Puur en aards

Kouwenaars poëzie stond bekend als kil. Dat klopt niet.

Jaren geleden was ik getuige van een even huiselijke als heftige discussie tussen de dichters Gerrit Kouwenaar en Remco Campert over het succes van Pim Fortuyn. Het liep anders dan je aan de hand van hun poëzie zou kunnen verwachten. De koele en afstandelijke dichter Kouwenaar kon wel enig begrip opbrengen voor de Fortuynisten, Campert, de dichter van de menselijke zwakheden, moest er helemaal niks van hebben.

Het is me altijd bijgebleven als een voorbeeld van verkeerde conclusies omtrent de verhouding werk-persoon.

De gisteren op 91-jarige leeftijd overleden Kouwenaar stond jarenlang in de Nederlandse literatuur te boek als een koude en intellectualistische dichter van autonomistische taalpoëzie, die niet ging over mensen en hun zielstoestanden, niet over de natuur of over het verhevene, maar over taal; het probleem van de taal om werkelijkheid op te roepen of iets over de werkelijkheid te zeggen. Wat we noemen 'immanente' poëzie, poëzie die over zichzelf gaat. Ik vrees dat vooral zijn vele navolgers, zoals Wiel Kusters, Huub Beurskens en misschien ook H.C. ten Berge, met hun uitgesproken opvattingen over poëzie aan dit strenge beeld hebben bijgedragen.

Wie Kouwenaar zelf over zijn poëzie hoorde, kreeg een heel andere indruk, van menselijkheid: zo zou zijn bundel 'Totaal witte kamer' uit 2002, met inderdaad zo'n kale titel, geschreven zijn onder indruk van de dood van zijn vrouw en het feit dat hij zich sindsdien eenzaam voelde. Oftewel: hoe achter abstract ogende verzen toch voortdurend iets menselijks schuilgaat.

Gerrit Kouwenaar behoorde tot de harde kern van de Vijftigers. Hij timmerde als het ware het uithangbord van de groep met zijn bloemlezing uit 1955, 'Vijf 5-tigers'. Op het omslag zag je Lucebert, Campert, Schierbeek, Elburg en Kouwenaar zelf, voorzien van kattensnorren. Dat is toch ook speels.

Van die vijf ontpopte Kouwenaar zich al snel als de meester van het consequente experiment. Hij beschouwde taal niet langer als een vehikel om emoties over te brengen, zoals bijvoorbeeld grote dichters als Nijhoff of Vasalis deden, maar als een instrument, een soort detector om zijn eigen grenzen, die van de taal dus, te onderzoeken.

Wat kan er in taal meer en minder dan in de realiteit? Geen twijfel of zijn kritische houding tegenover de taal hing op dat moment samen met een kritische houding tegenover het manipulatieve karakter van de politieke retoriek, waar hij zich als rechtgeaarde socialist tegen verzette.

"De experimentele kunst wil niet anders zijn dan de kunst van dit moment, de kunst van het mooie, maar vooral lelijke West-Europa, waarin het kapitalisme bezig is zichzelf te vernietigen en het socialisme steeds meer veld wint."

Dat schreef een nog piepjonge Kouwenaar in 1949. Wishful thinking, maar heel wat van zijn vroege gedichten hebben een politiek tintje, zoals het beroemde gedicht 'elba' met de klassiek geworden regel: 'Ik draag een waarschuwing bloedjas.'

Gaandeweg richtte hij zijn vizier steeds meer op het medium zelf, het woord dat nooit samenvalt met het ding dat het betekent. Het woord tafel is niet van hout en je kunt er niet aan zitten; over de onmogelijkheid van emotionele poëzie die iedereen raakt schreef hij ooit: "geen bedachte letters op dit papier / maar ik kan niet ieder oor oproepen / slaan en liefkozen". In de loop der tijden wordt de aanvankelijk nog wel bewogen poëzie van Kouwenaar steeds droger, steeds puurder.

Het is geen toeval dat in het eigen taaluniversum dat Kouwenaar met zijn poëzie opbouwde veel gegeten en geconsumeerd wordt, lezen is bij hem eten; de lezer moet zijn gedichten verorberen.

Kouwenaars meest karakteristieke titel in dit verband kreeg de bundel 'Volledig volmaakte oneetbare perzik' uit 1978, waaruit het volgende gedicht:

Kouwenaars poëzie is met haar geconcentreerde karakter nooit heel makkelijke kost, je zou kunnen zeggen dat deze dichter het tegendeel van behaagziek was. In zijn taalmachientjes roept hij naar hartelust paradoxen en onverwachte (bij)betekenissen op, maar het complexe karakter van zijn werk neemt niet weg dat er voor de liefhebbers toch ook van veel humor valt te genieten.

Juist door het koele, onpersoonlijke jargon in combinatie met bijvoorbeeld die gulzige eet-metaforiek onstaan soms haast komische passages:

Toen in de jaren tachtig het verzet van Maximalen en andere postmodernisten tegen de 'witte', onpersoonlijke Ding-poëzie die volgens de opstandelingen her en der de Nederlandse poëzie lamlegde, toenam, bleef Kouwenaar vrijwel buiten schot. Kennelijk was hij al te groot en onomstotelijk geworden om nog omver gehaald te worden. In de jaren daarna namen zijn status en gezag alleen nog maar toe. Door velen wordt hij beschouwd als onze grootste naoorlogse dichter.

In de marge van zijn dichterschap schreef hij ook enig proza en de eerste grote prijs die hij ontving was de Nijhoffprijs voor zijn vertalingen van toneelstukken van onder anderen Brecht en Dürrenmatt. Hij was ook een van de weinige Vijftigers die essayistische verantwoording voor de experimentele poëzie aflegden. Maar core business bleef toch altijd de poëzie, waarmee hij ook buiten de grenzen van ons taalgebied opzien baarde. Hij kreeg er alle grote literaire prijzen voor, waaronder de P.C. Hooftprijs in 1970, de VSB-prijs 1997 en dit jaar nog werd hem de Prijs voor Meesterschap van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde toegekend.

In zijn abstracte, soms ontheemde gedichten, zocht hij als geen ander de meest aardse aardsheid:

(uit autopsie / anoniem, 1965)

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden