Pseudoniemen ook goed voor de verkoopcijfers

Achter de goed verkochte dagboeken van de bejaarde Hendrik Groen blijkt de Amsterdamse bibliothecaris Peter de Smet te zitten. Veel andere schrijvers bedienden zich in het verleden van pseudoniemen. Om zeer uiteenlopende redenen.

Eduard Douwes Dekker wilde onder pseudoniem publiceren. "Want ik wil mijn naam niet op affiches hebben want daar men in Holland, dom genoeg, dikwijls een vooroordeel heeft tegen menschen die frivole dingen schrijven, en ik misschien later nog weêr in betrekking komen zal, daarom wil ik onder anderen gedrukt of gespeeld worden. Ik noem mij Multatuli, dat is: 'ik heb veel gedragen', een vreemde naam niet waar?"

Dekker had niet de illusie dat de regering en mensen in Indië niet achter de identiteit van de auteur van 'Max Havelaar' zouden komen. Hij wilde dat "het volk" twijfelde "of het een roman is - wèl op waarheid gegrond maar toch verdicht en opgesierd. De zaken die ik mededeel zijn toch zóó dat men er over moet twisten òf het waar is."

Nom de plume is eigenlijk nog een mooiere term dan pseudoniem. Plume staat in het Frans voor veer, het schrijfgerei bij uitstek in vroeger tijden.

Sommige schrijvers kozen uit veiligheidsoverwegingen voor zo'n nom de plume. De Ierse satiricus Jonathan Swift deed het in de achttiende eeuw. De manier waarop de schrijver van onder meer 'Gullivers reizen' schijnheiligheid, corruptie en machtsmisbruik te kijk zette, viel slecht bij wereldlijke en kerkelijke autoriteiten. Swifts Franse tijdgenoot François-Marie Arouet schreef met scherpe pen onder de naam Voltaire. Het voorkwam niet dat hij meermalen werd verbannen.

De Britse negentiende-eeuwse dominee Charles Lutwidge Dodgson ontpopte zich ook als wiskundige en schrijver. Om die levens uit elkaar te houden vertaalde hij zijn voornamen in het Latijn, draaide de volgorde om en vertaalde ze terug naar het Engels. Voilà, daar was het pseudoniem Lewis Carroll dat ook zijn beroemdste werk 'Alice in Wonderland' zou sieren.

De Fransman Marie-Henri Beyle hield gewoon van enige naamsverwarring. Hij zag het leven graag als een gemaskerd bal, had lol in het creëren van meerdere versies van zichzelf. Mogelijk zat er ook onverwerkt jeugdleed achter. Beyle was nog een jochie toen zijn moeder overleed. Het bestaan daarna onder vader en een tante was nogal vreugdeloos. Andere namen voelden als een soort wraak.

Brieven ondertekende Beyle bijvoorbeeld met gekkigheid als William Crocodile, Don Phlegm (slijm) en Poverino (arme man). Bij zijn eerste boeken bediende hij zich van pseudoniemen als Louis Alexandre Bombet en Anastasius Serpière. Voor zijn beroemde werken zoals 'Het rood en het zwart' en 'De kartuize van Parma' gebruikte hij de naam Stendhal. Het was een verwijzing naar de Duitse plaats Stendal, geboorteplek van een door hem bewonderde kunsthistoricus/archeoloog en bovendien gelegen in de streek waar hij als soldaat van Napoleon een mooie romance had beleefd.

Vooral in de negentiende eeuw probeerde een hele reeks vrouwelijke auteurs seksistische vooroordelen over schrijfsters, die slechts onbetekenende boeken konden voortbrengen, voor te zijn door een mannennaam te gebruiken. De Française Amantine-Lucile-Aurore Dupin kreeg bekendheid als George Sand. De pseudoniemen Currer, Ellis en Acton Bell hadden uiteindelijk minder eeuwigheidswaarde dan de echte namen van de Britse gezusters Charlotte, Emily en Anne Brontë.

Jane Austen had eerder geen geheim gemaakt van haar geslacht. Haar naam bleef dat aanvankelijk. Alleen in kleine kring waren haar literaire ambities bekend. 'Sense and sensibility' verscheen met de vage aanduiding "By a lady". Opvolger 'Pride and prejudice' werd uitgegeven met de aanbeveling "By the author of 'Sense and sensibility'".

Helemaal uitgestorven is dit soort geheimzinnigdoenerij nog niet. Joanne Rowling, de vrouw achter de Harry Potter-reeks, koos niet voor een pseudoniem. Op aanraden van de uitgeverij ging ze wel publiceren met haar voorletters in plaats van haar voornaam: J.K. Rowling. Het idee was dat jongens de boeken anders wel eens links zouden kunnen laten liggen. Erika Leonards trilogie 'Vijftig tinten grijs' verscheen onder een pseudoniem met haar initialen: E.L. James.

Marketingtechnisch slimme pseudoniemen zijn van alle tijden. Het is bijvoorbeeld maar de vraag of Samuel Langhorne Clemens en Józef Teodor Konrad Korzeniowski het even ver zouden hebben geschopt als hun schrijvende alter ego's Mark Twain en Joseph Conrad.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden