenrijkse schrijver Ödön von Horváth (1901-1938) zo kenmerkt. Op losse velletjes en sigarendoosjes noteerde hij wat hij mensen op straat en in cafés hoorde zeggen en dat verwerkte hij in zijn stukken.

Zo raak wist Von Horváth de met zeep gewassen kleinburgerlijkheid te treffen, rijp voor het fascisme, dat de nationaal-socialisten zijn stukken vanaf 1933 van de Duitse podia banden. Onthutsend herkenbaar zijn nog steeds de zelfzucht en huichelarij, het ’wij’-denken en de angst voor alles wat anders is. Als regisseur Arie de Mol in de voorstelling het ’Wien Neêrlands bloed, van vreemde smetten vrij’ laat zingen, geeft dat een bittere bijsmaak.

Al jaren toont De Mol een grote affiniteit met het werk van Von Horváth. Geen wonder. Wat Von Horváth met tekst kan, kan De Mol met een enscenering. In het Nederlandse theaterlandschap is hij de man van het volkstoneel. Fris van de lever en van zijn oubolligheid ontdaan. Juist door het in scherpe contrasten te zoeken van karikatuur en stilering, ironie en compassie, melodrama en satire.

In de beginscène van het ’Weense Woud’ wordt de scheve relatie tussen een moeder en zoon meteen krachtig getekend door hem te laten schranzen en haar voor elk wissewasje door een piepklein deurtje te laten kruipen. Als deze Alfred heel veel botte streken later zijn moeder het ’Mámma, je bent de liefste ()’ toezingt, staat het meezinggehalte van dat lied vanzelf garant voor een valse ondertoon.

Het stuk speelt zich af in een gewone straat in een doorsneestad, waar de sociale controle hoogtij viert en men zich staande probeert te houden in politiek en economisch onzekere tijden. Daar is Alfred de vlegel die de naïeve Marianne verleidt en wordt zij verstoten door haar vader, die er zelf niet vies van is zijn broek stiekem te laten zakken.

Decorontwerper Theo Tienhoven heeft het menselijke gehannes mooi gekaderd in transparante gevelwanden en De Mol heeft de domme onhandigheid fraai vertaald in zinnen als „Ik wilde jullie verloving niet uit elkaar drijven”. Oer-Hollandse levensliederen verlenen het geheel extra kleur. Aandoenlijk is Willeke Alberti’s ’Een vogel vliegt uit’ als Marianne gedwongen wordt om in een nachtclub te gaan werken.

Toch mist een strakke lijn. Hoe vitaal er ook wordt gespeeld – met een voortreffelijke charmante schoft van Reinier Demeijer – de voorstelling golft tussen ups en downs. Het is soms alsof de reden voor een groteske speelstijl ontbreekt. Zo is Marianne’s vader zo eenzijdig een malle Eppie, dat dit elk wrang commentaar tenietdoet. Het schurende en prikkelende venijn in De Mols andere Von Horváth-ensceneringen zet niet echt door. Maar de melancholie van het einde, als de onmacht van de mens om vrede te vinden wordt bezongen (Jules de Corte), maakt weer heel veel goed.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden