PvdA-lid

In het dorp waar mijn ouders vandaan komen, stierf mijn oom L. Hij was 86 jaar geworden en een neef vertelde me: ,,Hij had er 85 gepland, dus heeft hij een jaar in de wind gezeten'', een observatie die wel ergens op slaat in deze contreien waar volgens mijn moeder vaak 'een domme wind' waaide, dat wil zeggen: een wind die vanuit meerdere richtingen tegelijk op je af komt. Precies de wind waar je als fietser op een polderweg zo'n hekel aan hebt omdat je er niet zeker van bent of je hem op de terugweg mee zult hebben.

In de kerk was het onverwacht druk. Omdat mijn generatie meestal maar één, twee, of geen kinderen heeft, is het maar de vraag hoevelen zich straks naar de plek zullen reppen waar ons heengaan publiekelijk zal worden vastgesteld. Alleen als je jong sterft (maar voor echt jong is het gelukkig al te laat in ons geval) kunnen we op een volle kerk of aula rekenen, omdat je leven dan nog wijd en zijd verstrengeld is met de levens van vele anderen. Maar na de onvermijdelijke atrofie van al deze takken zullen er aan het eind van onze rit weinigen zijn die zich uit onze omarming hoeven los te maken.

Voor de generatie van mijn ouders kunnen we echter nog moeiteloos rekenen op een kindertal dat binnen onze familie schommelt tussen 4 en 15, met een gemiddelde van 7,8 per gezin, zodat elk overlijden, hoe laat ook, nog heel wat deining veroorzaakt onder de achterblijvers.

Als het leven een knoop is die bij de dood wordt losgemaakt, zoals Shakespeare wil, dan zat die van mijn oom wel erg strak, want hij is niet goed gestorven, hoor ik. Na een zoveelste hersenbloeding heeft hij een dag of twaalf liggen zieltogen op de ziekenboeg van een bejaardenoord, tezeer gebroken om nog hoop te koesteren, maar nog niet zo ver heen dat de dood zich zonder probleem over hem kon ontfermen.

Een veel voorkomende patstelling die zich in alle gruwel aan de omstanders meedeelde door zijn vergeefs zoekende blik. Er valt palliatief heel wat te verhelpen aan zo'n toestand, maar dan moet de dokter wel vaak langs komen en meer rondstrooien dan asprientjes en geruststelling. Mijn angst voor de dood verliest het soms van mijn angst voor de nu al verwenste goedwillende, maar halfblinde, professionals die zich tegen die tijd nietsziend en weinig voelend rond mijn bed zullen opstellen om mijn onopgemerkte strijd luister bij te zetten.

Oom was deze zorgen lang voorbij en stond inmiddels voor zijn Rechter waar hij het niet moeilijk zou hebben want hij was een aardige man.

,,Mochten er ginds twijfels over hem rijzen'', sprak een andere neef, ,,dan zijn ze nog niet klaar met me.''

Onze ouders zouden nooit zo met hun vuist naar boven schudden, en om het mijn oom daarginds niet moeilijk te maken, vind ik dat wij dat ook niet moeten doen, want erg ruimhartig lijkt het me daar niet toegaan, en zo'n man zou daar nog last mee kunnen krijgen.

In een van de liederen tijdens de dienst werd wel naar boven gekeken maar met zo'n rare tekst dat ik de indruk kreeg dat iemand hier aan het uitproberen was hoe ver je eigenlijk moet gaan voordat de kudde zich hikkend van de lach of sissend van ergernis afwendt.

'De steppe zal bloeien, de steppe zal lachen en juichen', begon het.

Je ziet het voor je.

'De ballingen keren. Zij keren met blinkende schoven.'

Ik heb liever goudgele schoven. Blinken doet overigens het gepoetste zwaard. En waarom iemand schoven uit ballingschap zou meenemen in plaats van graan? Het lijkt mij een onpraktisch gesjouw. Men blundert in zo'n lied maar wat rond richting graf, op het gerucht afgaand dat daar een of andere lente begint. Het resultaat is volstrekt onsamenhangend gezeik (neem me niet kwalijk) over steppen, bergbeken, rotsen, dorst, tranen, zaaien, schoven, stenen, afgronden, hemel en aarde (alles zal vergaan, maar onze liefde blijft bestaan), de wereld, kortom, gezien 'door twee reebruine ogen'.

Ongelooflijk gestuntel met een warreling aan beelden uit allerlei klimaten, gesitueerd in daar niet bij passende landschappen, waarvan de absurditeit onderstreept wordt door de gevoelens die een en ander zou oproepen: alles tintelt, straalt, blinkt, juicht, lacht en stroomt.

De Psalmist, de dichter van het Hooglied, Achterberg, Oosterhuis, zij heffen vergeefs het hoofd in zo'n tekst, maar worden geheel overwoekerd door Rien Poortvliet en alternatieve veeteelt in blauwgraslanden. Het zal aan mij liggen, maar bij zo'n tekst denk ik: we gaan echt allemaal, volledig en onherroepelijk naar de sodemieter, daar is, na een dergelijke uiting, niets meer tegen in te brengen. Wie dít zingt is zó sterfelijk, daar helpt niks tegen. Het verrassende is dat niemand zich stoort aan de krijsende leegte die eruit spreekt.

Het opmerkelijkste talent in de mens, schreef Larkin, is zijn vaardigheid om de dood van zich af te zetten. Maar goed ook, want wie eenmaal tot het besef van zijn naderende uitdoving is geraakt, zal andere, nabijere rampen nodig hebben om deze op armslengte te houden. Daarom zie je overal mensen vakanties boeken, PvdA-lid worden, serres bouwen.

Een steppe zou ervan in de lach schieten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden