Review

QUACKSALVER KACKADORIS HEEFT SEER GOET VERSTANT VAN DE KOUWE PIS

In het voorjaar van 1992 is door de Consumentenbond een onderzoek gehouden waarin mensen werden gevraagd wat zij als 'essentiele zorg' beschouwen. Daaruit bleek dat maar liefst 60,5 procent wenste dat 'alternatieve geneeskunde' zou worden opgenomen in een basisziektekostenverzekering. Waar is de alternatieve geneeskunde, die zo'n twintig jaar geleden nog niet eens bestond, vandaan gekomen? "Een alternatieve geneeskunde bestaat niet, net zomin als er een alternatieve scheikunde bestaat." Een vrouwenarts over 'hedendaagse kwakzalverij'. C. N. M. Renckens is vrouwenarts en voorzitter van de Vereniging tegen de kwakzalverij. Bovenstaande tekst is de bekorte versie van een lezing, gehouden in de Amsterdamse boekhandel Martyrium ter gelegenheid van het verschijnen van Renckens' boek over 'Hedendaagse kwakzalverij', uitg. Prometheus, f 18,90.

Nadat de arts dit aan de ouders had medegedeeld en had voorgesteld antibiotica toe te dienen, verzochten de ouders hem nog even met de behandeling te wachten. Zij spoedden zich naar de telefoon voor overleg met een alternatieve hulpverlener. Na dit gesprek vroegen de ouders de kinderarts of er, voordat de gevreesde antibiotica zou worden toegediend, niet eerst een druppel homeopathisch verdunde Belladonna in de mond van het kind kon worden toegediend. De arts ging hiermee accoord onder de voorwaarde dat dan na een uur beoordeeld zou worden of deze 'therapie' enig effect zou hebben gehad.

De toestand van het kind was na dat uur niet verbeterd, integendeel. De kinderarts drong opnieuw aan op behandeling, maar de ouders hielden, na hernieuwde ruggespraak met de eigen hulpverlener, vast aan hun bezwaren. Het kind was inmiddels zeer kortademig en verkeerde in levensgevaar. De kinderarts zag nog slechts een uitweg: tijdelijke ontzetting van de ouders uit de ouderlijke macht. De officier van justitie ging onmiddellijk accoord. Hij stelde vast dat de alternatieve hulpverlener zich schuldig maakte aan onbevoegde uitoefening der geneeskunst, formeel een strafbaar feit. Althans, nog wel. De Wet op de uitoefening der Geneeskunst heeft zijn langste tijd gehad en zal vervangen worden door de Wet-BIG (Beroepen Individuele Gezondheidszorg). Daarin wordt de uitoefening der geneeskunde tot een vrij beroep verklaard, zodat dit soort kwakzalverij voortaan officieel wordt toegestaan. Onder de toekomstige wet zou een juridische ingreep als deze aanzienlijk gecompliceerder kunnen worden.

Het kind kreeg, onder voortdurend protest van de ouders, zijn behandeling. Naast antibiotica moest zelfs tijdelijk een pijp in de bovenste luchtweg worden ingebracht om verstikking te voorkomen. Daarna knapte het kind snel op en kon, geheel genezen, binnen een week het ziekenhuis verlaten.

Natuurlijk is deze geschiedenis een exces. Ze illustreert echter wel hoe diep in ons land de gedachte heeft postgevat dat er twee soorten geneeskunde zijn: een reguliere en een alternatieve. Deze noodlottige misvatting bestaat inmiddels zo'n vijftien a twintig jaar en heeft sindsdien bijna het karakter van een collectieve waan aangenomen. Ze brengt schade toe aan de gezondheid en de portemonnee van zeer velen.

Want een alternatieve geneeskunde bestaat niet, net zomin als er een alternatieve scheikunde, natuurkunde of biologie bestaat. Geneeskunde die die naam waardig is maakt gebruik van behandelmethoden waarvan het nut aangetoond of althans aannemelijk is. Zij berust op algemeen aanvaarde, controleerbare en toetsbare kennis en hanteert logisch opgebouwde theorieen die niet in strijd zijn met reeds verworven en geaccepteerde kennis.

Kenmerk van deze wetenschappelijke geneeskunde is dat daarin, net zoals in andere wetenschappen, cumulatief vooruitgang wordt geboekt. Het wetenschappelijk forum in de geneeskunde is net zo open, gretig en competitief als in andere sectoren van wetenschap en claims uit alternatieve hoek kunnen daar op gewone wijze mededingen naar erkenning. Kenmerkend voor de 'alternatieve geneeskunde' is dat zij haar waarde nimmer op adequate wijze heeft kunnen aantonen.

In het voorjaar van 1992 is door de Consumentenbond een onderzoek gehouden waarin mensen werden gevraagd wat zij als 'essentiele zorg' beschouwen, die in een basisziektekostenverzekering zou moeten worden opgenomen. De opvattingen van artsen op die zelfde punten waren reeds eerder onderzocht. Zaken als reageerbuisbevruchting, bronbaden en kosmetische chirurgie scoorden zowel bij artsen als bij consumenten laag. Veel waarde werd daarentegen gehecht aan gezinsverzorging, ambulante psychiatrische hulp, medisch-technische hulpmiddelen en orgaantransplantaties. Periodieke gezondheids-'checkups' werden door slechts 7,5 procent van de artsen nuttig geacht, terwijl 38,8 procent van de consumenten daaraan grote waarde hechtte.

Maar nergens liepen de opvattingen van vakman en leek zover uiteen als over alternatieve geneeswijzen. Terwijl 11,1 procent van de artsen - op zich al een verontrustend hoog getal - alternatieve geneeskunde in het basispakket wenste, gold dat voor maar liefst 60,5 procent van de burgers. Hoe heeft deze discrepantie kunnen ontstaan en waar is de alternatieve geneeskunde, die zo'n twintig jaar geleden nog niet eens bestond, vandaan gekomen? Om dat te begrijpen moeten we eerst een blik werpen op de geschiedenis van de kwakzalverij.

Het begrip kwakzalver heeft lang niet altijd een ongunstige klank gehad. Zowel kwakzalvers als officieel opgeleide artsen en barbiers-chirurgijns beschikten maar over bijzonder weinig werkzame behandelwijzen en de verschillen tussen hen berustten veel meer op verschillen in opleiding en bevoegdheidserkenning (de gilden) dan op hun geneeskundige prestaties. De officieel erkende hulpverleners waren voor de meerderheid van de bevolking onbetaalbaar en veel zieken zagen de komst van een reizende kwakzalver dan ook met verlangen tegemoet. Zo is er een zestiende eeuws toneelspel bewaard gebleven waarin een oud, doof vrouwtje weer mooi wil worden. Daartoe roept zij graag de hulp in van de 'quacksalver Mr. Kackadoris', die "seer goet verstant heeft van de kouwe pis en om te schrapen de key, al waarse so groot als een ey" .

Tot het arsenaal der kwakzalvers hoorde destijds het gebruik van geheime wondermiddelen, zalven, en schijnoperaties (het 'keisnijden', dat ook nu nog zijn navolgers heeft in 'psychisch chirurgen' die met blote handen en zonder littekens te maken ziek weefsel uit de patient verwijderen). Tot de methoden van de officiele geneeskunde tot 1800 behoorden aderlatingen, primitieve operaties (steensnede, amputaties, oogoperaties etc.), geneeskrachtige kruiden maar ook geneesmiddelen met mensenvet als bestanddeel (de beul beschikte over grote hoeveelheden van dit populaire middel, zeer tot ongenoegen van de apothekers), primitieve manipulaties (ledenzetters traden op bij de behandeling van fracturen en ontwrichtingen: de voorgangers van de manueeltherapeuten), braak- en laxeerkuren, bronbaden, dieet-adviezen (de voorlopers van wijlen Moerman), bloedzuigers en kunstmatige brandwonden.

Hoewel de kennis van bouw en functie van het menselijk lichaam vanaf de Middeleeuwen zeker voortgang boekte, leidde dat nauwelijks tot de ontwikkeling van effectieve behandelmethoden. De psycholoog P. C. Bugel heeft zelfs eens, met enige overdrijving, gesteld dat de geschiedenis van de geneeskunde voor 1800 beschouwd kan worden als de geschiedenis van het placebo-effect.

Kwakzalvers waren in de eerste helft van de negentiende eeuw nog van het bekende type van de marktschreeuwer, zoals die door talrijke schilders werden vereeuwigd. Hij gaat gekleed in een opvallend kostuum en spreekt zijn gehoor toe vanaf een verhoogde stellage. Hij geeft hoog op van zijn successen en laat omgekochte bedelaars als getuigen optreden. Na hun 'genezing' zeggen ze hem te willen betalen, maar de edelmoedige kwakzalver wijst dit beslist van de hand.

Naast dit klassieke type kwakzalver opereerde er in die tijd een bont gezelschap min of meer ongeschoolden, zoals magnetiseurs, horoscooptrekkers, steensnijders, piskijkers, ledenzetters en oculisten, zevende zonen en breukmeesters. Al deze types konden vaak tegen betaling bij de lokale overheid toestemming krijgen om de geneeskunst uit te oefenen. Met name de gevaarlijker operaties werden door de leden van het chirurgijnsgilde graag aan deze 'collega's' overgelaten. Daarnaast waren er de academisch opgeleiden, zoals de doctores medicinae en doctores farmaceuticae. Ook van hen moet men zich echter geen overdreven voorstellingen maken. Zo kon nog in 1834 in het blad Aesculaap een verhandeling verschijnen 'over den nadeligen invloed van het haarsnijden en baardscheren op de krachten van den geest en op de gezondheid van het lichaam'. De auteur achtte deze mode mede verantwoordelijk voor het geringe aantal genieen in die tijd.

Tussen 1840 en 1870 werd in de geneeskunde de natuurwetenschappelijke denkwijze geintroduceerd, onder invloed van het in opkomst zijnde positivisme. Aanvankelijk vond zij in ons land slechts aanhangers bij jonge en progressieve medici. Nog tientallen jaren zou er bij de benoemingen van hoogleraren aan de medische opleidingen competitie blijven bestaan tussen aanhangers van de traditionele 'natuurfilosofische' denkwijze (met zijn minachting voor het experiment en zijn gehechtheid aan begrippen als 'levenskracht' en 'vitale energie'; een denkwijze die wij nu 'holisme' zouden noemen) en vertegenwoordigers van de natuurwetenschappelijke stroming. Aan het eind van de vorige eeuw werd deze richtingenstrijd definitief in het voordeel van de laatste beslecht.

Jonge, vooruitstrevende medici richtten in 1849 de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering der Geneeskunst (N M G) op. Deze streefde naar uniformering en academisering van de geneeskunde en naar een betere wettelijke regeling van de uitoefening daarvan. Zij vond gehoor bij Thorbecke, die in 1865 zijn Gezondheidswetten door het parlement loodste. Geleidelijk werden daarop de 'klinische scholen' opgeheven en kwam de opleiding tot arts geheel te berusten bij de universiteiten. Ieder die de geneeskunde uitoefende zonder artsenopleiding, was wetsovertreder en strafbaar.

Van begin af aan werd deze wet op grote schaal overtreden. De klassieke kwakzalver-marktschreeuwer verdween weliswaar van het toneel, maar een minder grijpbare vorm van kwakzalverij ontstond. Tussen 1865 en 1940 nam die voornamelijk de vorm aan van de verkoop van geheime medicijnen, de zogenaamde 'patentmiddelen'. Deze handel werd gedreven door zeer grote, vaak internationaal opererende bedrijven, die over aanzienlijk kapitaal en dus invloed op de media beschikten. In 1881 werd de Vereniging tegen de Kwakzalverij opgericht, die slaapsters, strijkers, magnetiseurs, iriscopisten en urinekijkers voor de rechter bracht, en op grote schaal patentmiddelen liet analyseren. De resultaten van die analyses werden gepubliceerd in het Maandblad tegen de Kwakzalverij. In 1931 verscheen een bundeling van die bevindingen in het boekje De Kwakzalversmiddelen. Er staan 882 verschillende middelen in beschreven, gerubriceerd naar indicatiegebied. Zo is er een rubriek 'Damesmiddelen' (om abortus op te wekken), een rubriek 'Middelen tegen geheime Ziekten' (geslachtsziekten), een rubriek haargroeimiddelen en een grote groep 'Middelen tegen ongeveer alle kwalen'.

Na de Tweede Wereldoorlog bestond de kwakzalverij uit activiteiten als gebedsgenezing (bekend is de affaire Greet Hofmans), kruidengeneeskunde (de affaire Van de Moosdijk), de aardstralenmanie (met de verkoop van ontstralingskastjes; zeer beroemd was Mieremet), het magnetiseren (met als onbetwiste coryfee Gerard Croiset) en - zeer aarzelend - artsen die zich met 'onorthodoxe' geneeswijzen gingen bezighouden (de kankerdokters Samuels en Moerman).

De Wet op de uitoefening der geneeskunst is dan nog steeds van kracht en wordt ook letterlijk toegepast. Met de regelmaat van de klok stonden kwakzalvers als Stegeman (het Staphorster Boertje) voor de rechter. De verdediger trachtte dan aannemelijk te maken dat er van echte uitoefening van de geneeskunde geen sprake was geweest of dat de betrokken wetsovertreder uit overmacht had gehandeld. In de jaren zestig veranderden de onbevoegden echter van tactiek en beweerden met toenemend zelfbewustzijn dat wie geneest gelijk heeft. De kwakzalvers brachten als getuige a decharge talrijke tevreden 'patienten' mee, die vaak op pathetische wijze de kwaliteiten van de genezer aanprezen. Rechters zagen steeds vaker af van strafoplegging: het ging hier tenslotte om mensen die de volksgezondheid bevorderden.

Magnetiseurs en natuurgenezers hadden zich inmiddels verenigd in de Nederlandse Werkgroep van Praktiserende genezers (N W P), die in 1958 met een door 34 317 patienten en sympathisanten ondertekend verzoekschrift bij de Tweede Kamer aandrong op directe beeindiging van rechtsvervolging van 'bonafide' en succesvolle magnetiseurs. De kamer reageerde verdeeld en drong aan op nader onderzoek dat door TNO werd uitgevoerd.

De conclusie luidde dat er onvoldoende aanwijzingen waren voor een positief oordeel. Minister Veldkamp liet weten voorlopig geen bevoegdheid aan paranormale genezers te zullen geven, maar toch kwam de regering aan het eind van de jaren vijftig tegemoet aan de wensen van de NWP. Vervolging van paranormale genezers beperkte zich vanaf dat moment tot gevallen van 'merkelijke schade en bedrog'.

Daarna volgden de staatscommissies elkaar op. In 1960 de werkgroep Muntendam, die concludeerde dat betrouwbare en onbetrouwbare paranormale genezers onmogelijk van elkaar onderscheiden kunnen worden. In 1966 de commissie Peters, die in 1972 adviseerde de strafbaarheid van onbevoegden op te heffen, maar erkenning van bevoegdheden voor deze genezers verwierp. Een paar jaar later stelde de commissie De Vreeze voor grenzen te stellen in de medische beroepsuitoefening en aan paranormale genezers een bepaalde mate van bevoegdheid te geven. De regering ging nog niet tot wetswijziging over, maar stelde de Commissie Alternatieve Geneeswijzen in, opnieuw onder voorzitterschap van Muntendam. In haar eindrapport van 1982 pleitte deze voor erkenning van allerlei soorten alternatieve geneeswijzen en voor meer onderzoek en onderwijs daarin. De regering Van Agt legde de aanbevelingen van de commissie echter grotendeels naast zich neer en ook de KNMG was zeer ongelukkig met het rapport.

Ongemerkt had de strijd rond de erkenning en acceptatie van paranormale geneeswijzen zich uitgebreid tot wat inmiddels 'alternatieve geneeswijzen' was gaan heten. Het was in dit circuit ook steeds drukker geworden. In 1969 schatte de sociaal geneeskundige L. F. Bakker deze sector nog op ongeveer 500 genezers, waarvan 350 magnetiseurs. Zo'n 100 000 patienten maakten in dat jaar gebruik van hun diensten, en het aantal patientencontacten bedroeg tegen de 2,5 miljoen. Het aantal artsen dat onorthodoxe geneeswijzen toepaste was nog zeer gering.

Tien jaar later schatten P. van Dijk en C. Aakster (leden van de commissie Muntendam) het aantal 'alternatieve genezers' op 2448. Daarvan zijn er 700 arts. Het aantal patientencontacten met genezers is opgelopen tot 7 miljoen per jaar. In september 1987 publiceert de Nationale Raad voor de Volksgezondheid de Studie Kwantitatieve betekenis Alternatieve Geneeswijzen in de jaren Tachtig. De raad beperkte zijn onderzoek tot de genezers die aangesloten waren bij een organisatie voor alternatieve geneeskunde. In 1986 bedroeg hun aantal 4120 personen, die te zamen maar liefst 1 miljoen Nederlanders behandelden, met 12,5 miljoen patientencontacten per jaar. Deze slachtoffers betaalden daarvoor naar schatting jaarlijks 570 miljoen gulden. Van de 4120 genezers waren er 819 arts, 1648 fysiotherapeut en 1653 onbevoegd in de zin der wet. Het aantal niet-georganiseerde genezers werd door de onderzoeker geschat op ongeveer 5000.

VERVOLG OP PAGINA 16

VERVOLG VAN PAGINA 15

Maar waarom zouden wij ons zo druk maken over dit tragi-komische verschijnsel? Het kan toch weinig kwaad en de mensen zijn zo welvarend dat ze het makkelijk kunnen betalen? Zijn de reguliere artsen soms toch bang voor concurrentie? En dank zij het placebo-effect zullen er in ieder geval af en toe successen bereikt worden; wat kan daar nou tegen zijn?

De financiele schade is voor de Nederlander wel te dragen. In een land waar per jaar een miljard wordt uitgegeven in de prostitutie, een half miljard aan vuurwerk rond de jaarwisseling en naar schatting een kwart miljard aan schoonheidsbehandelingen, is de driekwart miljard voor alternatieve hulpverlening en medicatie makkelijk op te brengen.

Vooral psychologen zijn voorstander van het nastreven van een maximaal placeboeffect in de geneeskunde en vergoelijken daarom soms het toepassen van alternatieve behandelmethoden. Er kan inderdaad soms een krachtig suggestief effect bereikt worden wanneer zowel patient als behandelaar gelooft in de waarde van een onwerkzame therapie. Daarvoor is een onkritische behandelaar echter wel een absolute voorwaarde, met alle nadelige gevolgen voor de patient.

Maar er zijn andere nadelen en risico's. Ik noem er - in navolging van de huisarts C. P. van der Smagt - vier:

Een reeel risico is reeds gebleken hetgeen ik in het begin van mijn verhaal beschreef: een adequate therapie kan gemakkelijk te laat worden ingesteld. Soms gaat kostbare tijd verloren en kan een ziekte in een ongeneeslijk stadium terecht komen. De vrouw die zich met een knobbel in de borst direct onder behandeling stelt van een Moerman-arts, verkeert in levensgevaar. Dat geldt vooral als de Moerman-arts oprecht gelooft in de werking van het onsmakelijke dieet.

Alternatieve geneeswijzen bevorderen medicalisering en somatische fixatie. Medicalisering is het zoeken van medische oplossingen voor niet-medische problemen. Bij somatische fixatie krijgen lichamelijke klachten die door psychosociale problematiek veroorzaakt worden onevenredig grote aandacht, zodat de niet-medische problemen naar de achtergrond worden gedrongen en daarmee onoplosbaar worden.

Deze geneeswijzen bieden mensen met een ernstige ziekte in plaats van begeleiding valse hoop en wekken nogal eens schuldgevoelens op, wanneer de voorgeschreven rituelen en strenge regimes niet nauwgezet worden gevolgd. Een Moerman-dieet houdt mensen bijna de hele dag bezig door de omslachtige bereidingswijze en isoleert de patient vaak onnodig van vrienden en kennissen, die de patient minder snel te eten zullen vragen.

In de alternatieve geneeskunde wordt patienten een absurde voorstelling van de anatomie, fysiologie en therapie voorgehouden. Zo heb ik zelf eens bij een buikoperatie een minder gunstige snede gemaakt, omdat de patient er van overtuigd was dat er anders een meridiaan zou worden doorgesneden.

Van der Smagts conclusie, dat alternatieve geneeswijzen schadelijk zijn voor de volksgezondheid, is dan ook zonder twijfel juist. Het zou voor de volksgezondheid een zegen zijn wanneer de geneeskunde voortaan weer uitsluitend beoefend zou worden door mensen die daarin een universitaire opleiding hebben gevolgd. Alleen al voor de mogelijkheid om een diagnose te stellen - een minimumvoorwaarde voor het instellen van een juiste behandeling is een dergelijke opleiding onontbeerlijk.

Een uniforme beroepsuitoefening door artsen is een onmisbare hoeksteen voor het vertrouwen dat patienten in hun arts moeten kunnen hebben. Artsen met alternatieve opvattingen beweren totaal andere zaken dan zij tijdens hun opleiding hebben geleerd en alleen aan die universitair verworven kennis danken zij hun titel, hun status, hun privileges en het vertrouwen van hun patient. Alternatieve artsen beschamen hun leermeesters, zij schaden de status van het beroep en zouden zo consequent moeten zijn hun artsenbul in te leveren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden