Review

PvdA kent 'instinctmatige afkeer' van christendom

Joh. S. Wijne: De Bergrede en het socialisme. Amrit, Den Haag, 120 blz.

Tot dusver heeft Cuperus met zijn polemisch bedoelde stelling dat de marginalisering van het christendom waarden kan bedreigen die in ieders belang zijn - ook in dat van ongelovigen - in eigen kring geen enkele reactie losgemaakt. Het ligt voor de hand dat uitblijven van reacties in verband te brengen met de gevoelens van afkeer die Vliegen en hij in eigen kring hebben waargenomen.

Maar zo vanzelfsprekend is dat niet. Een geschiedenis van honderd jaar scheidt Vliegen van Cuperus, een periode waarin de sociaal-democratie gaandeweg haar isolement doorbrak en een verbond aanging met andere maatschappij-kritische politieke bewegingen, óók met christenen. Deze 'Doorbraak' vormde in 1946 zelfs het fundament voor de oprichting van de PvdA.

Dat nochtans in eigen kring een reactie op Cuperus' stellingname uitblijft, houdt ongetwijfeld verband met het fenomeen dat de historicus Johan S. Wijne beschrijft in zijn deze week verschenen boek De Bergrede en het socialisme. Hij laat zien hoe de PvdA in de jaren zeventig de religieus socialisten naar de zijlijn drukte. Oefenden zij dankzij de inbreng van hun voorman, Banning, nog aanzienlijke invloed uit op de eerste beginselprogramma's van de PvdA (1947 en 1959), bij de opstelling van het laatste beginselprogram, in 1977, was hun niet meer dan een marginale rol vergund.

Hoewel de PvdA ook zelf dat beginselprogramma al gauw beschouwde als een overleefd document dat het radicalisme van de jaren zeventig tekende, stelt Wijne niettemin dat de gezindheid waaruit het is geschreven nog lange tijd haar sporen in de partij heeft getrokken. Soms tot nu toe. Hij zal een aanwijzing voor de juistheid van die stelling zien in het zwijgen dat in de PvdA is gevolgd op Cuperus' omarming van het christendom.

Persoonlijke wrok Wijne heeft geen objectief boek geschreven. Als representant van de Woodbrookers, de christelijke werkgemeenschap van de sociaal-democraten, is hij in de jaren zeventig slachtoffer geworden van de marginalisering van de religieus socialisten in de PvdA. In het boek klinkt de persoonlijke wrok door die Wijne aan die periode heeft overgehouden.

Het is goed dit in het achterhoofd te houden bij lezing van De Bergrede en het socialisme. De kern van Wijnes betoog is dat de opstellers van het beginselprogramma van 1977 elk verband tussen politiek en levensbeschouwing, dus ook het christendom, ontkenden. Zij braken met deze opstelling met het beginselprogramma van 1959, dat letterlijk stelde: “De partij acht levensbeschouwing en geloofsovertuiging van fundamentele betekenis bij opvoeding en onderwijs.”

Deze formulering tekent de invloed die de religieus-socialisten destijds nog in de PvdA uitoefenden. Zij voelden zich tot de sociaal-democratie aangetrokken als een politieke beweging voor de verwerkelijking van zedelijke beginselen die het christendom sympathiek zijn, zoals gerechtigheid, solidariteit, dienstbaarheid aan de gemeenschap, eerbied voor de menselijke waardigheid.

Dankzij hun opvatting dat het socialisme een politieke beweging is en geen geloof, hebben zij volgens Wijne een belangrijke bijdrage geleverd aan het proces om het socialisme te ontdoen van zijn dogmatische karakter uit de begintijd. Voor de socialisten van het eerste uur was het socialisme een levensovertuiging, een geloof dat andere geloven uitsluit.

Het wezen van de wenteling die de PvdA met het beginselprogramma van 1977 maakte, meent Wijne, is dat zij het socialisme opnieuw, net als in de vorige eeuw, verhief tot een levensbeschouwing die zich niet verdraagt met levensbeschouwingen als het christendom. Wijne: “De Doorbraak, de opening die gemaakt werd naar degenen die wel sociaal bewogen zijn maar daarvoor niet het socialistische geloof willen aanhangen, werd weer gedicht.”

Wijne zoekt hier de verklaring voor de grote weerzin die partijleider Den Uyl tegen het program had. Den Uyl, met Banning de belangrijkste auteur van het beginselprogramma van 1959, wilde niets van het program van '77 weten en hij heeft het dan ook tot zijn dood, in '87, genegeerd.

Volgens Wijne kan het geen toeval zijn dat omstreeks dezelfde tijd, eind jaren zeventig, op instigatie van partijvoorzitter Van den Heuvel de Vereniging voor socialistische opvoeding het licht zag. De oprichting van deze vereniging spruit voort uit de overtuiging dat wie niet uit zichzelf in het socialisme gelooft, daartoe kan worden opgevoed. Hij zal daarna een 'nieuwe mens' zijn, met een hogere morele standaard. Wijne: “Het beginselprogramma van 1977 ziet in het socialisme een hogere beschavingstoestand.” De vereniging, onderdeel van de partijorganisatie van de PvdA, besloot daarom te streven naar socialistische scholen en dito pedagogische academies. Ed van Thijn was een vurig aanhanger van het idee: “Socialistische opvoeding betekent mensen rijper en mondiger maken.”

Wijne meent dat de radicalisering die de PvdA in die tijd doormaakte, niet los kan worden gezien van de dogmatische benadering van het socialisme als geloof. De opstellers van het beginselprogramma ruilden de kerngedachte van het program van '59, vrijheid, gerechtigheid en solidariteit, in voor het veel radicalere motto gelijkheid en solidariteit. Even radicaal was hun streven naar die gelijkheid. Zo gruwden zij van de term 'maatschappelijke opklimming' in het program van 1959: “Wij tekenen protest aan tegen maatschappelijke opklimming als doelstelling. Wie denkt in termen van stijging en daling, aanvaardt het bestaan van maatschappelijke ladders en kan zich niet verzetten tegen het verschil in termen van hoog en laag.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden