Radicalisering op het schoolplein / Ervaringen van een witte moeder met een zwarte school

Lonneke Sondorp uit Amersfoort doet haar beide kinderen straks welbewust naar een zwarte basisschool. Ze vertelde er twee weken geleden over in deze krant. Trouw-redacteur Romana Abels ging haar vier jaar geleden voor. Ook zij was zo’n idealist die haar zoontje op de zwarte basisschool om de hoek deed. „Ik denk dat ik weet wat Lonneke Sondorp te wachten staat. Ik schrijf het op omdat niemand me dit destijds kon vertellen.”

Lonneke Sondorp noemt zichzelf een moderne zendeling. Ze is een witte moeder die pleit voor meer gemengde scholen. Als haar kinderen vier zijn, stuurt ze hen naar de zwarte school in de buurt. Ze probeert medeouders ervan te overtuigen om dat ook te doen. En omdat ze in andere steden dan haar woonplaats Amersfoort ouders kent die ook zoiets willen, heeft ze de Stichting Kleurrijke Scholen opgericht, die van onderop wil bevorderen dat er minder segregatie is; in ieder geval tussen scholen.

Ik hoor haar praten: bevlogen, geïnteresseerd, geschokt. Zo was ik ook. Nu zou ik zeggen: ik was misschien ook wel zo naïef. Vier jaar geleden schreef ik mijn oudste zoon in op de basisschool, en koos daarbij bewust voor de zwarte school bij ons om de hoek. Het leek me vreselijk voor mijn kind om achterop de fiets zijn straatgenootjes voorbij te zien lopen omdat hij naar een betere school moest, die een behoorlijk eind verderop ligt. Dan is hij misschien al voorgoed verpest, dacht ik, voorgoed vergiftigd met het idee dat hij beter is dan die anderen.

„Alles is gesegregeerd”, zegt Lonneke Sondorp. „Er zijn zwarte en witte scholen, zwarte en witte crèches, zwarte en witte voetbalclubs.” Dat is waar. En het is niet goed. Maar het erge is: ook op de zwarte school is segregatie. En daar doe je, of je wilt of niet, op den duur zelf aan mee.

Ik denk dat ik weet wat Lonneke Sondorp te wachten staat. Ik schrijf het op omdat niemand me dit kon vertellen, toen ik nog zo enthousiast was over wat wij gingen doen. Terwijl ik het destijds wél graag had willen weten.

Komende dinsdag wordt mijn jongste zoon vier jaar, en gaat hij ook naar school. Zijn broer zit daar al, in groep 3. Onze school is een prima school. Zwart, maar dichtbij, met on-Amsterdams kleine klassen en een behoorlijk grote hoeveelheid begeleiding. De klassen zijn ruim en licht, het materiaal is wel duizend keer beter dan waarmee ik het als kind moest doen, de juffen en meesters zijn enthousiast en deskundig. Maar met pijn in mijn hart moet ik na tweeënhalf jaar zeggen dat mijn oudste zoon eigenlijk nauwelijks omgaat met allochtone klasgenootjes. Was de school de afgelopen tijd niet razendsnel aan het verwitten geraakt, dan hadden we nu misschien wel omgezien naar een andere.

Om de kwaliteit van het onderwijs gaat het niet. Die is top, zoals ze hier in Amsterdam zeggen. En nog steeds denk ik dat mijn zoons beter af zijn in deze omgeving dan op de eliteschool, waar ze nooit kennis zullen maken met een kansarm kind. Maar het vraagt wel wat. Zoveel, dat je na verloop van tijd begrip kunt opbrengen voor al die ouders die er geen zin in hadden.

Denk je aan een vierjarige op een basisschool, dan denk je toch aan een omgeving waar lieve, leuke, zachtmoedige juffen de hele dag vriendelijke liedjes zingen over paddestoelen en vlinders. Je denkt niet aan een gang waar om de paar meter een affiche hangt met het opschrift: ’Wij hebben respect voor elkaar’. Als je daaraan herinnerd moet worden, dan was dat respect er dus niet.

Je denkt ook niet aan een omgeving waar juffen in het bijzijn van de kinderen tegen ouders blaffen: „Hij moet om zeven uur naar bed, hoort u?” Het is zo klein dat je het gemakkelijk negeert. Maar op den duur ontdek je dat in die toon een hele wereld van kleine en grote problemen besloten ligt. Je ontdekt dat je je begeeft in een gespreksloze wereld.

’Hoeveel ouders zullen nog van de eerste generatie zijn?’, vroeg ik me vooraf af. Weinig, dacht ik. De eerste generatie was er per slot van rekening al toen ik nog op de basisschool zat. Maar ik had buiten de importbruiden gerekend, en die blijken ver in de meerderheid. Het is maar zelden dat je met een moeder een gesprek kunt voeren. Een andere ouder kunt vragen een uurtje op te passen. Laat staan dat je kunt praten over een afgepakte bal, over een scheldpartij waarvan je kind doelwit werd. Je laat het lopen. Maar bij het wachten op het schoolplein sta je dan al snel bij de andere witten. Soort bij soort, in groepjes. Je maakt er al snel speelafspraken mee.

En hoe idealistisch je ook bent, je schrikt toch, de eerste keer dat je kind thuiskomt en een zin uitspreekt die vol vreemde woorden zit en grammaticaal nog minder in orde is dan wat hij voorheen praatte. Straattaal. ’De’ in plaats van ’het’, merkwaardige meervoudsvormen. Wij zeggen hier in huis als we iets volkomen te gek gaaf vinden: „Wanjo.” Geen idee waar het vandaan komt, behalve van het schoolplein. Maar ik hoop wel dat het ooit weer weg zal gaan.

Overigens was dat laatste iets waar we van tevoren wel op rekenden. We hadden zelfs wel een soort theoretische interesse voor straattaal. Van de studie Nederlands uit een ver verleden herinnerde ik me vooral een bijzonder interessante les over straattaal in New York, een modern pidgin.

Veel minder voorbereid waren we op de directie en de docenten, die het compleet waren verleerd om ouders als hun partners te zien. Op onze school komt informatie tot ons in de vorm van een reeks van ge- en verboden, liefst afgebeeld met kinderlijke icoontjes om de bedoeling goed duidelijk te maken. Vertelt de jaarlijkse schoolgids op andere scholen misschien iets over de inhoud van de lessen, de bestemming van het schoolreisje of het thema van de kinderboekenweek, die van ons bestaat uit een stencil met daarop de schoolvakanties, de adv-dagen van de leerkrachten en de begin- en eindtijden van de lessen. Halfnegen staat er, en daarnaast een afbeelding van een klok met de grote wijzer op de zes en de kleine op de acht. Halfnegen. Dat was alles, toen onze oudste zoon ruim twee jaar geleden voor het eerst naar school ging.

Hoe het opschoot met de bouw van een nieuw schoolgebouw, toen in volle gang, het kwam ons niet ter ore. Dat er in eerste instantie geen schoolplein was ingetekend op de plattegrond van het nieuwe gebouw, we moesten er zelf achterkomen. Dat de kinderen, nota bene in de kleuterklas, wekenlang heel intensief aan het leren waren over China, we zagen het na een tijdje, maar we stonden erbuiten. Soms hoorden we dat de hele klas naar een toneelvoorstelling was geweest – achteraf. Zelfs dat ons kind, net vier jaar oud, door een invaldocente na het overblijven was vergeten en alleen op het schoolplein was achtergebleven, hoorden we van het kind zelf. Toen we geschrokken naar school renden om verhaal te halen, bleek de betreffende docente zwaar berispt. Ze waren het gewoon vergeten te vertellen.

Verbeter de wereld, dachten wij. Je moet er ook zelf wat voor doen. Want hoe weet de school dat wij meer willen weten, als ouders er niet eerst om vragen? En dus meldden we ons aan voor de oudercommissie en de medezeggenschapsraad, die verder bestonden uit betrokken ouders van kinderen die naar school gingen op een andere locatie, een veel eerder verwit deel van dezelfde school. Communicatie werd het onderwerp van vele vergaderingen, met en zonder docenten en directie. Eén voorstel was om een klassenouder aan te stellen, die fungeert als brug tussen ouders en school. Het ging niet door. Toen pas beseften we: de docenten vinden het eigenlijk wel prettig, zo zonder overleg met ouders.

Zo wordt je gevecht steeds groter. Was het eerst alleen tegen de andere ouders, die zo laf zijn om hun kind bij de witte basisschool naar binnen te praten, daarna blijk je ook nog het hele docentencorps voor je te moeten winnen. En dat is nog niet alles. Wil je dat het sinterklaasfeest een succes wordt, of dat de school er mooi uitziet tijdens de kinderboekenweek, dan zul je steeds maar weer zelf moeten opdraven. Je kunt het je niet permitteren om te denken: laat dit keer maar eens een ander versieren. Alleen de witte ouders doen op school mee, en zolang dat er maar een stuk of wat zijn, moet je naar alles. Naar de vergadering over het jaarlijkse interculturele feest, maar ook naar de bijeenkomst van de gemeente over de wegwerkzaamheden naast de school en die over de parkeergarage die onder de speeltuin komt – nou net die speeltuin waar de kinderen van jouw school tussen de middag spelen.

Het is altijd leuk om op school te helpen, daar niet van. Soms voel ik me de koning te rijk. Bijvoorbeeld als we met groep twee naar Artis gaan en ik mezelf door de tram hoor roepen: „Abel, Moses, Mohammed, we moeten hier uitstappen!”

Maar het is ook veel. „Mama, waarom ben jij altijd op school en die andere moeders niet?” Het viel na een tijdje ook ons eigen kind op. Ik doe het omdat ik het leuk vind, en omdat ik vind dat het hoort. Dat een school zonder ouders niet kan functioneren – het staat in de folder die je van tevoren krijgt, het wordt je verteld bij de aanmelding, de juf vraagt bij iedere activiteit of er iemand wil meehelpen. Niemand komt. Ouderparticipatie bij de allochtone moeders, dat is, heel cliché, niet meer dan koekjes bakken. Als er tenminste niets tussenkomt.

Net zo cliché is dat wij hechten aan afspraak is afspraak. Maar die norm wordt op den duur wel een bijna onoverkomelijke barrière. Het is frustrerend om om kwart over drie te horen dat een kind toch niet mee naar huis mag, als dat tussen de middag met de vader net zo goed was afgesproken. „Ik mag niet bij jullie binnenkomen”, zei een kind nog deze week, terwijl buitenspelen vanwege regen ook geen optie was.

Bij het eerste verjaardagsfeestje dat we gaven kwamen twee uitgenodigde Marokkaanse kindjes niet opdagen. We hadden taart voor ze bewaard en een cadeautje. Feestje? Nee hoor, zei een van de betreffende moeders, die doodleuk ontkende dat we een uitnodiging hadden gestuurd. Ik hoorde hetzelfde verhaal van andere ouders. Een opgewekte moeder met een kind in groep vijf zei: „O, maar ze komen nooit. Daar moet je niet aan beginnen.” Ik heb het hier, let wel, niet over islamofobe stadsbewoners die terugwillen naar de jaren vijftig, maar over mensen die hun kind bewust naar een zwarte school brachten. Ze geven het na een tijdje gewoon op.

Het gaat zo geleidelijk dat ik het pas besefte toen ik dat enthousiaste verhaal van Lonneke Sondorp las. Het merendeel van de allochtonen, die ik in eerste instantie nog zo welwillend tegemoet trad, heb ik links laten liggen. Om nog meer redenen. Ook omdat Mohammed, die tijdens het buitenspelen een keer binnenkwam, meteen de prachtige racebaan van mijn zoon begon te vernielen. „Hoezo is dat erg?”, vroeg hij toen ik boos werd. „Jullie kopen toch gewoon een nieuwe?” En ja, dat kan ook. In zijn ogen zijn we natuurlijk ook onnoemelijk rijk. En als hij al jaloers is op ons speelgoed, wat moet hij dan denken van al die blonde kindertjes en een enkel supersnel Turks jongetje – het aantal hoogbegaafden is op onze school buitengewoon hoog – die met een zwarte map vol extra taakjes onder hun arm naar de extra filosofieles wandelen? Ik vraag me eerlijk gezegd wel eens af of de toeloop van blanke kinderen naar onze school eigenlijk wel een verrijking is, of dat het de zwarte kinderen alleen maar eerder doet beseffen dat het voor hen allemaal lang zo makkelijk niet is.

Daar wijst de radicaliseringsgolf van vorig jaar wel op. Lonneke Sondorp noemt het nog gekscherend: wat zou de ideologie van Mohammed B. nou te maken hebben met een Amersfoortse basisschool? Vol verbazing had ze geluisterd naar ouders die moslimradicalisering aanvoerden als argument om hun kind niet naar een zwarte school te sturen.

Ik kan haar zeggen: radicalisering bestaat echt. Bij ons tenminste wel. Vorig jaar verscheen opeens een radicale moeder op school. Een bekeerlinge. Zwaarder gesluierd dan de anderen, met slechts haar blauwe ogen, neus en mond zichtbaar. Ze kwetterde op voortdurend boze toon, een steeds groter wordende groep moeders om zich heen verzamelend. Wat ze zei, konden wij niet verstaan, maar het moest iets te maken hebben met onze losbandige levensstijl. De moeders in het groepje keken ons niet meer aan. En hun dochters, de ene dag nog giechelende meisjes met losse haren, veranderden in strenge dametjes met een knotje op het hoofd die de andere kant op kijken als je langsloopt. De brutaalsten sisten soms, als het warm was en de witte moeders korte rokjes droegen. Zo ziet radicalisering er dus uit. Je ziet het gebeuren, en er is niets wat je kunt doen.

Een gevolg was dat een van de straatvriendjes van onze zoon ons opeens niet meer aankeek, niet meer wilde spelen. Hij was de laatste. In het adressenboekje van onze oudste zoon staan nu alleen nog maar Tommen en Jannen; het snelle Turkse jongetje en een enkel geadopteerd vriendje daargelaten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden