Radio volhardt in foute balans vocale en instrumentale stemmen

AMSTERDAM - Officieel genoot de cellist Yo-Yo Ma tijdens de afgelopen tien dagen 'carte blanche' in het Amsterdams Concertgebouw. Maar wat te denken van Ton Koopman? Eerst trad hij er op als leider van een uitvoering van Bachs Johannes Passie, vervolgens was hij gast in Ma's muziekfeestje, maar had wel duidelijk de touwtjes in handen voor werk van Bach, Vivaldi en Haydn, en tenslotte trad hij dit weekeinde naar voren met Bachs Mattheus Passie.

Deze carte blanche in de oude muziek houdt in dat Koopman tweemaal zijn eigen Amsterdams Barok Orkest presenteerde (Johannes en Ma-concert) en eenmaal het Concertgebouworkest (Mattheus), zowel samenwerkte met het koor van de Nederlandse Bachvereniging (Johannes), als met het Nederlands Kamerkoor, zijn eigen ad hoc Amsterdams Barok Koor en het jongenskoor van de St-Bavo-kathedraal Haarlem (Mattheus) en een indrukwekkende stoet van zo'n dertig instrumentale en vocale solisten (onder wie Yo-Yo Ma) inspireerde.

Niet gek voor een gewone Hollander die niet alleen de openheid zelve is, maar ook heel mededeelzaam weet te musiceren; door zijn gestalte en gebarentaal wekt hij de valse indruk van 'een muzikale tuinkabouter' zoals een journalist hem omschreef, of van een karikatuur van zichzelf zoals het aprilnummer van het muziekblad Entr'acte hem portretteert.

Men ziet Koopman op de voorpagina met een mallotige pruik (afkomstig uit de 'Barbier van Sevilla'-produktie van de Nederlandse Opera) die hem tijdens de foto-sessie voor de gein was opgezet. Zoiets had hoofdredacteur Sytze Smit nooit geflikt met Chailly, Haitink, Harnoncourt, Bruggen, Leonhardt of welke topmusicus uit de klasse waar Koopman toe behoort.

Koopman past ondanks zijn onconventionele stijl beslist niet in de sfeer van 'leuk' of 'popi' (het Nigel Kennedy-virus); dat droegen juist de drie bovengenoemde uitvoeringen nog eens dubbel en dwars over. Koopman musiceert vanuit een bewogen innerlijk, waarin intuitie, meer dan ratio, hem de juiste weg wijst. De verstandelijke laag vormt weliswaar een solide basis (dankzij een enorme belezenheid, speeltechnisch inzicht en alles omvattende culturele interesse), maar de emotionele laag doet het werk.

Nu hij voor de tweede keer de traditionele passie-uitvoering van het Concertgebouworkest leidde (in 1991 voor het eerst) als opvolger van Nikolaus Harnoncourt, bleek het verschil tussen beide: waar Harnoncourt de lyriek van het felle oog bewerkstelligde in de soms strakke welving van instrumentale lijnen, daar roept Koopman de dramatiek van het verzaligde oog op. Waar Harnoncourt de accenten in de vocale en instrumentale ensembles met prikkende handgebaren bijkans afdwong, daar boetseert Koopman de muzikale zinnen met uitnodigende gebaren.

Daarom klonk er in de uitvoering die ik vrijdagavond beluisterde ook zoveel innigheid in de Mattheus, en was ook dat karakter nog sterker aanwezig in de uitwerking van de Johannes (met een bijkans Debussyiaanse instrumentale inleiding van het openingskoor 'Herr, unser Herrscher'), anderhalve week daarvoor.

Aangezien de strijkers het epicentrum vormen waar de sidderingen in het innerlijk van een dirigent het volst tot wasdom komen, kon Koopmans hoge gevoeligheidsgraad vooral worden waargenomen in de uitwerking van de unisono-partij voor de eerste en tweede violen uit koor II in de aria 'Gerne will ich mich bequemen', kamermuziek van de hoogste orde, een trio met de baszanger (hier Klaus Mertens) als gelijkwaardige partner. Maar ook in het driestemmige strijkersweefsel voor koor I bij het mystieke recitatief 'Am Abend als es kuhle war'.

Overigens was van die gelijkwaardigheid niets te merken in de rechtstreekse uitzending van de uitvoering zondagmiddag. De radio volhardt in het standpunt dat Bachs polyfonie gewoon zang met begeleiding is. Heel storend was dat bijvoorbeeld in 'Ich will bei meinem Jesu wachen', waar de solo-hobo mijlenver klonk, terwijl de solo-tenor (Guy de Mey) er gewoon inknalde. Zo ook was de balans zoek tussen Jard van Nes ('Erbarme dich') en de vioolsolo van Jaap van Zweden. Ook de inbreng van de koralen werd op een achtergrond geplaatst die onterecht is.

Dat bij Koopman milde genuanceerdheid in expressie zijn sterkste kant is, viel te horen in de geseling van Jezus, bij Harnoncourt werkelijk pijnlijke zweepslagen van gepuncteerde zwiepende zestiende noten met splinterscherpe 32-ste noten. Zo'n sadist is Koopman niet. Wel iemand die de dramatiek van een onweer in alle heftigheid kon laten uitzingen waarbij hij met de vuisten gebald het vuur uit de hemel afroept. Of de evangelist (Hans-Peter Blochwitz die in de topnoten niet bestand bleek tegen de ligging van a op 442 Herz) de schreeuwende volksmenigten in actuele heftigheid liet uitbeelden.

Intens en dramatisch weerkaatste bij Koopman de retoriek van het openingskoor tussen de beide groepen met romantische beeldkracht. Romantiek kon ook worden waargenomen in de nadrukkelijkheid waarmee de menigte het 'Anderen hat er geholfen' afrondde met de vertraging op 'Ich bin Gottes Sohn'. Zowel het Nederlands Kamerkoor als Koopmans eigen koor-formatie reageerden subliem. Dat eigen koor wordt gekenmerkt door een karaktervolle altgroep (met veel mannenalten), maar de tenoren hebben weinig uitstraling. Het Kamerkoor is evenwichtiger, iets voller van klank ook, en kan trots zijn op koorlid, de bas Jelle Draijer die voortreffelijk de kleine rollen vervulde. Een stem die een aria verdient.

Bij elkaar was deze Mattheus-uitvoering een voorbeeldig samengaan van stijl en persoonlijk gekleurde uitdrukkingskracht. Koopman had veel zorg besteed aan de uitwerking van de kernrollen in iedere passie: die van de evangelist en van Jezus. De emotionele nuancering (van zeer innig tot fel, bijkans schreeuwend) van Blochwitz als evangelist kwam in de radio-uitzending sterker over dan ik vrijdag in de zaal ervoer. Dat gold nog meer voor Olaf Bar als Christus wiens stem in de zaal onvoldoende leek te dragen.

In de solistenploeg stonden enkele juwelen, sopraan Barbara Bonney voorop die een zilveren onschuldigheid in de aria 'Aus Liebe' combineerde met de strelend-tedere toonvorming van fluitist Jacques Zoon. Ook sopraan Greta de Reyghere zong met verbluffende innigheid 'Blute nur' in een zeldzame harmonie met fluitiste Caecilia Oomes. Olaf Bar als Christus groeide voor mij pas tot een karakter uit in de dramatische scenes bij Pilatus; een bas met vollere diepte past beter. Jard van Nes droeg 'Erbarme dich' in warmbloedige eendracht met violist Jaap van Zweden voor, maar gemakkelijk ligt die partij haar niet. Bij tenor Guy de Mey (die wegens ziekte al was uitgevallen in Koopmans Johannes-produktie) viel beide keren duidelijk te horen dat zijn vocale crisis nog niet voorbij is. Zijn stem verkleurt per maat en klinkt verkrampt.

Koopman liet ook het pas gerestaureerde orgel een rol spelen: de sesquialter versterkte het Bavo-jongenskoor in opening- en slotkoor van het eerste deel. Dat heeft Bach ook voorgeschreven, maar Harnoncourt deed het nooit. In 1995 heeft Koopman de leiding weer. Hoe romantisch-gevoelig hij ook is, de tijden van donderend orgel (Piet van Egmond, Willem Mengelberg) zullen niet terugkeren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden