prothesewerkplaats

Karin Goeijenbier (19) werkt op het Centrum voor Orthopedietechniek aan haar meesterstuk, een kunstbeen.

Traag kruipt de warme vloeistof langs het kunstbeen naar beneden. Karin Goeijenbier is bijna klaar met de prothese van een onderbeen. Het is een zoveelste versie van haar 'meesterstuk', na een zesweekse stage op het Centrum voor Orthopedietechniek in Amsterdam. Dit is Karins laatste week, en dit onderdeel van het vak 'orthopedisch instrumentmaken' kent weinig geheimen meer voor haar. Karin doet fijn mechanische techniek op het regionaal opleidingencentrum (roc) Amsterdam. Hiervoor doorliep ze de lts, als een van de weinige meisjes.

Ergens in het gebouw staat nog een ouderwetse houten poot. Maar voor het hedendaagse kunstbeen is meer nodig dan zaag en beitel. Karin vouwt zachte kunststof om het gipsen model van een onderbeen. Een vacuumpomp zuigt de lucht tussen kunststof en gips weg, en het past precies. Geroutineerd zet ze de schaar in de kunststof en knipt er de overtollige randjes af.

Het been gaat in de bankschroef, de studente zet het mes in het bovenste randje. Het is een eng gezicht, zo echt lijkt het been al. Karin ziet er niets lugubers in. ,,Ik besef wel dat ik bezig ben voor iemand, dat straks een echt mens met die prothese van mij rondloopt.'' Ze is waarachtig wel eens iemand tegengekomen met een kunstbeen dat zij had gemaakt.

De stofjas gaat aan, ze zet een kapje op en gaat de slijpruimte in. Op gevoel schuurt ze de laatste randjes eraf - een knie is nooit echt rond. ,,Je moet zicht hebben op hoe iets er uit moet komen te zien'', zegt ze. Het klinkt wat vaag, maar het is ontegenzeggelijk waar. Protheses maken is een ambacht.

Er moet nog een sluitstukje op het onderbeen, van dezelfde kunststof. Het spul wordt verwarmd, gepast en geknipt. Zachtjes houdt Karin de randjes tegen de schuurrol aan. Ze slijpt het sluitstukje bij, tot het naadloos past. Even stopt ze en kijkt ze op. ,,Dit is het gevoel dat je moet hebben, dat je het zo draait, en niet anders. Je moet oog hebben voor de vorm van het been. Dat verschilt elke keer weer.''

De eerste veertig, vijftig dagen kreeg ze een intensieve begeleiding. De eerste week keek ze alleen maar hoe de begeleider het deed. Op school leerde ze wel hoe ze de slijpmachine moet hanteren en welke materialen er zijn, maar verder kwam ze als onbeschreven blad naar het centrum.

Stapje voor stapje leerde ze de techniek van het prothesemaken. ,,Als hij er eens niet was, moest ik het alleen doen. Dan kon ik het rustig aan anderen vragen, al was het tien keer.'' Een van de medewerkers, oud-student van Karins roc, kwam op school vertellen over zijn vak. ,,Je maakt steeds iets verschillends, niet honderd keer hetzelfde. En voor iemand iets maken, dat is mooi natuurlijk.'' Nu helpt ze dezelfde collega met het maken van een bovenbeenprothese. ,,Ik heb techniek altijd leuk gevonden. Als klein meisje keek ik al in of achter dingen om te zien hoe ze werkten.''

Ach, deden alle vrouwen maar zo, verzucht technisch ondernemend Nederland. ,,Ik begrijp niet dat er niet meer meiden techniek doen. Misschien worden ze afgeschrikt doordat er zoveel jongens op de mts zitten?'' Hoe het ook zij, Karin mist haar seksegenoten niet echt. Op het vbo had ze maar mot met ze. Hier is de sfeer heel gemoedelijk, ze is er 'one of the boys'. ,,Vergeleken met die van werktuigbouwkunde zijn ze bij fijnmechanische techniek een stuk rustiger.''

Voor de harde buitenkant van het been moeten eerst negen tricootjes op maat gestikt. Dit is de wapening voor de giethars, een vloeibare kunststof. Een kleurstof geeft de gewenste tint voor de huid. Laatst experimenteerde Karin met glittertjes. Voor het millennium? ,,Nee, dat is uit Amerika komen overwaaien. Voor kinderen is dat best leuk, een been waar je je niet voor hoeft te schamen.'' Ze laat het 'ingietanker' zien, een metalen verbindingstuk. ,,Daar gaat straks de kunstvoet op'', zegt ze. De toekijkende wordt een beetje wee, maar Karin werkt neuriënd door. Na de plaatsing van het 'anker' trekt ze weer een tricotje over het been. Met het blote oog, aan de hand van twee gekruiste stokjes, checkt ze de verhoudingen. De orthopedische instrumentmakerij is bewerkelijk; de computer heeft hier nog niet veel terrein gewonnen. Ze mengt de giethars en kleurstof in bekertjes waar elders ijs in gaat. Het spul stinkt behoorlijk, maar Karin ruikt het niet meer. Na het mengen zet ze een trechtertje bovenop een 'snoepzak' van folie, en giet daar de kunststof in. Ze knijpt in de zak en drukt de luchtbelletjes eruit.

De arbeidsmarkt schreeuwt om vrouwen zoals Karin: is het niet voor orthopedische instrumenten, dan zijn er andere industrieën die haar kunnen gebruiken; voor fototoestellen of meetapparatuur. Als ze na nog een jaar mts klaar is, kan ze een opleiding 'orthopedisch instrumentmaken' doen bij een roc in Den Bosch. Het zit er niet in. Karin gaat een heel andere kant op, zegt ze. Ze gaat bij de marine. Daar roepen ze nog net een tikkeltje harder om een vrouw die geweren en kanonnen kan repareren. ,,Het heeft heel veel met de opleiding te maken. En ik hou erg van varen, het lijkt me een ideale combinatie. Maar ja, het is wel het andere uiterste natuurlijk.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden