Rabbijn Soetendorp over het verdriet na de eerste razzia in Amsterdam

rabbijn Awraham Soetendorp. Beeld Werry Crone

Vandaag, bij de 75ste herdenking van de Februaristaking, vertelt rabbijn Awraham Soetendorp nieuwe feiten over de aanleiding: de eerste razzia in Amsterdam.

Niemand van de 427 Joden die op 22 en 23 februari 1941 bij de eerste grootschalige razzia in Nederland werden gearresteerd, had concentratiekamp Mauthausen overleefd. Dat brulde Ferdinand aus der Fünten, verantwoordelijk voor de deportatie van Joden uit Nederland, een paar maanden later in de richting van leden van de Joodse Raad en de jonge rabbijn Jacob Soetendorp. Die laatste kreeg opdracht om de 427 families over het lot van hun familielid in te lichten.

Herinneringen
Deze herinneringen komen rond de herdenking van de Februaristaking bij rabbijn Awraham Soetendorp, oudste zoon van Jacob, onvermijdelijk naar boven. Zelden slaat hij op 25 februari de herdenking over van de massale opstand van werknemers die in 1941 het openbare leven in Amsterdam platlegde. Aanleiding voor de staking was de hardhandige arrestatie een paar dagen daarvoor van 427 Joodse mannen in de buurt van het Jonas Daniël Meijerplein. Telkens wilde de rabbijn het aangrijpende verhaal van zijn vader vertellen en vandaag, bij de 75ste herdenking van de staking, moet het ervan komen.

Zijn vader was in 1941 hoofd van de Joodse mulo, maar was in Amsterdam-Oost ook pastoraal werker. Hoe Jacob bij het gesprek in het hoofdkwartier van Aus der Fünten aan het Adama van Scheltemaplein terechtkwam, weet Awraham niet zeker. Maar hij vermoedt dat de Joodse Raad hem dat had gevraagd vanwege zijn pastorale kwaliteiten. Zijn vader werd zo getuige van een woede-uitbarsting van de toen al gevreesde SS'er Aus der Fünten.

"Die man schreeuwde tegen mijn vader en de anderen dat hij 'die Joden' nog zo had gewaarschuwd, maar dat 'die lafaards' niet hadden willen meewerken. Zij hadden zelfs willen vluchten, beweerde Aus der Fünten, en zo hadden ze iedereen moeten doodschieten. Hij bleef zo nog enige tijd doorfoeteren op de mensen die naar Mauthausen waren afgevoerd. Op het eind zette hij een zwarte doos met een harde klap op tafel. Daardoor vloog er as over de rand. Vervolgens zei Aus der Fünten: 'En dit is wat er van hen nog over is'."

'Iedereen begon te huilen'
Het inlichten van de familie deed Jacob Soetendorp uiteindelijk niet alleen. Hij kreeg hulp van Herman Musaph, een leeftijdgenoot die toen huisarts was en later een bekend psychiater zou worden. "Mijn vader vertelde dat als zij in een straat kwamen waar veel Joden woonden, iedereen begon te huilen. Niemand wist zeker bij welk huis mijn vader en Musaph zouden stoppen. Hoe lang zij met deze taak bezig zijn geweest, weet ik niet. Het is voor hem een van de meest aangrijpende gebeurtenissen uit zijn leven geweest, temeer omdat hij redelijk wat van de vermoorde jongens persoonlijk had gekend."

Verdere details over de doos die Aus der Fünten op de tafel smeet, kon zijn vader hem niet geven. "Was het ook wel as? We zullen het nooit weten. De reden waarom Aus der Fünten dit deed, was waarschijnlijk om te intimideren. "Het was het teken dat de Joodse bevolking verder zou worden geïsoleerd", zegt Awraham, die net als zijn vader een leidende rol had in de Liberaal Joodse Gemeente.

Van de 427 gearresteerden wist één levend terug te komen. Max Arian dankte dat aan het feit dat in concentratiekamp Buchenwald bij hem een teen moest worden afgezet. Hij kwam in het ziekenhuis en miste het transport naar Mauthausen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden