Tien Geboden

Psychiater Dirk De Wachter: Het dragen van verdriet kan ook vervullend zijn

Dirk De Wachter Beeld Mark Kohn

Dirk De Wachter (Wilrijk, België, 1960) is psychiater en hoogleraar. Sinds het verschijnen van zijn boek ‘Borderline Times – het einde van de normaliteit’ in 2011, wordt hem in de media geregeld om deskundig commentaar gevraagd. In maart verschijnt zijn boek ‘De kunst van het ongelukkig zijn’.

I Gij zult de Here uw God aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

“‘Die gaat naar Rome’, zei mijn heeroom. Hij was, net als de twee broers van mijn moeder (nonkel pastoor en nonkel missionaris) priester. Een man van 120 kilo, een soort pater familias die op feesten en partijen de belangrijkste plek ­innam. Ik was het oudste kleinkind, slim op school; hij zag voor mij wel een mooie carrière in de kerk ­weggelegd. Mijn moeder dacht daar heel anders over. Ze was een gelovige vrouw, maar vond het zonde dat haar twee hyper-­begaafde broers voor de wereld verloren waren gegaan. Zonder het expliciet uit te spreken, gaf ze mij de boodschap mee toch nooit voor het priesterschap te kiezen. Ik had daar ook geen belangstelling voor, ik ben zelfs geen misdienaar geweest. Toen ik tijdens alweer zo’n groot familiefeest mijn verloofde presenteerde, keek heeroom mij eerst wat misprijzend aan en zei toen, met een gedragen stem: ‘Wat zijn moet, moet zijn’.

“Ik ben uiteindelijk een christelijke non-theïst geworden. Een non-theïst, omdat ik geen atheïst wil zijn. Een atheïst is in feite een anti-theïst en ik heb niet de behoefte om ergens streng tegen te zijn. Ik ben loyaal aan mijn beworteling, heb nooit willen rebelleren tegen het katholieke gedachtengoed, al heb ik in de loop der jaren wel een soort Spinozaans-Levinasiaans godsbeeld ontwikkeld. Spinoza plaatste, om het eenvoudig te zeggen, het goddelijke in de kosmos, in de natuur, in het grote, onbegrijpelijke. We denken alles te ­weten en te kunnen beheersen, maar in feite zijn we nietige wezens die van erg veel dingen nog maar bijzonder weinig snappen. En Levinas stelde dat we God kunnen zien in de ogen van de hulpvragende, unieke ander. Het is de kleine goedheid, la petite bonté, van de nederige mens die in het besef van de eindigheid zijn hoogmoed achter zich heeft gelaten. Het goddelijke manifesteert zich in de medemenselijkheid, in de zorg voor elkaar. Dat is voor mij de kern van de zaak.”

II Gij zult de naam van de Heer uw God niet zonder eerbied gebruiken

“Dit gebod had niet alleen betrekking op het ijdel gebruik van Gods naam; ik heb meegekregen sowieso nooit zomaar iets te roepen, altijd bescheiden te blijven. Mijn vaders adagium was: pour vivre heureux, vivons cachés! (Als je ­gelukkig wilt leven, moet je verborgen leven) Dat is een regel die ik elke dag – nu ook weer, met u – met voeten treed. Ik ben geen verborgen mens. Sinds het verschijnen van ‘Borderline Times’ (uitgeverij Terra - Lannoo, mei 2011, AV) sta ik voortdurend in de publieke belangstelling, maar ik probeer nochtans om in die openbaarheid nooit grootsprakerig of hooghartig over te komen.”

III Gij zult de dag des Heren heiligen

“Ik ben een sponzig mens. Juist daarom is het voor mij ook zo belangrijk om tot rust te komen, om mijn gedachten te laten voor wat ze zijn en er niet voortdurend door overrompeld te worden. Ik maak tijd vrij door geen televisie te kijken en niet aan sport te doen. Zie daar mijn twee geheime wapens.”

IV Eer uw vader en uw moeder

“Ik heb het grote geluk gehad om op te groeien in een ongelooflijk warm, liefhebbend milieu waar ik graag gezien ben, door mijn ouders, zeker en vast, maar ook door de twee broers van mijn moeder, die ons huis, hun ouderlijk huis, als een thuisbasis gebruikten en mijn broer en mij ook een beetje als hun eigen kinderen beschouwden. Ook het huwelijk van mijn vaders zus was kinderloos gebleven, dus wij waren ... enfin, geen prinsen, als ik dat toegeef, gaat u misschien denken dat we verwend zijn grootgebracht terwijl de ­opvoeding volgens mijn moeder juist streng en rechtvaardig is geweest.

“Streng in de jaren zestig. Dat is: op tijd thuiskomen, schoenen uitdoen voor ge de woonkamer betreedt, op tijd naar bed, uw bord leegeten, goed uw best doen op school. Verzet was onnodig. Het zou, bij zoveel liefdevolheid, ook bijna disloyaal zijn geweest. De grootste daad van rebellie was dat ik mijn haar lang ging dragen, terwijl mijn vader altijd keurig gekapt, nooit zonder pak en das het huis verliet. Dat huis van ons, dat was wat jongen, een soort centrum van de wereld, afgeladen vol met spullen die mijn nonkel uit de Congo had meegebracht ... Mijn vader was de laatste bewoner. Hij is nu twee jaar dood en woonde de twee jaar dáárvoor al in een rust- en verzorgingstehuis.

“Mijn broer en ik gaan af en toe ­terug om de boel nu eindelijk een keer leeg te ruimen. Laatst zeiden we nog ­tegen elkaar: ‘Dit keer gaan we echt alles wegsmijten’, maar na een kwartier zat een van ons alweer naar een of ander prul te staren om vervolgens uit te roepen: ‘Ah! Nonkel Jean!’ Of: ‘Kent ge dit nog? Was dat niet van tante Odille?’

“Het is moeilijk om afscheid te nemen, da’s waar, maar het helpt natuurlijk ook dat zowel mijn broer als ik een goed leven leiden en het geld niet ­onmiddellijk nodig hebben. Die laatste jaren van mijn vader waren zwaar voor hem. Na mijn moeders dood, nu tien jaar geleden, bleef hij geamputeerd achter. Zij voerde het beleid. En hij – een lieve, bescheiden, stille man – vond het goed. Toen ze er niet meer was, begon hij met het herlezen van zijn dagboeken om het leven mét haar zo goed en precies mogelijk na te doen. Hij bekeek elke dag opnieuw de fotoalbums om ­terug te zien wat ze samen allemaal hadden meegemaakt. Hij was eenzaam, begon te sukkelen met zijn gezondheid terwijl zijn hoofd goed bleef en hij als fysiotherapeut (een halve arts, tenslotte) precies wist wat er gaande was. Mijn broer woonde, woont nog altijd, in hetzelfde dorp en ging dagelijks bij hem langs. Ik probeerde mijn vader minstens een keer per week te bezoeken. Ik ging er met bezwaard gemoed naartoe en voelde me nóg ellendiger als ik weer vertrok. Tijdens zijn laatste jaren, bij de kloosterzusters in het tehuis, kreeg mijn vader ook nog eens een ernstige niertumor. Er was op ’t eind haast niets meer van hem over; een klein hoopje ellende.

“Zijn dood was voor mijn broer en mij een opluchting. We waren blij, voor hem. Met mijn moeder was dat heel anders verlopen. Ze had al jaren leukemie, maar is uiteindelijk aan een andere kankersoort overleden. Toen de doktoren zeiden dat er niets meer aan te doen was, hebben mijn broer en ik een ziekenhuisbed gehuurd en thuiszorg geregeld. Een dag erna vertrok ik naar Rome waar ik jaarlijks een workshop over gezinstherapie verzorg. De avond van die eerste dag – ik had net gesproken over hechting en good mothering – belde mijn broer: ‘Mama is overleden’. Ik was ontdaan, had een zeer nauwe band met mijn moeder, maar de gedachte dat haar – een fiere, flinke vrouw, altijd keurig gekleed – die laatste maanden van aftakeling bespaard zijn gebleven heeft me toch gesteund. Het is misschien raar om te zeggen, maar ze heeft het goed gedaan. Ze is op tijd doodgegaan.”

V Gij zult niet doden

“Arts zijn is soms ook voor God spelen. Tijdens mijn neurologische opleiding moest ik bij mensen met ernstige spierziekten vaak de verdoving verhogen om het stikken in hun eigen ademhaling te stoppen. Als psychiater heb ik weleens te maken met patiënten die aangeven niet langer te willen leven. Ik zal niet rap een verwijzing schrijven, maar ik wil hun wensen zeker serieus nemen. In het ziekenhuis (het Universitair Psychiatrisch Centrum te Kortenberg, AV) ben ik voorzitter van het ethisch comité, dat is de plek waar alle vragen over euthanasie passeren. Ik ben vaak de ‘derde arts’ die nodig is om een aanvraag te honoreren. Dat is een zware beslissing, zeker, maar ik wil er niet voor weglopen. Ik zie het als een voorrecht om zo diep, zo dicht, zo wezenlijk bij een ander mens te komen; om tijdens die meest beklemmende gedachten zo nabij te kunnen zijn.

“Als arts word je nu eenmaal geconfronteerd met bijna onmogelijke vragen. Wie niet wil helpen zoeken naar een antwoord, doet er beter aan een ­ander vak te kiezen.”

VI Gij zult geen onkuisheid doen

“Wat is onkuis? Daar begint het al hè? Over seksualiteit werd niet gesproken. Thuis niet, op school niet, nergens niet. Ik heb het gevoel – en ik hoop dat ge me daarin niet gaat tegenspreken want ik wil me graag goed blijven voelen – dat ik daar nooit veel last van heb gehad. Ik ken ze wel, de mensen die juist op dit gebied door hun religieuze opvoeding in de problemen zijn geraakt, maar het aantal wordt minder en minder. De neurotische mens verdwijnt en de borderliner is ervoor in de plaats gekomen. Zijn spiegelbeeld, ja, zo zou je dat kunnen zeggen. Waar men zich eerst nog ernstig beknot voelde, lijdt men nu onder de grenzeloosheid. Wat is goed? Wat is fout? Wat moet ik met al mijn gedachten? In die zin is een enigszins begrensde opvoeding zo gek nog niet. Als ik de grens ken, weet ik in ieder ­geval wanneer ik er overheen ga.”

VII Gij zult niet stelen

“Mijn nonkel missionaris is in 1975 uitgetreden. De baard ging eraf, hij verruilde zijn wit kleed voor een burgerkostuum, trouwde niet veel later en zette zijn engagement voort door als directeur van de Bouworde (een internationale ontwikkelingsorganisatie) de ­wereld rond te reizen. Hij zette zich in voor het ondersteunen van lokale economieën, nam afstand van de paternalistische, neerbuigende manier die zo lang bon ton was geweest. Ik vind het nog steeds ongelooflijk knap hoe hij na al die jaren niet alleen kritisch naar de kerk, maar ook naar zichzelf kon kijken. Een moedige non-conformist. Mijn nonkel. En hij durfde te zeggen: ja, we hebben goed werk gedaan, scholen gebouwd – loyaal aan zijn gedachtengoed – maar we hebben de Congolese mens ook heel veel afgenomen. We hebben zijn schatten geroofd, zijn waardigheid afgepakt.

“Dit onderwerp is ook nu weer in de actualiteit. Het Africa Museum van Tervuren werd onlangs heropend en de medewerking van Afrikaanse mensen is daar van groot belang geweest. De misdaden van Leopold II worden niet langer verdoezeld, maar toegelicht, uitgelegd. Het heeft geen zin om de geschiedenis alleen maar te veroordelen of te begraven; we moeten er juist ons voordeel mee doen.

“Over het teruggeven van gestolen schatten kan ik niet veel zinnigs zeggen, ik ben geen expert op dat terrein, maar als sociaal psychiater vraag ik me af: hoe zetten we de mens in zijn waardigheid? En: wat doen we nú in derdewereldlanden? Wat doen we nú met vluchtelingen? Hoe voorkomen we dat onze kleinkinderen over vijftig jaar ­zullen zeggen: ‘Jezus Maria Jozef! Hoe hebben jullie dat toen zó kunnen doen?’ In feite ben ik daar in mijn werk ook dagelijks mee bezig: arme, minder gelukkige mensen opnemen in het sociale weefsel, ervoor zorgen dat ze in een maatschappij die alleen maar voor ‘succes, hoge concurrentie en alles is fantastisch’ wil gaan, niet achter een muur verdwijnen en voorgoed vergeten worden.”

Beeld Mark Kohn

VIII Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

“Een eerlijk mens bedekt de waarheid af en toe een beetje. Zeg op uw sterfbed niet tegen uw geliefde: ‘Weet ge nog, zestig jaar geleden? Toen heb ik u bedrogen met uw beste vriendin.’ Zwijg. En sterf. Alstublieft.

“Wat is dat toch met onze obsessie voor ‘de waarheid’? We zijn vanuit de Victoriaanse duisternis in een tijd van hypertransparantie gekomen. Alles moet maar gezegd en getoond worden. Voor mij hoeft het niet. Sommige dingen kunnen beter in het donker verborgen blijven. Dat vind ik. Voilà.”

IX Gij zult geen onkuisheid begeren

“Er zijn twee krachten in de mens. Enerzijds kennen we het ongebreidelde verlangen naar meer, naar anders – zoekend en grensverleggend – en anderzijds zijn we ook gehecht, huiselijk en willen we graag in voorspelbare, onveranderlijke omstandigheden verkeren. Tussen die uitersten laveren: dat is het menselijk bestaan.

“De ene mens is ... laten we zeggen iets dynamischer (of labieler, het is maar net hoe je het bekijkt) dan de ander. Het is niet goed of slecht. Ik ben geen pastoor, geen moralist. Hoe ik daar zelf mee omga? Hm ... Daarover wil ik niet spreken. Sta me toe dat ik uw lezers hieromtrent hun eigen fantasieën laat behouden.”

X Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

“Het zal wel door mijn opvoeding komen dat ik mij al een beetje schuldig voel voor wat ik allemaal heb. Ik vind dat ik schandalig veel heb gekregen. Niet alleen materieel, maar vooral ook in liefde en aandacht. Ik kom uit een liefdevol gezin, ik heb een vrouw, kinderen, vrienden ... en dat u, uit het verre Nederland, helemaal op de motorfiets, door de donkere, ijzige kou, naar Antwerpen bent gekomen om míj te horen spreken, ik bedoel: wat valt er nog te begeren?

“Ik heb zonder twijfel veel mazzel gehad, maar dat ben ik me ook bewust. Dat ik, bijvoorbeeld, tien jaar geleden mijn grote leermeester in de filosofie Sam IJsseling ben tegengekomen, een Nederlander, een voormalige augustijner monnik, met wie ik in Leuven een seminarie psychiatrie en filosofie heb opgezet ... een godsgeschenk, werkelijk waar. Een van Sams boeken heet ‘Dankbaar en Aandachtig’ (ondertitel: ‘gesprekken met Sam IJsseling’, geschreven door Ger Groot, uitgeven bij Klement in 2013, AV). Dat was precies zijn levenshouding: dankbaar en aandachtig. Dankbaar voor wat er allemaal is, je daar bewust van zijn en dat kunnen aanwenden om goed te leven.

“Goed leven is: zorg dragen voor de ander. Nabij zijn. Dat is baatzuchtig, niet alleen maar altruïstisch, want het omkijken naar anderen geeft een heel vervullend gevoel. En natuurlijk, er is ook wel eens ­tegenslag. En tristesse. Maar het dragen van verdriet kan óók vervullend zijn. Ge moet daar niet van weglopen. Leef op de golven van het bestaan. Let it be.”

Arjan Visser interviewt iedere twee weken iemand aan de hand van de Tien Geboden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden