PSYCHOLOGIE

Een walvis met oren? Getuige een gravure van Hendrick Goltzius moet in 1598 zo'n bizar exemplaar bij ons zijn aangespoeld. En heel vreemd, drie jaar later graveert een Italiaan zo'n zelfde gevaarte, dat op de kust bij Ancona belandt: mét oren. Hij voorziet zijn werk zelfs van het kwaliteitsloodje 'exact naar de natuur geportretteerd'. Dat is verdacht: deze graveur is ongetwijfeld bij Goltzius langs geweest om daarna door diens ogen naar het beest bij Ancona te staren.

In de klassieker Art and Illusion van kunsthistoricus Ernst Gombrich trekt een stoet van aandoenlijke figuren voorbij, op schetsen die ooit voor getrouwe kopieën van moeder natuur doorgingen. Een houtsnede uit 1556, met de garantie 'zuiver naar de natuur gesneden', laat sprinkhanen springen zoals Piet Raymakers met Ratina Z. in Barcelona de hindernissen nam, op weg naar het zilver. Het kan erger: bij het zien van Villard de Honnecourts 'natuurgetrouwe leeuw' uit 1235 houdt ook een lekentekenaar het amper droog.

Toch past het overgrote deel van de mensheid hier een bescheiden oordeel: want ook al lieten de ogen van vroegere kunstenaars zich soms bedriegen, die lui konden wel een beetje tekenen. Begint u als klungelaar maar eens aan een hondje of zo. Liever een boom? Minstens negen van de tien schudden hun hoofd als ze het potlood neerleggen en vragen zich na de vruchteloze poging af: 'Waarom kunnen wij niet tekenen wat wij zien?'

Dat is ook de titel van een onderzoek dat recent verscheen in The Journal of Experimental Psychology: Human Perception and Performance. Daarin concluderen de Amerikaanse psychologen Susan Bennett en Dale Cohen dat tekenen ons zo moeilijk af gaat omdat kijken zo'n kunst is. Onze waarneming is vaak nogal belabberd en wordt voortdurend verstoord door valse voorstellingen. Dat komt doordat de hersenen niet op hun gemak afwachten wat de buitenwereld te vertellen heeft, maar onze blik op voorhand inkleuren met allerlei verwachtingen.

En verwachtingen scheppen illusies, schreef Gombrich. Voor wie het niet gelooft: als je uit een stuk groengrijs papier een blad en een ezel knipt en aan proefpersonen vraagt om op een kleurenkaart de met de knipsels overeenkomende kleur aan te geven, dan wijzen ze voor het blad een te groene en voor de ezel een iets te grijze tint aan. Bladeren zijn nu eenmaal groen en ezels grijs.

Kortom, de hersenen nemen bevooroordeeld waar en creëren de wereld voor een deel op eigen houtje. “Het onschuldige oog is een mythe”, wist Gombrich, het krijgt voortdurend suggesties ingefluisterd van boven. Wat gechargeerd zou je kunnen concluderen dat niemand echt goed kan tekenen. Of schilderen: de hele dag was het water van de rivier blauw, tot je je ezel inklapt en je ogen eens echt de kost geeft. Groenbruin!

Dat een vertekende waarneming oorzaak van onze gebrekkige tekenkunst is proberen Bennett en Cohen aan te tonen door alternatieve verklaringen te weerleggen. Is het bijvoorbeeld denkbaar dat de meeste mensen niet over de goede motoriek beschikken? Erg waarschijnlijk is dat niet, onze handen zijn immers lenig genoeg om een brief te schrijven. Brengen we het er dan misschien zo miserabel vanaf doordat we bij het tekenen van een voorwerp als een vaas niet de juiste keuzes maken over welke gedeelten van de vaas wel en welke niet in beeld te brengen? Of, derde mogelijkheid, hebben we onder het tekenen een vuiltje in de ogen, zien we niet dat we de mist in gaan en corrigeren we daardoor te weinig? Anders gezegd, vinden we onze eigen brouwsels ten onrechte vaak treffend genoeg?

In een aantal tekenexperimenten trachtten Bennett en Cohen die voor de hand liggende verklaringen te ondergraven. Allereerst kregen proefpersonen de opdracht om een paar foto's (van een vrouw en van een stroomgenerator) na te tekenen én over te trekken. Beide taken vereisen dezelfde handigheid van de vingers. Geef ons maar overtrekken, bleek.

De twee psychologen rafelden onze onhandigheid bij het tekenen verder uiteen, onder meer met opdrachten om reeds nagetekende of overgetrokken foto's opnieuw na te tekenen of over te trekken. In dat geval hoeft de proefpersoon zelf geen keuzes meer te maken, dat deed de tekenaar vóór hem al.

Slotconclusie: met onze motoriek is doorgaans niets mis, we kiezen vrij eensgezind voor dezelfde wezenlijke aspecten van een tekenobject en beoordelen onze eigen maaksels iets te positief maar toch redelijk objectief. Waarom deed het gros van de mensen er dan een paar weken geleden verstandig aan om de koetekendagen in Finsterwolde aan zich voorbij te laten gaan? Als de drie verklaringen hierboven niet opgaan, moet de conclusie luiden: als tekenaar zijn we stumpers doordat onze waarneming faalt. Aldus Bennett en Cohen.

Kijken is een kunst, die je moet leren. Dat tekenaar, schilder en publiek daarbij collectief kunnen dwalen blijkt uit het voorbeeld van Ernst Gombrich in een ander boek, The Story of Art: pas toen de fotografie werd uitgevonden en er momentopnames van galopperende paarden werden gemaakt, bemerkten we dat geen schilder ooit een Henri Buitenzorg in volle vaart goed had getroffen. Paarden komen echt niet vooruit als ze tegelijkertijd beide voorpoten naar voren en achterpoten naar achteren slaan. Maar zo renden ze sinds eeuwen in schilders ogen.

Een onschuldige zinsbegoocheling natuurlijk, maar dat kijken een kunst is ondervonden sommige mensen op dramatische wijze. In Een antropoloog op Mars beschrijft de neuroloog Oliver Sacks de beangstigende ervaringen van Virgil, die 45 jaar blind was, maar na een operatie kon zien. Zien? “Zijn netvlies en gezichtszenuw werkten, gaven impulsen door, maar zijn hersenen wisten er geen raad mee.” Hij leed aan een 'mentale blindheid', schrijft Sacks.

Het kan enorm wreed blijken om na 45 jaar de blinddoek te verwijderen. Je stuurt mensen een wereld in waarin ze noch ziende noch blinde zijn. “Telkens als we 's morgens onze ogen openen, kijken we naar een wereld die we een leven lang hebben leren zien. We krijgen de wereld niet; we maken onze wereld door onophoudelijk ervaren, classificeren, herinneren, nieuwe verbanden leggen.”

Neuropsycholoog Richard Gregory beschrijft een patiënt die op zijn vijftigste een hoornvliestransplantatie ondergaat en na het verwijderen van het verband pas reageert als hij de stem van de chirurg hoort. “Het leek of hij dacht dat hij niet had geweten dat het een gezicht was als hij niet eerst de stem had gehoord en geweten had dat stemmen van gezichten kwamen.”

Ook na dagen en weken wil de zichtbare wereld maar niet wennen. Virgil kon opschrikken als een vogel op meters afstand van hem neerstreek. In de supermarkt, met al die schappen, vruchten, blikjes, mensen, gangpaden en winkelwagentjes, “liep alles door elkaar heen”.

Diepte in de waarneming blijft lang een groot geheim voor een blinde ziende, die schoorvoetend de ruimte ontdekt. Zo kon Virgil trappen niet zien “als massieve objecten die in de driedimensionale ruimte naar boven of naar beneden gingen”. Hij zag slechts een plat vlak van evenwijdige en kruisende lijnen.”

Zo vergaat het mensen die gewend zijn alles op de tast en louter in de tijd te ordenen. Een blinde schreef eens: “Ruimte is beperkt tot het eigen lichaam. Voor blinden zijn mensen er niet tenzij ze spreken. Mensen zijn in beweging, ze zijn tijdelijk, ze komen uit het niets en ze verdwijnen.”

Ga dan maar ineens kijken. Het blijkt een kunst waar van alles mee kan misgaan, getuige onze tekenvaardigheid. Dat is niet verwonderlijk als je de prachtige voorbeelden van Gombrich leest van wat waarnemingsconstantie wordt genoemd: het vermogen om vanuit verschillende perspectieven en variërende lichtval toch de dingen om ons heen naar juiste grootte, kleur of vorm waar te nemen. Een brok steenkool kan, goed beschenen, als een wuivende, witte zakdoek in de wind wapperen, een witte tissue duikt onder donkere omstandigheden tot een dof stuk steenkool ineen. Maar onze hersenen weten het, ze nemen de zaken waar in relatie tot elkaar en schijnen zelf de zwarte zakdoek zo bij dat hij in een omgeving met alleen maar donkerschakeringen weer wit kleurt.

Dat is te veel gevraagd van de hersenen van een mens die op zijn vijftigste met zien moet beginnen. Oog in oog met een gorilla in de dierentuin leek Virgil in het niets te staren. Zijn tastzin moest hem helpen, want nadat hij ter plaatse het standbeeld van een gorilla rondom had bevoeld kwam de echte gorilla pas voor zijn ogen tot leven. Hij zag door bemiddeling van de tast, keek in wezen dus met zijn handen: dat begrijpen mensen met de vanzelfsprekendheid van zes zintuigen niet meer. - Vervolg op pagina 16

Niemand kan... VERVOLG VAN PAGINA 15

Zien is kennelijk zo'n opgave dat “je als blinde moet sterven om te worden herboren als ziende”, schrijft Sacks. Hoe moeilijk bleek dat voor de man die na het verwijderen van het verband een stem nodig had om iets van zijn chirurg te ontwaren: de wereld die voor hem open ging verkeerde in een enorme teleurstelling, en amper twee jaar na de operatie overleed hij na diepe depressies als een wanhopig ziende blinde. Van geschenk tot vloek, moest ook Oliver Sacks met Virgil ervaren, die uit lijfsbehoud maar liever weer blind werd.

Wat is er dan zo moeilijk aan zien? Natuurlijk, er zijn een paar van die optische illusies waar we allemaal door worden begoocheld. Zoals de beroemde Zöllner-figuur (zie vorige pagina) bijvoorbeeld: het zijn ten opzichte van elkaar ogenschijnlijk scheve maar in werkelijkheid evenwijdige lijnen. We tuinen er allemaal in. Net zoals in de drie mannetjes, van dwerg tot ferme gestalte, die in werkelijkheid (leg er maar een lineaal langs) alledrie even groot zijn. Het is duidelijk, hier sleutelen de hersenen aan onze waarneming.

En dat doen ze ook in de schouwburg, waar de meneer direct naast ons van ons formaat lijkt maar de lilliputters zestig meter schuin onder ons. . . nee, zeggen de hersenen, gewone mensen hoor. Die correctie ontgaat ons volledig, maar valt wel op als we een prachtige grootbeeld opname willen maken van een immens gebergte voor ons. Hoe imposant ook, er rest zo'n jammerlijke molshoop op dat plaatje, teruggekregen van de ontwikkelaar.

Bedenk dat op de gevoelige plaat hetzelfde beeld viel als op het netvlies. De hersenen maakten er die kolos van, zij kennen de verhoudingen. Zij zorgen ervoor dat we onszelf in het kleinste zakspiegeltje nog herkennen aan dat 'grote' hoofd.

Voor een onbevangen 'vrije blik' krijgen onze ogen gewoon de ruimte niet. Als we door een kijkgaatje zicht hebben op heel grote of piepkleine speelkaarten, dan taxeren de hersenen de reuzekaarten veel te dichtbij en de minikaarten veel te ver weg. Ze weten hoe groot speelkaarten zijn.

En zo legt onze bovenkamer de ogen voortdurend haar verwachtingen op, in grootte, vorm en kleur. Het zijn verwachtingen die in de eerste levensjaren onbewust zijn gevormd, legde neuropsycholoog Richard Gregory dertig jaar geleden al uit in Eye and Brain. Daarbij kan het uitmaken waar je woont. Mensen die hun leven lang op open plaatsen in dichte wouden woonden, zien als ze in onze wereld komen grote gebouwen die op flinke afstand staan als kleine bouwsels, maar dan dichtbij.

In hun open landschap hebben westerlingen in horizontale richting geen moeite om afstand en daarmee grootte te schatten. We doen de hele dag niet anders. Maar vanuit een heel hoog gelegen raam zien we voorwerpen op straat te klein: in verticale richting oefenden onze hersenen te weinig. Het schijnt dat mensen in hoogwerkers de poppetjes en auto's op straat op den duur wel in de juiste proporties zien. Hun hersenen weten dan kennelijk ook hoe het met het perspectief van boven naar beneden zit, corrigeren en sturen vervolgens op voorhand de waarneming.

Vegen

Zo rennen de hersenen voortdurend vooruit. Dat doen ze bijvoorbeeld ook als we een schilderij van een bosachtig landschap bestuderen. Als de voorste bomen sprekend zijn weergegeven, kan de schilder voor de achterste volstaan met wat vegen. Gombrich spreekt van het etcetera-principe, de hersenen geloven het verder wel en maken daarmee een oude Chinese wijsheid waar: “Verre mensen hebben geen ogen, verre bomen geen takken.” Strikt genomen kijken we dan dus niet goed.

In die permanente interventie van de hersenen, die hun verwachtingen pas bijstellen als we de ogen nog eens goed de kost geven, zien de psychologen Bennett en Cohen de oorzaak van het falen bij het tekenen. Bij de meeste mensen krijgen de ogen nauwelijks kans om de suggesties van boven te corrigeren. Schilders en tekenaars doen dat volgens Gombrich door uit te gaan van vaste patronen van voorwerpen of objecten - schemata of 'het vocabulair van de kunstenaar' - en die met ogen en handen moeizaam aan te passen aan wat ze voor zich (denken te) zien.

Om goed te tekenen zouden we ons dus eigenlijk moeten kunnen bevrijden uit onze neurale boeien, maar zonder die hulp kunnen we niet zien, getuige de geschiedenis van Virgil. Een enkel wondermens wel, zou Oliver Sacks opmerken, maar die gave is voorbehouden aan mensen bij wie het tekentalent in volkomen en droevige afzondering in de hersenen lijkt te huizen. Bij sommige zeer begaafde autisten, de savants.

Zij slaan het stadium van harkpoppetjes en kikkervisjes tekenen over en geven op zeer jeudige leeftijd al de moeilijkste gebouwen en landschappen gedetailleerd weer, “op een manier die getuigt van een volstrekt andere waarneming en andere geest”.

Eigenlijk zou een tekenaar ook zo moeten zijn en als hij erop uittrekt al zijn symbolen, betekenissen en beelden thuis moeten laten, vond Monet. “Probeer te vergeten wat voor objecten u tegenover u hebt: een boom, een huis, of wat dan ook. Denk alleen: hier is een vleugje blauw, daar een langwerpig stuk roze.” Misschien, schrijft Oliver Sacks, hoeven savants zulke concepten helemaal niet op te geven, omdat ze die helemaal nooit hebben gevormd.”

Maar de prijs voor die “heerlijk directe, niet-geconceptualiseerde kijk op de wereld” is erg hoog, beseft Sacks. Savant-talenten, reken-, teken-, of muziektalenten, lijken volkomen autonoom binnen een persoon die zich verder nauwelijks als persoon laat kennen. Nee, dan toch liever gevangene van de geest en maar niet voor die koeien naar Finsterwolde.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden