Rabbi Hillel verdediger van de armen?

De auteur is omroeppastor bij de Ikon.

Laten we eens naar de discussie kijken in die dagen. In Deuteronomium 15 staat, dat er eens in de zeven jaar een kwijtschelding van schulden moet plaatsvinden. Dat zevende jaar heet jaar van de kwijtschelding, ook wel sabbatjaar genoemd. Iedere schuldeiser zal hetgeen hij aan zijn naaste leende kwijtschelden. Het kader waarin dat staat, is dat er mensen zijn die, om het hoofd boven water te houden, gedwongen zijn om te lenen van hun naasten. Blijven lenen leidt tot blijvende afhankelijkheid. Eens in de zeven jaar is er de mogelijkheid van een nieuw begin.

In datzelfde hoofdstuk staat de tekst: “Neem u ervoor in acht, dat in uw hart niet de lage gedachte opkomt: het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding nadert - waardoor gij onbarmhartig wordt jegens uw arme broeder en gij hem niets geeft, zodat hij tegen u tot de Heer roept en gij u bezondigt. Gij zult hem met mildheid geven en uw hart zal niet verdrietig zijn, wanneer gij hem geeft, want ter wille daarvan zal de Here, uw God, u zegenen in al uw werk en in alles wat gij onderneemt.”

In deze tekst wordt de lage gedachte al voorzien. Die lage gedachte kwam steeds opnieuw op in de geschiedenis van Israël. Steeds waren er koningen - en niet alleen zij - die zich probeerden te onttrekken aan de klem van deze geboden. De profeten protesteren fel tegen diegenen die het recht buigen en de Tora aanpassen aan de heersende belangen.

Uitweg

In de eerste eeuw speelt deze discussie opnieuw. Omdat volksgenoten weigeren te lenen aan de verarmde zusters en broeders moet er iets gebeuren. Volgens de traditie heeft rabbi Hillel toen het volgende bedacht. Hij las de bijbeltekst nog eens goed, zag dat het ging om een kwijtschelding aan iemands broeder en vond een uitweg. In de Sifre Deut. 113 (de rabbijnse verklaring van het boek Deuteronomium) lezen we:

“Hetgeen gij van uw broeder te goed hebt, zult gij hem kwijtschelden (Deut. 15 : 3) - maar niet hij hoeft kwijt te schelden die zijn hypotheek aan het hof geeft. Op grond hiervan, zeiden ze, verordende Hillel de prozbul. Vanwege de orde van de wereld, dat hij mensen zag die terughoudend waren in het lenen aan elkaar en zo overtraden wat in de Tora geschreven stond. Hij stond op en verordende de prozbul. En dit is de formulering van de prozbul: 'Ik geef aan U, die en die, de rechters in die en die plaats, alles wat ik te vorderen heb, zodat ik het kan halen wanneer ik maar wil (...)'.”

Nu ging vervolgens de discussie erover of dit een maatregel was ten gunste van de armen of een maatregel die hen nòg armer maakte. Op korte termijn kan het armen die van niemand meer iets konden lenen lucht geven. Immers de prozbul, een contract, geeft de geldschieter de mogelijkheid het geld terug te krijgen, zodat het risico van de kwijtschelding niet langer bestaat. Op de lange termijn lopen bij de armen de schulden op en raken ze in een neerwaartse spiraal. De kracht van de Tora die opkomt voor de zwaksten wordt uiteindelijk buiten werking gesteld.

In de Misjna (interpretatie, uitleg, bij de Tora - red.) vinden we deze discussie terug. Was de instelling van de prozbul door Hillel alleen bestemd voor zijn generatie of voor alle generaties? Anders gezegd, was het een tijdgebonden maatregel of niet? Was het alleen voor de generatie van Hillel, dan mag je de prozbul weer afschaffen. Dat gebeurt niet.

Een ander discussiepunt was dat geleerd was dat er geen prozbul wordt opgesteld als degene die geld van iemand leent geen land heeft. Maar, zo lezen we dan: als degene die geld leent geen land heeft kan de geldschieter de lener een stukje land schenken. Vervolgens gaat de discussie erover hoe groot dat stukje land moet zijn. Zelfs een stengel van een Johannesbroodboom is genoeg zei de ene rabbi. De ander zei, al geef je hem maar een plaats waarop zijn oven kan staan dan mag op grond daarvan een prozbul gemaakt worden. Want, zo had een andere rabbi Hillel geleerd, als iemand een bloempot heeft met een gat er in dan is dat al een verbinding met de aarde en genoeg om een prozbul op te stellen. Ook als je alleen maar een stronk van een dadelpalm bezit, is dat al genoeg.

Belang

Op grond van deze discussie krijg je niet de indruk dat hier het belang van de arme, de niet-bezitter, centraal staat, maar wel het belang van degene die geld uitleent. Dat blijkt wel uit het slot van de discussie. Daar lezen we dat als iemand geld heeft geleend en dat terugbetaalt in het zevende jaar, de eigenaar moet zeggen: ik scheld het kwijt. Als degene die schuld heeft daarop reageert met: neem het geld maar, dan mag de eigenaar het nemen. Een rabbijn zegt dan: De schuldeiser mag de schuldenaar dwingen om dat (“neem het maar”) te zeggen.

Er staat in dit traktaat een voorbeeld van een man die in het zevende jaar geleend geld terugbrengt. De eigenaar zegt: ik scheld het kwijt. Degene die geld heeft geleend, neemt het mee en gaat weg. Dat maakt de eigenaar van het geld zeer bedroefd. Ten slotte geeft degene die geld geleend heeft, dit op aanraden van een andere rabbi toch aan de eigenaar terug.

Deze discussie stemt niet vrolijk, omdat het hier niet meer gaat over de context waarin Deuteronomium 15 staat, namelijk het weer vrij maken van mensen die aan de grond dreigen te komen of aan de grond gekomen zijn. Hier hebben we te maken met het formuleren van spitsvondigheden die ons wel erg ver afbrengen van de bedoeling van sabbat- en jubeljaar.

Of de verordening van de prozbul en daarmee het buiten werking stellen van de kracht van de wetgeving van het sabbatjaar, heeft meegewerkt aan de verheffing van de armen is voor mij een grote vraag. Hillel en Jezus zijn ieder op eigen wijze met deze vragen bezig geweest. Hillel koos - op grond van de situatie - ter wille van de armen voor een buiten werking stellen van de wet van de kwijtschelding. Jezus koos voor een radicalisering van de wet van de kwijtschelding. De leerlingen van Hillel en Jezus hebben de taak vandaag na te denken over creatieve wegen om de neerwaartse spiraal van de armoede en het vast raken in onbetaalbare schulden om te buigen. Gerrit Terpstra vraagt zich af of de Raad van Kerken gelijk heeft met het benadrukken van de gerechtigheid zonder te letten op de gevolgen in onze maatschappij.

Wat mij fascineert in Deuteronomium 15 is dat daar staat dat het doen van gerechtigheid, dat is hier de kwijtschelding, leidt tot zegen van de Barmhartige. Wellicht klinkt dit economen als het toppunt van wereldvreemdheid in de oren. Toch vind ik het de moeite waard om naast rabbi Hillel ook de visie van Jezus van Nazareth te horen op de wijze waarop God econoom wil zijn: door een rechtvaardige inrichting van de aarde.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden