Psalm

,,De psalmen maken klein.

Wie zich van de oude Statenvertaling bedient, zal geen poëzie tegenkomen. Althans: typografisch gesproken. In de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap uit 1951 valt voor het eerst uit de zetwijze op te maken dat het boek Job, de Psalmen, de Spreuken, het Hooglied en de Klaagliederen als poëzie gelezen dienen te worden.

Dat ook de boeken Prediker, Jesaja, Jeremia, en de twaalf zogenoemde kleine profeten (Hosea tot en met Maleachi) waarmee het Oude Testament eindigt, hetzij geheel, hetzij grotendeels als poëzie te beschouwen zijn, dat is pas in de Willibrordvertaling van 1966 respectievelijk 1995 duidelijk en royaal te zien. Zoals dat ongetwijfeld ook te zien zal zijn in de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) waaraan nu nog zo noest gewerkt wordt.

Maar zelfs met deze opsomming zijn we er nog niet helemaal. Zoals Jan Fokkelman, de auteur van het eind vorig jaar verschenen 'Dichtkunst in de bijbel', ons voorrekent, bestaat de Hebreeuwse Bijbel voor ongeveer eenderde uit poëzie. Voor een dikke derde zelfs. Er is ook nogal wat poëzie die deel uitmaakt van, of liever opgenomen is in, proza. In verhalende teksten kan het register soms danig omhoogschieten naar de lyrische en beeldrijke taal die onder anderen zo karakteristiek is voor de profeten. De zegen van Jakob, vlak voor het eind van Genesis, is zo'n geval.

Best. Maar dat de Psalmen een of andere vorm van poëzie vertegenwoordigen, dat zal in de loop der eeuwen toch weinig bijbelvorsers en -lezers ontgaan zijn, zou je denken. Misschien. Toch is de aandacht voor de specifieke literaire vormen van bijbelse teksten pas heel laat totstandgekomen. In de achttiende eeuw, ook wat de bijbellezer aangaat niet voor niets de eeuw van de Verlichting, was het een anglicaanse bisschop, Robert Lowth, die als eerste een belangrijk poëtisch bouwprincipe opgemerkt, of dan toch in elk geval aan een naam geholpen, heeft. Het is de parallellismus membrorum, waarover zometeen nog.

In verband met de Bijbel is het woord 'vers' een tikje verwarrend. Waar het woord figureert in het welbekende type plaatsaanduiding, 'hoofdstuk zoveel vers zoveel', kan het zowel slaan op proza als op poëzie. Die indeling van de Bijbel in hoofdstukken en verzen is afkomstig uit de rabbijnse traditie. En het aardige is dat als het echt om poëzie gaat, deze rabbijnse traditie één op één klopt. In die zin dat elk 'vers' uit de plaatsaanduiding ook werkelijk een versregel is.

Maar die ene Hebreeuwse versregel overtreft de bij ons gebruikelijke met wel een paar lengtes. Een gewone Nederlandse versregel is stukken korter. Meer dan een enkele blik op de Psalmen is er niet voor nodig om dat verschijnsel te zien. Er is geen psalmversregel of ze is onderverdeeld in subversregels, zoals ik ze nu maar even zal noemen. Waar die grotere lengte nu precies vandaan komt? Ik zou het niet met zekerheid kunnen zeggen. Vast wel een beetje doordat elke vertaling steevast uitloopt. Maar verder? Door speciale eigenschappen van die Hebreeuwse poëzie, door eigenschappen van het oude Hebreeuws waarin ze geschreven zijn?

Een versregel bestaat meestal uit twee subversregels. Maar ze kan net zo goed opgebouwd zijn uit drie, vier, vijf of zes van die dingen. De vakman-hebraïcus spreekt graag van cola, meervoud van colon, en ook wel van lijnstukken. Welnu, als je eenmaal ziet uit hoeveel van die subversregels, cola of lijnstukken de eigenlijke versregels kunnen bestaan, ben je rijp voor het door de anglicaanse bisschop opgemerkte verschijnsel, de al genoemde parallellismus membrorum. Want die subversregels, die cola, die lijnstukken, of - zoals de bisschop ze noemde - die membra, die 'leden', vertonen steevast een of andere vorm van parallellisme of juist van contrast. En dat parallellisme of contrast geeft een thematisch rijm te zien. Hier is een volstrekt willekeurig voorbeeld, ontleend aan de vertaling van Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde. (Deze vertaling, die dicht bij het Hebreeuws staat, en die wat sterker aan poëzie doet denken dan andere vertalingen doordat ze metrisch van karakter is, heeft deel uitgemaakt van de Willibrordvertaling uit 1978, maar in de geheel herziene versie van 1995 het veld geruimd voor weer een andere. Los is ze nog verkrijgbaar en ze is ook te vinden in het derde deel van Ida Gerhardts 'Verzameld Werk'.)

een oogwenk duurt zijn gramschap,

een leven lang zijn goedheid:

de avond daalt in tranen,

met jubel komt de morgen.

In het Nederlands is deze ene Hebreeuwse versregel (Psalm 30 vers 6) dus maar liefst een vierregelig vers geworden. De parallellismus membrorum of de evenwijdigheid van de lijnstukken is een stijlfiguur (respectievelijk, zoals men tegenwoordig liever denkt, een complete familie van stijlfiguren) die je ook, wat grof gezegd, het Principe van Dubbelop zou kunnen noemen. Want letterlijk alles wordt tweemaal gezegd, met behulp van schuivende varianten. En midden in al die parallellie wordt druk gebruikgemaakt van het contrast.

Het wordt misschien wat dul als ik, voor die vier korte lijnstukken, een compleet opsomminkje ga geven van wat hier aan parallellen en contrasten staat. Kijkt u liever zelf even goed. Maar ik kan me niet weerhouden om in dit verband even op het verschijnsel van het chiasme te wijzen. Dat is toch wel een erg handig begrip, als het om de psalmen gaat. Van een chiasme is sprake wanneer tweemaal twee elementen in een kruiselings verband staan. Trek in de bovenstaande laatste twee subversregels 'de avond daalt in tranen' en 'met jubel komt de morgen' één lijn tussen het (verwante, zij het ook licht tegengestelde) duo 'avond' en 'morgen': trek nog zo'n lijn tussen het (contrasterende, maar ook complementaire) tweetal 'tranen' en 'jubel': en zie dan hoe die twee lijnen samen een x vormen. En als je die x uitspreekt als chi, mits met harde g, dan doemt opeens de Griekse letter op waaraan het verschijnsel zijn naam dankt.

Het is dit spel van parallellen en contrasten dat het weefsel, dat de schering en de inslag van de psalmen vormt. Wie de Statenvertaling leest, zullen die parallellieën heus niet helemaal ontgaan, maar de aanwezigheid van nogal wat chiasmen zal zich gemakkelijk aan het oog onttrekken. Hetzelfde vers als hierboven luidt in de Statenvertaling overigens: 'Want een oogenblik is er in zijnen toorn, maar een leven in zijne goedgunstigheid: des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich.' Het chiasme is aan de Statenvertalers hetzij ontgaan, hetzij niet besteed geweest. Anders hadden ze wel vertaald: 'des avonds vernacht het geween, maar gejuich is er des morgens'.

Met de literaire blik die de ontdekking van dit parallellisme der versdelen aan het licht bracht, was de achttiende-eeuwse bisschop dan misschien laat - degenen die na hem kwamen, waren nog later. Pas na de Tweede Wereldoorlog, en eigenlijk pas in het laatste kwart van de twintigste eeuw, zijn sommige onderzoekers de teksten van de Bijbel met een literaire bril op gaan lezen en bestuderen. De literair-historicus Robert Alter, een van de redacteuren van 'The Literary Guide to the Bible' (een mijlpaal van een boek, verschenen in 1987) is een lezer en geleerde van dat type.

In Nederland is de al genoemde Jan Fokkelman zo iemand. Hij is een onderzoeker die lettergrepen telt (en al dan niet scandeert - maar ik geloof dat men het daarover oneens kan zijn: of er wel gescandeerd kan worden, in het bijbelse Hebreeuws). Als je hem in de weer ziet met zijn tellingen, zou je af en toe bijna denken, met een goedaardig soort gek te maken te hebben, maar pas op. Lettergrepen tellen wil in dit verband vooral zeggen: versstructuren aan het licht brengen. Fokkelman is een meesterlijk analyticus van de grotere en de kleinere eenheden waaruit de poëzie in de Bijbel is opgebouwd. Zijn getel is het uitgangspunt geweest voor heel wat overtuigende interpretaties die tot een helderder begrip hebben geleid van hoe bijbelse poëzie, juist ook gelezen in grotere eenheden dan het afzonderlijke vers, precies in elkaar zit. Voor lezers die zoals ik geen of weinig Hebreeuws kennen, maar zich literair gesproken wel enige moeite willen geven, zijn Fokkelmans boeken (hij schreef er ook een voor het bijbelse Hebreeuwse proza) goede gidsen.

In hoeverre het gebed met goed recht als een literair genre beschouwd kan worden, zou ik niet een-twee-drie kunnen zeggen. Maar het lijkt me niet al bij voorbaat een slecht idee om dat te doen. Ik heb niet geturfd hoeveel van de psalmen in een meer strikte zin gebeden genoemd dienen te worden, maar het zijn er nogal wat. Degenen die zich bezig hebben gehouden met een nadere indeling van de psalmen naar (sub)genres schatten het aandeel van de smeekbeden op iets meer dan een derde van het totaal van de honderdvijftig psalmen. Direct daar achteraan, naar omvang, komt het genus der lofpsalmen. In een derde categorie horen bijvoorbeeld de zogenoemde bedevaartsliederen thuis.

In wat ik een expliciet gebed zou willen noemen richt zich een ik rechtstreeks tot een U of een Gij, die God is. Sinds ik meer zelfstandig ben gaan nadenken heb ik eigenlijk altijd gevonden dat het gebed een door en door paradoxale vorm heeft - of liever is. Neem Psalm 5. Die begint, in de Willibrordvertaling, met: 'Hoor mij als ik spreek, HEER, versta mij als ik stamel'. Een ik, misschien David aan wie per traditie nogal wat psalmen worden toegeschreven, neemt het woord en richt zich tot de HEER, de altijd wat onbevredigende vertaling van het tetragrammaton JHWH, een instantie of een wezen dat misschien niet meteen al aanwezig is; een wezen dat misschien wel, misschien niet luistert; een wezen dat niet op enige gebruikelijke manier iets terug pleegt te zeggen.

Dit is het voorportaal van het gebed. Degene die deze psalm schrijft of hem reciteert, stilleest of zingt, is - retorisch gezien - alléén; en hij gebiedt gezelschap, om zo te zeggen. Dat kan dan ook alleen in de vorm van een bevel. Wie bidt, geeft een bevel. Hoor, zegt hij (M/V), luister naar mij. Misschien is het deze merkwaardige imperativus, gebruikt door de in deze situatie bij uitstek machteloze, de mens, die aan God zijn meest eigenlijke bestaansvorm geeft: die van de bevolene. De bevolene, weliswaar, aan wie bevolen wordt het commando over te nemen. Maar ook de verzoeken om hulp, die de feitelijke kern van de smeekbede vormen, kunnen niet anders dan zich, wederom, van de imperativus bedienen.

Vaak wordt de in het gebed verlangde kwaliteit van God - zijn rechtvaardigheid, zijn macht, en zo meer - eerst omschreven en/of bejubeld, om er vervolgens een beroep op te kunnen doen. Niet zelden blijken er vijanden te zijn, belagers enzovoort, die het voorzien hebben op degene die bidt. Dikwijls wordt de moderne lezer getroffen door de fantastische eenvoud van het morele schema - waarin overigens gewoonlijk volstaan wordt met suggesties en aanduidingen. Wie er nu wat aan wie heeft gedaan en waarom, dat vind je niet in de psalmen. De psalmen opereren wat dat aangaat zo goed als onafhankelijk van de meer kroniekachtige geschriften in de Hebreeuwse Bijbel.

Vervolg op pagina 46 en 47

God van de Elementen, Krijgsman, God van de wet

Maar ergens in de psalm, nu eens in het midden, dan weer tegen het eind, is de centrale oproep aan God te vinden: tref hen! vernietig hen! doe hen struikelen! stoot toe!

In de psalm die mij hier losjes als uitgangspunt dient, Psalm 5, is het opmerkelijk dat de hoofdmoot van de psalm, de eerste elf verzen, zich afspeelt tussen twee enkelvouden, het biddende ik en de direct aangeroepene, God.

Diens hulp wordt ingeroepen tegen een naamloos collectief van tegenstanders. Maar pas in de laatste twee verzen wordt de zaak van het ik veralgemeend tot die van alle gelovigen. Daar komt het meervoud tot stand van 'allen die bij U schuilen'. 'Altoos', zo heet het in de NBG-vertaling, 'zullen zij jubelen (...) en in U zullen juichen wie uw naam liefhebben. Want Gij zegent den rechtvaardige, o HERE, Gij omgeeft hem met welbehagen als met een schild.'

Het is overigens niet moeilijk, voor iemand die in de protestantse traditie groot is geworden, zich hierbij een massa gelovigen, verenigd in psalmgezang, bijeen te zien - onder het schild van het dak van hun kerk. Maar dit terzijde.

De meeste psalmen zijn opgebouwd uit een vernuftig spel van imperatieven en indicatieven. Ik heb er geen studie van gemaakt, maar het is heel boeiend om te zien waar er van focus veranderd wordt. Het gebed is misschien nog wel meer dan enige andere tekstsoort in de Bijbel een staaltje van groot retorisch vernuft.

Ik had het al over de centrale rol die de gebiedende wijs in het gebed speelt. Zonder imperativus geen gebed, laat dat duidelijk zijn. Maar de imperatieven in de Psalmen zijn er niet alleen ter attentie van God, in het enkelvoud: ze zijn vaak ook gericht tot de medegelovigen, die tot van alles worden opgewekt, in het meervoud.

In het Nederlands heeft de vorm van de gebiedende wijs steeds meer aan kracht ingeboet. De imperativus is in onze taal waarschijnlijk nog veel sterker dan in de omringende talen een struikelblok aan het worden voor contemporaine vertalers. Hij sterft uit en wordt toenemend als lomp ervaren. De imperativus meervoud ('doet', 'legt', 'weest') is al uitgestorven. De vorm waarin men zich, in een evident hiërarchische verhouding, tot een collectief kon wenden is antiek geworden. Zelfs 'Geeft acht!' en 'Presenteert geweer!' hebben, in één van de laatste structuren waarin het bevel nog als onproblematisch gold - het leger -, denkelijk hun langste tijd gehad.

Een en ander maakt grote delen van de Bijbel, als je van de antieke vormen afstapt, buitengewoon moeilijk vertaalbaar; zoals me, als de meelezer die ik zo nu en dan ben voor de Nieuwe Bijbelvertaling, al diverse keren is gebleken. Hoe dat voor de Psalmen in de NBV af gaat lopen, blijkt nu al uit de voorproef van 31 stuks die eind vorig jaar gepubliceerd werd in het tweede deel van 'Werk in uitvoering'. Tot mijn diepe spijt en grote afgrijzen is de imperativus meervoud door de vertalers compleet afgeschreven. Zou ik dan langzamerhand de enige zijn die pijn aan de ogen krijgt van 'Loof de HEER, alle volken / prijs hem, alle naties'? Psalm 117 (de kortste van alle), waarvan dit de eerste twee verzen zijn, wordt er wat mij betreft door verpest.

Nu kun je hier tenminste nog zien dat er meerdere personen respectievelijk collectieven worden aangesproken: namelijk 'alle volken', 'alle naties'. Maar elders vindt er een verenkelvoudiging plaats die onzichtbaar blijft. Zodat de psalmen in het ene geval kreupel gaan lopen, en in het andere geval van verdoezeling gesproken moet worden. Men dient zich te realiseren dat er in het boek der Psalmen als geheel honderden imperatieven in het geding zijn. De reductie tot slechts de gebiedende wijs enkelvoud is een vorm van individualisering, ook in de grammatica, die stilistisch een hoge tol eist. Te hoog, naar mijn smaak. Dit levert verzen op die scheel zien, terwijl de in 1997 geheel herziene 'Algemene Nederlandse Spraakkunst' in verband met de imperatief volkomen terecht nog altijd een meervoud onderscheidt 'in formele taal'. Wat hebben we hier, in godesnaam, anders dan een bepaald type van uiterst formele taal?

Voor de lezer van de Psalmen is het steeds weer verrassend te zien, welk beeld van God eruit oprijst. In de schitterende Psalm 29 (die zowel in de NBG-vertaling als in de vertaling van Gerhardt en Van der Zeyde voorzien wordt van de betiteling 'Gods majesteit in het onweer' - de Willibrordvertaling gewaagt slechts van 'De stem van de HEER') doet de God der heerlijkheid den donder weerklinken (NBG); splijt de stem van Jahwe de cederen (G & vdZ); splitst de stem van Jahwe het weerlicht (idem); en ontschorst de stem des HEREN de wouden (NBG). Voor wie een idee wil hebben van hoe de stem des HEREN of van Jahwe klinkt: nou, behoorlijk Zeus- of Wodan-achtig, zou je hier kunnen denken.

Ook elders is er regelmatig een dergelijke God van de elementen actief. In Psalm 9 vers 7 - 'steden hebt Gij verwoest' - lijkt deze God, voor wie zich het homerische epitheton herinnert, een verwant van de stedenverwoester Poseidon. Ook in Psalm 18 vers 8 en 9 doet hij wel een beetje aan dezelfde god denken, in diens kwaliteit van aardschudder, of voor wie dat liever heeft, aan een type als Vulcanus. In de versie van de Willibrordvertaling staat er dit: 'De aarde schudde en beefde, / daverend schokten de grondvesten van de bergen, / want de HEER ontvlamde in woede. Uit zijn neus sloeg rook, / verslindend vuur uit zijn mond, / gloeiende as stootte Hij uit.'

Weer elders in de Psalmen wordt de lezer gefrappeerd door het beeld van God als militair. Of laten we zeggen, als geduchte vechtersbaas. Geen watje, deze God van David in Psalm 1 vers 8. 'Gij hebt al mijn vijanden op de kaak geslagen, en de tanden der goddelozen verbrijzeld', aldus de NBG-versie. In Psalm 35 vers 2 en 3 wordt een al even oorlogvoerende God uitgenodigd om als bondgenoot te hulp te snellen: 'Grijp schild en rondas, / sta op, mij ter hulpe, / zwaai speer en strijdbijl tegen mijn vervolgers'. De wat abstractere God van de alsmaar humanistischer mens die we hier langzamerhand, althans in theorie, allemaal zo'n beetje zijn geworden, is hier nog in geen velden of wegen te bekennen. Voor een God, of een zoon van God, die zo pacifistisch is om te denken dat we twee wangen hebben om er nog eentje extra te kunnen aanbieden in geval van geweld, heeft de Hebreeuwse Bijbel geen enkel emplooi. Zo'n God is een door en door christelijke en humanistische uitvinding.

Maar de God van de Hebreeuwse Bijbel (die door de christenen toch echt een klein beetje is ontvoerd toen zij, na hun creatie van een 'Nieuw' Testament, een 'Oud' hebben uitgeroepen dat al die tijd al op eigen, joodse, benen had gestaan), maar de God van de Hebreeuwse Bijbel, eerlijk is eerlijk, is naast God van de Elementen en Krijgsman ook een God van de Wet. En vooral in die gestalte heeft hij de christenen en de joden gelijkelijk aangesproken. En deze God van de wet is onder meer gekant tegen corruptie en bedrog, en geporteerd voor weduwen en wezen.

Psalm 119 is de langste van alle. En was, in de berijmde versie, een ware schrik voor niet zo grage zangers in de kerk. Althans, zo herinner ik mij hem. Want de honderdzesenzeventig bijbelverzen zijn, in de berijming van 1773 die ik lang geleden heb zitten meezingen, achtentachtig - en in de nieuwe berijming miraculeus genoeg zesenzestig - psalmen geworden. En als er van die honderdnegentiende psalm het een en ander gezongen moest worden, was het zelden minder dan een couplet of vijf. In de oude berijming, ik kan me niet weerhouden nog even wat aan te halen, begint het met: 'Welzalig zijn d'oprechten van gemoed, / die ongeveinsd des HEREN wet betrachten' en eindigt het, zevenentachtig coupletten verderop dus, met: 'Ai, zoek uw knecht, schoon hij uw wetten schond, / want hij volhardt naar uw geboôn te horen.'

Maar goed, die ellenlange gezongen psalmen daargelaten - je zou zeggen: voor poëzie, en zelfs voor religieuze poëzie, is er nauwelijks een nog impopulairder thema denkbaar dan: 'Hoe lief heb ik uw wet! / Zij is mijn overdenking den gansen dag' (Psalm 119 vers 97). Toch is dat waar het om begonnen is in het gros van de psalmen; en al helemaal in 119. Wetsgetrouwheid, plichtsbetrachting, gehoorzaamheid aan de wet, loyaliteit, discipline, het onderhouden van de geboden, gerechtigheid. Het is één grote vreugde der wet. Met als doorlopend refrein: 'Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.'

Al lezend in het boek der Psalmen drong het plotseling tot me door dat dit misschien wel het woord bij uitstek was, in de Psalmen - goedertierenheid. Ik keek het na in de onvolprezen 'Concordantie' van Abraham Trommius, en jawel. Net wat ik dacht: bijna de hele kolom van verwijzingen betreft het boek der Psalmen. En omdat ik vervolgens wel eens wou weten hoe ze dat nou definieerden in de driedelige Van Dale, zocht ik het op. Goed definiëren, met een scherp oor voor nuances, dat is de mooie taak van de lexicograaf. Voor de omschrijving van wat 'goedertieren' is (alleen het adjectief krijgt een plaatsje; wat een beetje jammer is, omdat op die manier niet blijkt dat goedertierenheid een meervoud kan hebben) wijkt het woordenboek uit naar drie synoniemen: 'barmhartig, lankmoedig, genadig'.

Een drietal dat zich evenmin in druk gebruik mag verheugen. Maar twee citaten wijzen de weg: 'een rechtvaardige en goedertieren vorst' en 'goedertieren Vader'. En daar zit hem, voor wie zich afvraagt hoe het komt dat deze woorden geen emplooi meer hebben, de kneep natuurlijk. In onze eenentwintigste-eeuwse ogen hebben de noties van recht en rechtvaardigheid hun vroegere hiërarchische karakter volkomen afgelegd. Ze moeten het, zo nu en dan tot onze grote schrik, voortaan stellen zonder al te veel bijbehorend ontzag. De belichaming van dat vroegere hoge gezag schemert hier in het woordenboek alleen nog maar door in de gestalten van vorst en vader - gestalten, dat hoef ik er niet bij te zeggen, die bij uitstek bepalend zijn geworden voor een tijd die achter ons ligt. Of laat ik iets voorzichtiger zeggen (ik wil niemand voor het hoofd stoten): een tijd die voor de meesten van ons geen contemporaine werkelijkheid meer kan zijn. De vorst, de vader, de rechter, ze zijn niet langer goedertieren. Dat hoeven ze ook niet meer te zijn, in onze seculiere rechtsstaat. We zorgen er wel voor dat we verdomd goede advocaten hebben.

Maar toegegeven: het heeft ook minder prettige kanten dat rechtvaardigheid zo'n overdwars uitgehold en pragmatisch begrip geworden is. En dat het woord 'respect', dat misschien wel de toverachtige gelijkvloerse opvolger is geworden van die zuiver verticale goedertierenheid van vroeger, druk op weg lijkt om even volmaakt betekenisloos te worden. Over honderd jaar zal iemand 'respect' in een woordenboek opzoeken om er enig idee van te krijgen wat dat woord, kort voor zijn totale inflatie, nog net aan betekend mag hebben.

De opvolgers van die goedertierenheid - zou het daarmee nog wat kunnen worden? Want dat dit woord, uit de Statenvertaling en die van het NBG uit 1951, al bijna dood en begraven is, dat heeft de recentste Van Dale natuurlijk wel goed gezien. Ik blader heen en weer tussen de oude vertaling en een paar nieuwere, om te zien wat er zoal van die goedertierenheid geworden is. Tja. Dat ene Hebreeuwse woord is 'overmaat aan genade' geworden, en 'mateloze goedheid', en 'liefde' (in de Willibrord); 'rijke genade', en 'ontferming', en 'goedheid' (bij G & VdZ ); 'loyaliteit', en zelfs 'solidariteit' (in de tentatieve vertalingen die Fokkelman hier en daar geeft). Met de goedertierenheid is het voorgoed gedaan.

Het zal duidelijk zijn dat het mensbeeld, in de Psalmen, correspondeert met het godsbeeld. Waar de god van de Hebreeuwse Bijbel een god van de elementen is, en ook een krijgsman, maar toch vooral een koning, een rechter en een redder van bovenmenselijk formaat, daar is de mens uiteraard een afhankelijk en een ondergeschikt wezen, een misschien respectvol, maar toch vooral ook beducht en angstig wezen.

De door de psalmdichters van de mensen verlangde en bij hen ook zonder meer aanwezig geachte angsten en beduchtheden stroken heel weinig meer met wat in onze souvereine dagen bon ton zou kunnen zijn. Misschien dat wij ons nog het meest, indien ergens, kunnen vinden in de spaarzame psalmen waarin vragen worden gesteld en twijfels geuit. En misschien ook, toch wel, in de voluit gedeprimeerde psalmen, waarin het lied van de totale benauwdheid wordt gezongen, zonder dat er direct met een grote aanwijsstok wordt gewezen naar een of ander heil. Maar misschien moet je, voor deze appreciatie, toch gereformeerd of joods zijn opgevoed - ik weet het niet.

Het mooie van Psalm 88 is in mijn ogen dat de paradoxale kwalificatie waarmee de psalm begint - 'Ach, HEER God die mij redt, / ik roep om U bij dag, / ik sta voor U bij nacht: / laat mijn gebed U bereiken, / en luister naar mijn luid geroep, / want ik ben ziek van ellende, / ik ben het dodenrijk levend nabij' - in de verdere psalm, waarin iemand er niet heel veel beter aan toe lijkt te zijn dan Job, zelfs geen echo meer krijgt. Want in de psalm zelf, daarover geen enkele twijfel, is de 'God die mij redt' nu juist zo akelig afwezig. De bittere verzen volgen elkaar bijna geselend op.

In deze psalm - er zijn er nog paar waarin hetzelfde gebeurt - wordt een heel mooie vraag gesteld aan God. Het is deze: 'Verricht U soms wonderen bij doden? / Staan schimmen soms op om U te loven? / Wordt in het graf over uw liefde gesproken? / Of van uw trouw in dat oord van verderf? / Ervaart men uw wondermacht daar in dat duister? / Uw rechtvaardigheid in dat land van vergeten? / En ik maar roepen om hulp, HEER, / van 's ochtends vroeg maar tot U smeken. / Waarom, HEER, verstoot U mij? / Waarom verbergt U uw gelaat voor mij?'

Voor de christelijk geïmpregneerde lezer is het hierbij van het grootste belang om te bedenken dat de Hebreeuwse Bijbel, oftewel het christelijke Oude Testament, geen hiernamaals kent. Dood is dood. Dus de vragen die God hier voorgeschoteld krijgt, in veelvoud, hebben een doorgefourneerd retorisch, om niet te zeggen ironisch of wie weet zelfs sarcastisch karakter. Want God doet dus niks in het dodenrijk, daar heeft hij namelijk niks te maken. Wonderen doen, daar, dat kan hij gewoon niet. Dat is punt één. Maar mensen doen net zo min wat in het dodenrijk, en al helemaal bekreunen ze zich daar niet om God. God heeft dus niets aan de doden: ze kunnen hem niet loven, ze kunnen niet bidden, ze kunnen niet klagen. Zoals deze bidder wél doet! Hij zegt dus zoveel als: ik ben weliswaar ziek van ellende, maar ik leef nog wel! en van U merk ik niets! het lijkt waarachtig wel alsof ik al dood ben! Als ik zo vrij mag zijn om het lyrische ik van deze Hebreeuwse psalm een paar woorden Engels in de mond te geven, dan zegt hij dus: for all practical purposes bén ik al zo goed als dood...

Of die gedachtegang, als door een soort van niet uitgesproken schaduw, misschien zelfs begeleid wordt door nog een andere gedachte? Ik weet niet of ik dan iets moderns in de tekst smokkel dat er nooit in heeft gezeten. Maar de gedachte dat God hier wordt uitgedaagd om te bewijzen dat Hij zélf niet dood is, lijkt me niet heel ver weg. Maar ach nee, dat zal ook wel niet. Ook al die ellende - onbegrepen en wel - waardoor het ik getroffen wordt, komt immers van God: 'Uw toorn valt over mij heen, / uw vlagen van boosheid verbijsteren mij: / als een stortvloed omspoelen ze mij alle dagen, / overal omsingelen ze mij. / U hebt vriend en buur van mij verwijderd: / mijn enige gezelschap is de duisternis.' Zo eindigt deze psalm (in de Willibrordvertaling).

Misschien zijn de psalmen, bij vertaling uit het Hebreeuws, wel het dubbele slachtoffer geworden. De vreugde der wet of, zoals in de psalm van zoëven, de smart der wet, ze zijn thematisch ten onder gegaan. En hun vernuftige poëtische structuur is eigenlijk alleen voor kenners zichtbaar, en laat zich slechts zo om en nabij vermoeden door geïnteresseerde leken.

Wie weet is het daarom wel een goedgunstig en rechtvaardig lot dat alles wat de psalmen puur op eigen benen, als tekst, niet zo heel erg meer vermogen, ook en vooral getransformeerd is tot muziek. En dan bedoel ik niet de psalmen gezongen op gereformeerde wijze. En al helemaal niet de psalmen gezongen op hele noten.

Maar de psalmen voorzover ze op allerlei manieren deel uit zijn gaan maken van een muzikale traditie die ook voor de niet- en de postchristen van grote betekenis is. Wat het boek Genesis, in zijn eentje, voor de beeldende kunst heeft betekend, dat zijn de Psalmen geweest voor de muziekgeschiedenis.

Het is al lang geleden begonnen. Want de psalmen werden en worden gereciteerd en gezongen in de joodse eredienst. Ze zijn en worden gezongen in het gregoriaans. En ook als Psalms of David, onberijmd op zijn anglicaans gezongen door bij voorbeeld het King's College Choir, zijn ze me al heel lang dierbaar. Zo is er nog veel meer. Kleine geistliche Konzerte van Heinrich Schutz, een eeuw voor Bach, om nog eens wat te noemen - ik kan er nooit genoeg van krijgen.

Mogelijk is dit de wonderbaarlijke eigenschap van de zeer sterke vormen die samen de schoonheid der eeuwen uitmaken. Dat ze op een manier die nooit helemaal benoembaar zal zijn, toegankelijk blijven: toegankelijk op de manier waarop de kunst dat nu eenmaal voor elkaar weet te krijgen. Zoals ook een Romaanse of een Gothische kerk direct na entree diep kunnen ontroeren. Of zou het toch om iets anders gaan dan die vormen? Zouden het de gebouwen zelf zijn of de partituren zelf die de ware gelovigen zijn? En die prompt aan het geloven slaan zodra we ze betreden en ons laten opnemen, zodra we ze horen en luisteren? Ik denk het wel eens.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden