Psychiatrie en religie / Moeizame buren in één brein

Godsdienst en waanzin - een moeizame relatie tussen buren? Anderhalve eeuw geleden beschreef John Perceval zijn waanbelevingen en gestichtservaringen. De psychose is een manifestatie van de Almachtige in het menselijk brein dat ontregeld is geraakt door onze verdorvenheid. Bij wijze van voorpublicatie van een curieus dossier.

Op maandag 11 mei 1812 werd de Britse premier Spencer Perceval door twee pistoolschoten in het Lagerhuis vermoord door de failliete effectenmakelaar John Bellingham. Een paar dagen later werd Bellingham opgehangen en keurde het Lagerhuis een besluit goed om aan Spencers echtgenote en hun twaalf kinderen een schadeloosstelling van vijftigduizend pond toe te kennen.

Percevals zoon John, toen negen jaar, kreeg op zijn 27ste visioenen en gehoorshallucinaties. Johns oudste broer Spencer liet hem opnemen in de duurste Britse gestichten: Brislington House en Ticehurst. Na zijn herstel noteerde Perceval zijn belevingen in zijn tweedelige A Narrative of the Treatment Experienced by a Gentleman, During a State of Mental Derangement; Designed to Explain the Causes and the Nature of Insanity, and to Expose the Injudicious Conduct Persued Towards Many Unfortunate Sufferers Under that Calamity (1840).

Nu bestaan er wel meer geschriften van ex-patiënten die hun gal spuwen over de misstanden in de psychiatrie, maar dat van Perceval steekt daar met kop en schouders bovenuit. Het is een van de fascinerendste teksten in de geschiedenis van de psychiatrie. Perceval spit in zijn ziel op zoek naar een verklaring voor het ontstaan én het herstel van zijn psychose. Weinig mensen hebben nog nooit een psychotische ervaring gehad, schrijft Perceval. Fantasie is geneigd in inktvlekken of wolkenformaties voorwerpen of gestalten te herkennen die in wezen denkbeeldig zijn. Hallucinaties liggen in het verlengde ervan. De vervormingen ontstaan geleidelijk vanuit de kinderjaren, op grond van een angstig en somber gemoed, aldus Perceval. Precies zo stellen moderne psychiatrische epidemiologen zich het ontstaan van psychosen voor.

Het boeiendst is hoe Perceval de aanzwellende werking van zijn psychose en de vervlechting met zijn bevindelijke geloof beschrijft. De vraag of God of de dokter hem beter heeft gemaakt, laat hij letterlijk in het midden: hij accepteert maar de helft van zijn medicijnen. Achteraf denkt Perceval dat hij zijn genezing te danken heeft aan zijn moeder die zijn arts, dr. Edward Long Fox, verzocht om haar zoon in de gestichtstuin te laten werken. Dit werk deed hem goed, maar ook dan lieten zijn stemmen hem nog niet met rust. Ze stuurden hem telkens de andere kant op, zodat hij zijn hakmes en spade ten slotte neergooide en zich beperkte tot takken rapen, struiken snoeien en de kruiwagen rondrijden.

John was de vijfde zoon uit het gezin. Twee jaar na de dood van zijn vader hertrouwde zijn moeder. Na een verder weinig opvallende jeugd diende hij als officier in het leger. Hij werd uitgezonden naar Portugal, maar was nooit bij gevechtshandelingen betrokken. Gedurende zijn hele militaire loopbaan worstelde Percival met geloofskwesties. Net als zijn vader, die altijd rabiaat antikatholiek en bezeten was geweest van de profetische schrijvers, raakte John in de ban van extreem evangelische ideeën. Begin 1830 nam hij ontslag als officier om in Oxford te gaan studeren. Datzelfde jaar vertrok hij evenwel impulsief naar Schotland, om met eigen ogen de Wonderen van Row, bij Glasgow, te aanschouwen. Rond die wonderen ontstond de groepering der Irvingites, een pinksterbeweging van boeren, die onder directe leiding van de Heilige Geest, in tongen spraken. Perceval twijfelde aan de authenticiteit van hun belevingen, maar hoopte vurig dat ze echt waren. Alleen dan bestond de mogelijkheid dat hij bekeerd werd en de absolute zekerheid kreeg van zijn redding, wat hem tot nu toe niet vergund was geweest.

Perceval was aanvankelijk sceptisch en vermoedde zelfs bedrog, maar het duurde niet lang of ook hij sprak wartaal. Geloofsgenoten, die toch het nodige gewend waren, vonden zijn gedrag bizar. Verbijsterd vertrok Perceval naar vrienden in Dublin, waar zijn knagende twijfel over de echtheid van zijn hogere contact uitmondde in een kakofonie van tegenstrijdige stemmen, een innerlijk kruisverhoor. Daar bezocht hij een prostituee, van wie hij geslachtsziekte dacht te hebben opgelopen. Hij genas snel, wat hij toeschreef aan de medische behandeling én de reddende hand van God. Een paar dagen later ontspoorde hij totaal. Medio december 1830 kwam zijn oudste broer Spencer hem ophalen en liet hem opnemen in Brislington House, het rijkeluisgesticht van dr. Edward Long Fox, bij Bristol. In mei 1832 werd Perceval overgeplaatst naar Ticehurst in Sussex, waar dr. Charles Newington de scepter zwaaide. Begin 1834 mocht hij met ontslag, trouwde nog datzelfde jaar met Anna Gardner, die hem vier dochters schonk. In 1835 schreef hij in Parijs het eerste deel van zijn boek, in 1840 volgde deel twee.

Perceval bleef nadien actief in de Vereniging van Vrienden van Krankzinnigen, een pressiegroep die opkwam voor de belangen van mensen die ten onrechte waren opgesloten. Ook schreef hij brieven in The Times over de krankzinnigenwetgeving. Vreemd genoeg is weinig bekend over de resterende 42 jaar van zijn leven. Uit de geschillen die rezen tussen hem en de andere leden van de vereniging - die meestal ontstonden door zijn religieus fanatisme - blijkt dat Perceval een moeilijk mens is gebleven, maar psychotisch is hij nooit meer geweest.

Percevals belangrijkste inzicht was dat de patiënt door de arts en degenen die hem het naast stonden echt diende te worden begrepen. Woorden van de patiënt mochten niet worden afgedaan als gezwatel van een gestoorde geest, en afwijkend gedrag mocht niet worden gestraft door boeien of koudwaterbaden. Zelf meende hij dat zijn ziekte ontsproot aan een verkeerde manier van denken, die voor hem als een tweede natuur was geworden. ,,Ik was bang aan iets te twijfelen; twijfel was een ondraaglijke last en ik deed alles die van mij af te schudden.'' Pas toen hij de stemmen en de boodschappen in zijn visioenen in twijfel durfde trekken, kon hij zijn psychose achter zich laten.

Een andere lijn in Percevals verhaal is de gedachte dat een psychose een straf is van God - 'de wrake Gods' - zoals geschreven staat (Deuteronomium 28 vers 28): ,,De Here zal u slaan met waanzin, verblinding en verstandsverbijstering, zodat gij op de middag rondtast, als een blinde in de duisternis''. Over het begin van zijn psychose schrijft hij: ,,Op straffe van de vreselijkste martelingen moest ik bekennen dat ik de toorn van de Heilige Geest had gewekt en mij aan zeer grove ondankbaarheid schuldig had gemaakt. Maar telkens als ik probeerde te spreken werd mij scherp en minachtend de mond gesnoerd.''

In Percevals relaas zit ook liefde verstopt. In de persoon van zijn overleden vader. Het kost moeite hier niet even aan Freud te denken. Freud zag geloof als een kinderlijk zoeken naar troost door de vader. De ontroerendste passage uit Parcevals waanzinnige zoektocht begint zo: ,,Op een nacht hoorde ik een geluid dat leek op de klank van een trekorgel, dat om mij heen draaide. Het speelde een melodie die mij grote angst aanjoeg en mij onverklaarbaar herinnerde aan alle liefde en goedheid van mijn vader, die nu in de hemel was. De klanken voerden mij in de geest terug naar Portugal, een dag waarop ik met drie andere officiers te paard door Alhandra was gereden, op weg naar de frontlinie. Ik meende me te herinneren dat ik op diezelfde dag in de straten van Alhandra een bedel knaap op een orgeltje had horen spelen.''

Bij volgende psychotische associaties van Perceval dringt de ideeënwereld van Freud zich nóg sterker op: ,,Een tweede voorstelling zag ik voor me, uit een andere tijd, waarin ik zelf als bedeljongen door Alhandra had gezworven. Een geestelijke had zich over mij ontfermd. Hij had mij gekleed, onderricht gegeven en als dienaar aangesteld in zijn kerk. Door mijn beschermer leerde ik de abt van een klooster kennen en ook hij, een eerbiedwaardige oude man, trok zich mijn lot aan. Ik beloonde hem voor zijn goede zorgen door met een paar straatvriendjes de kloosterkapel binnen te dringen en een gouden reliekhouder te stelen. Voor het verlies van dat voorwerp werd de oude abt door de Inquisitie tot de brandstapel veroordeeld. Ik was te verdorven om mijn wandaad alsnog te bekennen en hem zo van de dood te redden. Ik ging terug naar huis en verschafte mij een paar dagen later toegang tot de sacristie, waar ik de geestelijke aantrof. Ik vermoordde hem en stal zijn geld en ambtsgewaden. Nadat ik die had verkocht, vluchtte ik naar Sintra. Ik sloot mij aan bij de monniken van Alcobaça en toonde een tijd lang berouw. Maar zij brachten mij naar hun klooster, waar ik samen met een andere jongen het willige werktuig werd van hun tegennatuurlijke lust.''

,,Tijdens mijn verblijf daar ging ik vaak naar Sintra, waar ik een boer hielp bij het slachten van een varken. Uit wreedheid gooide ik het levend in een kuip met kokend water, nadat ik zijn bek met een stuk linnen had dichtgeknoopt om zijn gegil te smoren.''

,,Dit vreemde relaas gewerd me met een verbeeldingskracht die niet onderdeed voor wanen die zelfs Pythagoras zouden hebben overtuigd. Aanvankelijk was alles nog in een onduidelijk waas gehuld, maar door de orgelmelodie werden de beelden van mijn herinnering langzaam scherper. Ik zag hoe ik door Alhandra reed. Ik zag aan mijn rechterhand de kerk en ik zag een jongen met hurdy-gurdy. Ik herkende in de stad mijn geboorteplaats en voelde een groot berouw. Een stem zong, begeleid door muziek:

Het uur en de dag herinner ik me niet

Maar ik herinner me de dag en het uur

Dat ik een kleine jongen was.''

De overleden vader overschaduwt de kleine John van vroeger. Afgeweerde castratieangst, vadermoord en herenliefde buitelen over elkaar heen. De psychoanalyticus kan achterover leunen. Toen Perceval werd opgenomen in Brislington House, dacht hij dat dit de woning was van de vriend van zijn vader. Maar uiteindelijk rees bij hem het inzicht dat zijn moeders wens hem in de tuin te laten werken tot zijn genezing had geleid.

Perceval geloofde dat zijn psychose én zijn herstel Gods werk waren. Dat ging niet zonder innerlijke strijd, blijkt overduidelijk uit Percevals relaas. Het was waanzin op het scherpst van de snede, zoals King Lear, in opperste ellende en berooid, het uitschreeuwt tegen zijn nar: ,,O fool, I shall go mad''. Perceval, overmand door een wanhoopsgevoel van nietigheid en waardeloosheid, gaf tenslotte lucht aan een stem diep van binnen: ,,Lord! take me as I am.''

Perceval zag zichzelf als 'de verloren hoop van een edele familie, geruïneerd, verloren, te niet gedaan', maar uiteindelijk ook werkelijk als 'de verloste van de Heer'. 'A Narrative' is een hoopvolle tekst van een man die tot zijn dood op zijn 73ste nooit meer psychotisch was.

'Het dossier John Thomas Perceval', serie schizofrenie-dossiers IV, verschijnt in september bij Candide/Wrede Veldt te Amsterdam (nawoord Hans van der Ploeg; vertaling Hans Vlaanderen). Eerdere dossiers: D.P. Schreber, V. Nijinsky en Fr. Hölderlin.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden