... protesteerden er vrouwen in de Rosenstrasse

In het hartje van Berlijn, niet ver van de Alexanderplatz, bevindt zich de Rosenstrasse. Naast het pand met huisnummer 1 is een veldje met daarop een opvallend monument. 'Block der Frauen', heeft de beeldhouwster Ingeborg Hunzinger (geb. 1914) haar ensemble genoemd. Het is sinds 1995 onderdeel van het terrein van het verzorgingstehuis voor joodse Berlijners - en die plek is niet toevallig gekozen.

In de vroege ochtend van 27 februari 1943 werden overal in Duitsland razzia's in fabrieken gehouden, waarbij veel nog niet gedeporteerde joodse werknemers werden gearresteerd. Een aantal van hen was in de dagen voorafgaande aan deze Fabrik-Aktion 'getipt': alleen al in Berlijn konden ruim drieduizend joden onderduiken. Vele tientallen sloegen evenwel de hand aan zichzelf, omdat ze geen andere uitweg meer zagen om aan de welhaast onvermijdelijke deportaties te ontsnappen. Bij deze laatste grote razzia werden naar schatting nog eens 12 000 joodse mannen en vrouwen naar de vernietigingskampen gestuurd.

In tegenstelling tot vorige acties behoorden tot de vervolgden dit keer ook de joden die met een Duitse partner getrouwd waren, alsmede Deutschblutige met een of twee joodse grootouders. Tot die bevolkingsgroepen behoorden in het Duitse Rijk in dat jaar nog ongeveer 17 000 personen, van wie de helft in Berlijn woonde. Op de Wannsee-conferentie van januari 1942, waar de details en de voortgang van de Endlösung waren besproken, bleken de meningen over deze 'joden met arische familiebanden' verdeeld en om onrust onder de bevolking te voorkomen, werd een definitief besluit uitgesteld.

Ruim vijftienhonderd zogenaamde Mischlinge en 'joods-duitse' echtelieden werden in die laatste februaridagen van 1943 in een gebouw van de joodse gemeente aan de Rosenstrasse 2-4 in het centrum van Berlijn geinterneerd. Ze wisten niet wat hun te wachten stond, maar hielden uiteraard rekening met het ergste. De omstandigheden van hun tijdelijke verblijfplaats waren allesbehalve riant. Een van de gevangenen, Günther Rosenthal, schreef later: ,,We werden in een kamer opgesloten, waar voor hooguit twintig mensen plaats was. Wij waren er met meer dan tachtig! Ik had een plaatsje tegen de muur; daar zat ik acht dagen en nachten. Pas na zesendertig uur kregen we iets te eten.'' Christiane Ilisch - die, doordat ze met een 'ariër' getrouwd was, een beschermde status had genoten - maakte indruk met haar medaille die ze jaren eerder had gekregen na het redden van een drenkeling. Haar en haar joodse ouders werd door de dienstdoende SS-functionaris een Passierschein verleend, waardoor ze het volgende ogenblik als vrije mensen huiswaarts konden keren - en het 'duizendjarig rijk' zouden overleven.

Van twee kanten daagde er voor de gedetineerden in de Rosenstrasse hulp. Zo intervenieerde de bisschop van Berlijn, Wienken, bij de officiële nazi-instanties ten gunste van 'de niet-arische katholieken die een gemengd huwelijk waren aangegaan'. Daarnaast waren het vooral de niet-joodse huwelijkspartners (vooral vrouwen) van de gedetineerden die in de Rosenstrasse protesteerden en de vrijlating van hun echtgenoten eisten. Ook verlofvierende Wehrmachtsoldaten werden voor het gebouw waargenomen. Nogmaals Günther Rosendahl: ,,Plotseling hoorden we buiten stemmen. Door het raam zagen we honderden vrouwen staan. Meer dan eens hoorden we hen roepen: 'Wir wollen unsere Münner wieder haben! Gebt uns unsere Münner wieder!'. De volgende dag kwamen ze opnieuw en een dag later weer...' Op 7 en 8 maart, zo'n tien dagen nadat ze waren opgepakt, werden de meesten vrijgelaten.''

De hierboven geschetste gebeurtenissen zijn in de verzetsliteratuur terug te vinden onder kopjes als 'Frauenprotest in der Berliner Rosenstrasse' of 'Die Fabrik-Aktion und ihre Folgen'. De aan het Zentrum für Antisemitismusforschung in Berlijn verbonden historicus dr. Wolf Gruner - op het moment gedetacheerd bij het United States Holocaust Memorial Museum in Washington - ontdekte onlangs dat het protest van (vooral) de vrouwen zeker voor irritatie en verlegenheid bij de nazi-top heeft gezorgd, maar dat het effect van hun actie ook niet mag worden overschat.*

In de archieven van het Reichssicherheitshauptamt (RSHA), waar bijvoorbeeld ook de Gestapo onder ressorteerde, vond Gruner documenten waaruit zou moeten blijken dat de bewuste groepen (nog) niet voor deportatie in aanmerking kwamen en hun vrijlating door de nazi's zelf vooraf was bepaald. Waarom dan toch hun arrestatie? In de eerste plaats wilde het RSHA graag precies weten hoeveel Mischlinge en andere 'geprivilegieerde' joden er eigenlijk waren. Maar belangrijker nog was het gegeven dat er nieuw personeel voor de nog bestaande joodse instellingen moest komen. Ruim duizend zogenaamde Volljuden waren tot dat moment werkzaam geweest in onder meer het joodse ziekenhuis en bij de joodse gemeente van Berlijn, maar nu zij bij de Fabrik-Aktion waren weggevoerd, moest dat werk door een deel van de in de Rosenstrasse vastgehouden gedetineerden worden overgenomen. Omdat er vooral in Berlijn zoveel Mischlinge woonden, werden zij in de hoofdstad tijdelijk gevangengezet. In Hamburg en andere steden, waar vergelijkbare ontwikkelingen plaatshadden, regelde het arbeidsbureau de 'opvolging'. Degenen die niet voor de nieuwe arbeid in aanmerking kwamen - in Berlijn waren dat er naar schatting 1300 - moesten zich na hun vrijlating bij het bureau voor dwangarbeid laten registreren, kregen nieuwe levensmiddelenkaarten en mochten vervolgens naar huis. Een bescheiden aantal van hen vond soms nog een werkkring bij de spoorwegen of als vuilnisman.

Gruner laat er overigens geen twijfel over bestaan dat de onverwachte vrijlating voor de meeste betrokkenen slechts uitstel van executie betekende. Ruim een jaar na de Fabrik-Aktion kwam het bevel alle 'arisch-verwante' joden naar het kamp-Theresienstadt te deporteren.

Een mythe, zegt Van Dale, is een 'als juist aanvaarde, maar ongefundeerde voorstelling omtrent een persoon, zaak of toedracht'. In die zin zijn de gebeurtenissen in Berlijn, nu precies zestig jaar geleden, enigszins ontmythologiseerd. Maar recht overeind staat het feit dat een aantal mensen de persoonlijke moed kon opbrengen om tegen onrecht te protesteren - ook al ging het daarbij wellicht in de allereerste plaats 'slechts' om eigen familieleden. Het monument van Ingeborg Hunzinger, naast Rosenstrasse nr. 1, staat er dáár en daaróm zeer terecht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden